Prive ontvangst lelystad club jacqueline loon op zand

prive ontvangst lelystad club jacqueline loon op zand

De reden van de verkoop is niet bekend maar in het pand waar sedert vele jaren sociëteit werd gehouden werd na de verkoop in de sociëteit De Harmo­nie gevestigd W. Getatoueerde krijger uit Polynesië, geschetst door Johan Chr. T waalf jaar was ik, bij het prille begin van de jaren zestig.

Ik zou er later met enige regelmaat aan herin­nerd worden: Ik kan het niet ontkennen. Op een of andere manier ben ik door die jaren getekend, want of je het wilt of niet, ieder mens is, hoe verschillend ook, een beetje een kind van zijn tijd.

Maar wat wil dat zeggen? Nu het stof van die geschiedenis enigszins bezonken is, merk ik dat die jaren zestig bij mij, maar ook bij veel anderen, verschillende beelden oproepen.

Een bevrijdende tijd, als je in termen van het doorbreken van traditie en taboes wilt denken. Maar op die leeftijd was ik mij van geen taboe of traditie bewust. Een desastreuze tijd, waarin de eerste stappen werden gezet naar de ongeremde ontplooiing van het ik, waarvan we nu — in mijn opinie — de wrange vruchten plukken. Maar ook dat besefte ik toen niet.

Net zo min als ik een scherp beeld heb van de tijd waarin ik nu leef. Wij schrijven met reden onze geschiedenis het liefst achteraf. En dat is wat ik hier en in de volgende afleveringen van het Zwols Historisch Tijdschrift wil doen.

Wat gebeurde er — bezien met de wijsheid van nu — in jaren zestig in Zwolle? Mijn verwachting is dat de veranderingen hier trager gingen en met een minder fel gezicht. Wat was de tijdgeest, wat waren de gebeurtenissen die de stad en haar bewoners zouden veranderen? Een historisch onderzoek is het allerminst. En mijn waarnemingen zijn niet die van een soci­oloog, maar van een nieuwsgierige. Ik laat me meedrijven met het nieuws dat toen zes dagen per week aanspoelde op de bladzijden van de Zwolse krant.

Of zoals die krant toen voluit heette de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Dit alles in de hoop dat er ooit een gezaghebbende studie naar deze ook voor Zwolle boeiende jaren zal worden gedaan. De stad gaat op de schop Zwolle had zichzelf aan het eind van de jaren vijf­tig wakker geschud, de stad moest mee in de vaart der volkeren. Industrie moest er komen en daar­mee werkgelegenheid en economische voorspoed. En als er toch een universiteit in het oosten van het land nodig was, waarom dan niet in Zwolle, de grootste stad van Overijssel en bovendien cen­traal gelegen.

Tijd ook om de oude kleren waarin de stad zich hulde, te vervangen. De binnenstad, maar ook wijken als de Kamperpoort en Dieze vertoonden sleetse plekken.

Krotten stonden er, waar je maar keek. Opruimen en er betere wonin­gen voor in de plaats zetten, was de boodschap. Zwolle was zich er goed van bewust dat het op 1 januari op de drempel van een nieuwe tijd stond.

Maar — en zien wij hier een typisch Zwols trekje? Het was de centrale boodschap van de traditionele nieuwjaarswens van Thomasvaer en Pieternel op 1 januari. Ook in werd die weer op rijm uitgesproken tijdens een bijeen­komst in Odeon. De tekst was van Willem van der Veen hij publiceert nog regelmatig in het Zwols Historisch Tijdschrift en werd door twee Zwolse acteurs uitgesproken in Odeon.

Thomas­vaer memoreert dat Zwolle een stad van allure wil worden. Den Haag wees Zwolle niet voor niets aan als ontwikkelingskern. Nu nog de daad bij het woord voeren zegt hij:. Het voor de finan­ciering van de sloop en wederopbouw opgerichte Krotopruimingsfonds dreigt in het vergeetboek te raken. Maar dat is schijn, want het fonds, dat de naam draagt van oud-burgemeester jhr. Strick van Linschoten, wordt in die eerste maanden van nieuw leven ingeblazen.

Regelmatig verschij­nen advertenties in de krant waarin de Zwolse burgers wordt verzocht een financiële bijdrage te leveren. Blijkbaar was de schatkist van de stad niet goed genoeg gevuld. In de nieuwjaarswens wordt ook gewaar­schuwd voor ongebreidelde bomenkap in Zwolle. Er zijn plannen voor de kap van bomen langs de Wezenlanden en in de Veerallee ging de bijl er al in.

Ze hoefden niet karig met klappen te zijn. Op 31 augustus van dat jaar krijgen de lezers uitleg over wat nu precies een nozem is: Met regelmaat bericht de krant over rellen met nozems in binnen- en buitenland. De politie moet eraan te pas komen om ze in toom te houden. Maar afgezien van het in de nieuwjaarswens vermelde incident in blijft in Zwolle alles nog bij het oude. De aanha­lingstekens zijn een knipoog van de Zwolse krant: Na nieuwjaarsdag ging het leven in Zwolle met nieuw elan van start.

Een elan dat onder woorden werd gebracht door een nieuwe bur­gemeester. Strick van Linschoten was op 1 januari met pensioen gegaan en werd op 28 janu­ari opgevolgd door J. Roelen, daarvoor bur­gemeester van Delfzijl. Bij zijn installatie liet zijn ambitie niets aan duidelijkheid te wensen over: Een stad die als het ware gereed ligt om het onvermijdelijk openbarsten van de overbevolkte Randstad Holland op te vangen.

Zwolle ging op de schop. D e Roopoort vormt de verbinding tussen de Burgemeester van Roijensingel en de Parkstraat. Vanaf de singel is de weg alleen maar toegankelijk voor fietsers en voetgan­gers. Onlangs werd een aantal nieuwe woningen opgeleverd aan de Roopoort. Een van de eigena­ren vroeg zich af hoe de Roopoort aan zijn naam gekomen was. Daar wordt in dit artikel nader op ingegaan. De geschiedenis van de Roopoort gaat zeker drie en een halve eeuw in de tijd terug. Op de kaart van Joan Blaeu, die uit circa dateert, zien we ter hoogte van het bolwerk De Suikerberg waar nu de Potgietersingel ligt , aan de overkant van de stadsgracht een weggetje lopen.

Dit weggetje begint op het punt waar de singel met een dubbele rij bomen beplant is. Het weggetje loopt vanaf de stadsgracht haaks naar links en vervolgens naar rechts. Het volgt daarmee exact de huidige loop van de Roopoort en de Wes­terstraat. Deze namen waren uiteraard destijds nog niet bekend. Het gebied rond dit weggetje was nog onbe­bouwd. Om de stad lagen uitgestrekte landerijen. Blaeu heeft dat aangegeven door hier en daar een koe in te tekenen.

In de achttiende eeuw veran­derde de situatie. De binnenstad raakte vol. Assendorp vond toen de meeste nieuwbouw plaats. Omdat er geen vaste oeververbinding was vanuit de Luttekestraat naar de huidige Burge­meester van Roijensingel, bleef bebouwing aan deze zijde van de stad aanvankelijk achterwege. Komende vanuit de Luttekestraat kon je de stads­gracht alleen maar oversteken met een pontje, het zogeheten Luttekeveer.

Rond Zwolle stonden tal van havezaten en buitenplaatsen. In de Kamperstraat, de Koestraat en de Bloemendalstraat bezaten veel adellijke en vermogende families een stadshuis dat in het voorjaar verlaten werd. Met het personeel vertrok men in april om pas in het najaar terug te keren. In de zomer genoot men van het landleven en van de natuur. In de vaak prachtig aangelegde tuinen ontving men gasten in prieel of tuinhuis om van gedachten te wisselen over politieke onderwerpen of gezellig bij te praten.

Uitgebreide wandelin­gen werden gemaakt en men genoot van de onge­repte natuur. Vaak bleven de gasten ook enkele dagen logeren. Zo ook bij Rhijnvis Feith, die zodra het weer in het voorjaar het toeliet, op Boschwijk aan de weg naar Heino verbleef. Het werd hem soms wel eens te druk met al die gasten, want hij had zelf ook een groot gezin. Feith en zijn vrouw hadden namelijk negen kinderen.

En zo groot was Boschwijk nu ook weer niet. Zij hadden meest­al ook een aanzienlijk huis in een van belangrijkste straten van de stad, maar niet het vermogen om een tweede huis op het platteland te kopen. Het lag wel binnen hun financiële mogelijkheden om buiten de stadsgrachten ergens een stukje grond te kopen.

Daar werd dan een tuin van gemaakt en een tuinhuisje neergezet. Dit fenomeen deed zich in heel Nederland voor. Rond de steden lagen vele tuinen en lustho­ven met idyllische namen. Weg van de drukte en de zomerse benauwdheid van de grote stad was het in de lusthoven heerlijk toeven.

De zinnen werden geprikkeld door kleurrijke en welriekende bloemen. Het gezang van de vogels was er beto­verend. Vele dichters hebben de lusthof beschre­ven zoals Hildebrand N. Beets in zijn Camera Obscura. In het verhaal over de familie Stastok zit Hildebrand in een prieel te lezen en praat hij over vroeger.

Willem Bilderdijk bezong de lusthof op lyrische wijze in het volgende gedichtje: Lust in de hof In het gebied, dat zich globaal uitstrekte tussen de huidige Van Karnebeekstraat en de Willemsvaart, kochten vermogende burgers aan het begin van de achttiende eeuw een stukje grond en lieten daar een tuinhuisje opzetten. Zat men goed in de slappe was, dan nam men een tuinman in de arm om er een mooie tuin aan te leggen met een tuinhuisje. Evenals de zeer rijke families, die het genot op hun buitenplaatsen zochten, beleefde de gegoede burgerij plezier in hun eigen lusthof, die op loopafstand van hun woning gelegen was.

Ook zij ontvingen daar vrienden en gasten. Er werd over alledaagse zaken gesproken of over actuele politieke onderwerpen. Er werd een pijpje gerookt en een glas wijn gedronken. Aan het eind van de dag wandelde men dan — al dan niet vast ter been — weer naar huis om de nacht binnen de poorten van de stad door te brengen.

Als de poort gesloten was, kwam men er niet meer in, behalve tegen betaling. Het tuinhuis of de hof was voor jonge men­sen een aangename plek om elkaar beter te leren kennen. De romantiek vierde er hoogtij. In de beslotenheid van de hof werden aardige en lieve woordjes gewisseld, die uiteindelijk konden leiden tot een echtelijke verbintenis.

Het tuinhuis was ook de plek waar Willem la Clé de herenliefde bedreef. Rond had hij een hof met een tuin­huisje buiten de Diezerpoort waar tegen de avond jonge heren niet alleen voor een glas wijn en een pijpje tabak werden uitgenodigd. Vereniging van eigenaren Rond bezat een aantal burgers van Zwolle enkele hoven en landerijen in het Klein Wezen-land, die te bereiken waren via een kleine poort. Dat poortje stond aan de ingang van een weggetje, dat later de naam kreeg van Roopoort omdat die kleine poort waarschijnlijk uit rode baksteen was opgebouwd en bedekt met rode dakpannen.

Ook de levering van rode verf in latere tijd geeft wel aan dat de poort rood van kleur was. Dit poortje — het was van geringe omvang — werd in voor het eerst genoemd. Uit is een document bewaard gebleven waaruit blijkt dat de poort hoognodig gerepareerd moest worden.

In kennisse van waarheid hebben de geinteres­seerdens deze getekend. Zwolle, 3 junii Via deze poort, gelegen aan de singel, kon men de hoven en landen bereiken. Met de Kirmerije, ook wel Kiri­werie genaamd, werd het gebied aangeduid tussen de stadssingel en waar nu ongeveer het station ligt.

Aan het eind van de achttiende eeuw kwam een groot deel van dit gebied in het bezit van het. Hervormd Weeshuis en kreeg het de naam Klein Detail uit de platte- Wezenland. De Kruidtoren stond aan het Het weggetje waar eind van de Luttekestraat aan de stadsgracht. Van de ondertekena­ ren behoorden er drie tot families die op bestuur­ lijk gebied in Zwolle de lakens uitdeelden en zeer goed bij kas waren Roijer, Van Muijden of Mui­ den, en Rietberg.

De overige vier waren ook niet onbemiddeld. Van Hattum was advocaat en de vader van Burchard Joan van Hattum, de schrijver van Geschiedenissen der stad Zwolle, , en mevrouw Weijenberg bezat twee panden aan de Grote Markt waar nu de Harmonie staat.

In werden zij opnieuw opgeroepen voor een gezamenlijke vergadering op het Refter aan het Bethlehems Kerkplein. Gijswijt voor in het jaar geleverde smidswaren, onder meer hengsels, krammen, nagels, platen en twintig dakpannen. Het is jammer dat van dit gezelschap, dat de Roopoort in stand wilde houden, slechts weinig archiefstukken bewaard gebleven zijn. Het laatste stuk dateert uit Tussen de stukken zitten vele kwitanties voor onderhoud van de poort.

Om de zoveel jaar moesten de hengsels worden vermaakt of werden er nieuwe grendels geleverd. De uitga­ve voor rode verf op een van kwitanties verklaart andermaal de naam van de poort. Voor het dak van de poort werden in twintig nieuwe pan­nen aangeschaft. Engeler als gemachtigde van de belanghebbenden van de Roopoort optrad. Hij had in totaal een bedrag van negen gulden, zeven stuiver en acht penningen voorgeschoten.

Dit bedrag werd hoofdelijk verdeeld. Ieder moest per hof of per stuk land — te bereiken via de Roo­poort — een bedrag van vijftien stuiver en tien penningen betalen. Met grote letters staat onder de rekening: Van hof naar stadsvilla Rond veranderde de situatie drastisch. In was de Willemsvaart gegraven. Een nieuwe haven werd aangelegd nabij de Eekwal.

Over de stadsgracht kwam rond een voetbrug te lig­gen, die de verbinding vormde tussen de Lutte­kestraat en het Klein Wezenland. Deze kleine brug werd in vervangen door een nieuw exem­plaar die we nu kennen als de Nieuwe Haven-brug. Rond werd Zwolle aangesloten op het spoorwegennet.

In kwam de spoorbrug over de IJssel klaar en met de bouw van het station werd het gebied tussen het station en de stad een gewilde locatie om te bouwen. Dit ging ten koste van de vroegere hoven. De nieuwe huizen werden onder archi­tectuur gebouwd en waren bestemd voor rijke kooplieden, fabrikanten en hoge ambtenaren. Het huis Klein Wezenland Burgemeester van Roijen­singel 5 is tussen gebouwd voor mr. Deze familie had daar grond liggen.

De poort van het voormalige Hervormd Weeshuis aan de Broerenstraat is in herplaatst als ingang van Praubstraat Op de poort staan twee wezen afgebeeld in zandsteen: Daartussen de letter W van weeshuis en erboven het stadswapen. Foto Jan van de Wetering Suikerhistorie. Het werk vond plaats in het Nederlands Hervormd Weeshuis in de Broerenstraat, dat leeg was komen te staan. In het begin van de jaren vijf­tig werden wezen niet langer meer geplaatst in het weeshuis maar bij particulieren ondergebracht, die daarvoor een vergoeding kregen.

In de nacht van 30 juni op 1 juli brandde het weeshuis gedeeltelijk af. Het werk van de SWZ kon daarna slechts voor een deel daar worden voortgezet, de overige werkzaamheden vonden op andere locaties plaats. Deze dislocatie leidde er toe dat er versneld behoefte ontstond aan nieuwe huisvesting. Nieuwbouw vond plaats aan de Ceintuurbaan, waar de SWZ in haar poorten opende. Tegenwoordig is het een bedrijf voor sociale werkgelegenheid en is het gevestigd op industrieterrein De Hessenpoort.

Dit suikerzakje is dus circa vijftig jaar oud. In dit nummer komt het verleden van Zwolle weer in een grote verscheidenheid aan bod. Pater Kees Brakkee gaat in op de veelbewogen geschiedenis van de dominicanen in Zwolle. In werd de orde uit de stad verdreven.

Rond keerden de dominicanen terug in de stad en betrokken zij het nieuwe klooster met de majestueuze kerk aan de Assendorperstraat. Er was in de jaren zestig van de twintigste eeuw een groeiende behoefte aan goed geschoolde inrichtingsopvoeders.

De eerste oplei­ding daarvoor ging in Zwolle van start, destijds een unicum in Nederland. Beide steenhuysen groei­den later uit tot buitenplaatsen. De auteur kwam veel bij schippers aan de Die­zerkade en kende hun leefwereld van zeer nabij. Annèt Bootsma-van Hulten herdenkt de e sterfdag van Jan ter Pelkwijk aan de hand van een niet eerder gepubliceerde brief uit van Willem Kloeke over deze pedagoog en voorvech­ter van onderwijs en armenzorg.

Het Dominicusraam in de Dominicanen-kerk, Dominicus predikend voor een groepje men­sen. Met het oog op de ramen van de Domini­canenkerk te Zwolle. Predikbroeder, afge­beeld op de tweede koorbank aan de zuid-wand van het koor van de Dominicanenkerk aan de Assendor­perstraat.

Wat was die orde van de predi­kers waar Thomas op doelde? Dat is niet vreemd. Dominicanen zijn in strikte zin geen vol­gelingen van de grondlegger Dominicus, die nooit de bedoeling heeft gehad om van zijn medewer­kers navolgers te maken. Kort en krachtig gezegd: Dominicus had een groep mannen om zich heen verzameld in een soort vereniging, een orde, met het doel om verantwoord te preken.

In Leeuwarden vindt men zo nog een Jacobijnerkerkhof. Dominicus werd priester en belandde als regulier kanunnik bij Diego, toentertijd bisschop van Osma. Hij werd de supprior van diens kathedraal-kapittel. Diego nam zijn supprior mee en op de tocht naar het noorden stuitte het gezelschap in Zuid-Frankrijk op twee ketterse bewegingen: Jorda­nus van Saksen, de eerste opvolger van Dominicus als hoofd van de orde, beschreef in fraai Latijn het volgende voorval.

Diego, Dominicus en hun gevolg overnachtten eens in een herberg te Tou­louse. De waard was een Kathaar. Dominicus ging in gesprek met de man; zij discussieerden de hele nacht met elkaar en tenslotte kon de ketter geen weerstand meer bieden aan de wijsheid en de geestkracht van Dominicus. Een andere biograaf schreef over die gebeurtenis: Deze ervaring heeft wellicht bij Dominicus de idee wakker gemaakt om door verantwoorde prediking het zielenheil van zijn medemensen veilig te stellen.

Hij verzamelde een groep man­nen en vrouwen om zich heen die dit ideaal deel­den. Paus Honorius III vaardigde in een bul uit waarbij de nieuwe orde werd goedgekeurd. Het eerste klooster voor zestien medebroeders, ondergebracht in een woonhuis, stond in Tou­louse. De orde breidde zich zeer snel uit. In gaf Humbertus van Romans, de magister-generaal van de orde, koning Lodewijk IX van Frankrijk de verzekering dat deze kon rekenen op Hetgeen er op neer kwam dat de orde toen al 5.

Men schat het totaal aantal ordeleden op In verschenen de eerste predikbroeders in Utrecht. Kaart van Zwolle door Jacob van Deventer, ca. Duidelijk valt hierop het klooster van de dominicanen of predikheren te zien. De Broerenkerk te Zwolle Eind zeventiende-eeuwse impressie van het dominicanenkloos­tercomplex, zoals dat er rond uitgezien moet hebben. Waar­schijnlijk gebaseerd op oude stadsplattegron­den. Toegeschreven aan Jacobus Stellingwerf.

De meeste kloosters binnen het huidige Nederlandse grondgebied behoorden aanvanke­lijk tot de provincie Teutonia. Vanaf hoor­den zij bij een nieuwe provincie, die van Saksen Saxonia. Die hoorde toch in die kro­niek niet thuis? De oplossing ligt in twee woorden die Thomas heeft toegevoegd: Deze doorgewinterde Moderne Devoot was waarschijnlijk bijzonder geïnteresseerd in de komst van observanten, aan­hangers van het herstel van de oorspronkelijke kloostertucht, en was daar ook zeer blij mee.

Binnen de orde van de predikers was namelijk een beweging op gang gekomen om tot een stren­gere levenswijze te geraken. Men had de ascetische gestrengheid terecht verzacht, maar men beging tevens de fout om veel te jonge kandidaten op te nemen om zo de kloosters weer te kunnen bevolken. Het gees­telijk peil daalde dientengevolge aanzienlijk.

Die kloosters werden daardoor ont­trokken aan het gezag van de provincie waartoe zij behoorden. De naam duidt er al op dat de meeste van die kloosters in de Nederlanden lagen, maar zij telde conventen van Finland tot in Bretagne. In werd de Congregatie opgeheven en keerden de kloosters terug in de schoot van de eigen pro­vincie.

De stichting van het Broerenklooster in Zwolle De predikbroeders kwamen dus nog geen jaar na de oprichting van die Hollandse Congregatie naar Zwolle. Het verzoekschrift werd op 8 juni ingewilligd, maar Zwolle werd er niet met name in genoemd. Hier doemt de vraag op, waarom de predik-broeders nu juist naar Zwolle kwamen. Afgezien van het feit dat de toenmalige Zwolse stadsbe­stuurders zeer gesteld waren op de komst van de broeders, speelt hier vermoedelijk nog iets anders mee.

De bekende Franse historicus Jacques le Goff heeft via een uitgekiende rekenmethode kunnen aantonen dat de dominicanen in zijn land destijds vooral de grotere steden, met name de haven- en handelssteden, opzochten voor hun vestigingen. Aldus konden zij met hun preken een groter en meer ontwikkeld publiek bereiken. Onder de vijftien middeleeuwse vesti­gingen die mijn medebroeder Pierre Wolfs in zijn boek over de middeleeuwse dominicanenkloos­ters in Nederland vermeldt, tel ik slechts twee klei­ne: In die reeks hoorde ook de Hanzestad Zwolle.

Daarmee werd de Zutphense dominicaan Engelbertus Messemaker belast. Hij werd de grondlegger en de eerste prior. De predikbroeders kochten grond aan buiten de toenmalige noordelijke stadsmuur. Eerst bij de voltooiing van de derde stadsuitleg omstreeks kwam het complex binnen de omwalling te liggen. Men schijnt niet eerder dan in de tweede helft van met de eigenlijke bouwactiviteiten te zijn begonnen.

Er is enige gelijkenis met het Zutphense klooster, maar de kerken verschillen. Die van Zutphen heeft een basilicale vorm; dat wil dus zeggen langgerekt met een hoog middenschip, terwijl de Zwolse kloosterkerk een bakstenen hal­lenbouw is.

Zij heeft een lange noordbeuk met koor en een kortere, smallere zijbeuk. Men begon met de bouw van het koor, maar pas in of daaromtrent was het werk aan de kerk voltooid. Zij bezat oorspronkelijk een dakruiter met één of meer klokken. Het gewelf werd omstreeks beschilderd, maar door de protestanten later wit overgekalkt.

In leverden de Zwolse orgel­bouwer Jorgen Slegel en zijn twee zonen Kornelis en Michiel op bestelling een orgel af voor de kerk. Tegelijk met het koor werd ook begonnen met de kloostergebouwen, op klassieke wijze gesitu­eerd rond een rechthoekig pandhof. Zij omvat­ten een librije bibliotheek , een kapittelhuis, een slaapzaal dormter , een keuken, een refter eetzaal , een gastenkamer, een huisje apart voor zieken, een proveniershuis en een bij het klooster gelegen brouwerij.

Voor zover men heeft kun­nen nagaan, hadden de gebouwen een kelder, een begane grond, een verdieping en een zolder.

Ik voer hier opnieuw Le Goff ten tonele, omdat hij heeft opgemerkt dat stadsgrond in de Middeleeuwen duur was; dat de bedelorden zoals de dominicanen wegens hun grote aantal veel grond nodig hadden; dat zij daarom aan hoog­bouw moesten doen en in stenen huizen moesten wonen wegens het brandgevaar, maar, dat zij daarmee ook, ondanks hun armoedestreven, als vanzelf terechtkwamen aan de kant van de gegoe­de burgers, de enigen die zich de zeer dure stenen huizen konden veroorloven.

Dat moet eind of begin zijn geweest. Over het aantal bewoners van het klooster tussen en zijn wij slecht ingelicht. Ingrid Wormgoor schat in haar dissertatie over de kerkelijke instel­lingen in Zwolle het aantal paters tussen en op ongeveer dertig. Daar moet men dan een onbekend aantal lekenbroeders en proveniers bij­tellen. In waren er nog slechts elf bewoners.

Een belangrijke taak van de kloosterlingen vormde uiteraard het bedienen van hun kerk. Naast het dagelijks koorgebed werden er missen gelezen, vaak voor overledenen. Er werden biech­ten afgenomen en vooral gepreekt: Bovendien was het klooster een huis waar werd gestudeerd en les werd gegeven.

Niet voor niets waren klooster en kerk gesteld onder het patronage van Thomas van Aquino ong. Thomas heeft het devies van de orde geijkt: De vraag is alleen of een dergelijke beslissing ook steeds werd verwezen­lijkt. Vermeld worden een studium in de filosofie en de logica.

Ook horen we van een meester in de H. Het klooster lag oorspronkelijk bui­ten de noordelijke stads­muur, op het Eiland. Collectie HCO Thomas van Aquino, de patroonheilige van de kloostergemeenschap van de dominicanen of predikheren te Zwolle. Gewelfschildering in de Broerenkerk. De Broerenkerk te Zwolle.

Hij kwam waarschijnlijk in naar Zwolle, waar hij op 8 september over­leed en in het koor van de kerk werd begraven. Zijn gebeente is overigens nooit teruggevonden. Hij verwierf internationale faam, doordat hij de uitvinder van de rozenkrans mag heten en haar grote promotor. De inbreng van de stad Zwolle Het heeft er veel van weg, dat de Zwolse stads­bestuurders zeer gesteld waren op de komst van de observanten.

Dat blijkt zonneklaar uit een overeenkomst die op 3 december tussen klooster en stedelijke overheid werd gesloten. Dat was zowat drie jaar na het begin van de bouw. Het schijnt, dat de observantie tot twee maal toe van buiten af bedreigd is geweest. In die overeenkomst verplichtten de predikbroeders zich de observan­tie te blijven aanhangen, terwijl de stad het recht kreeg die te beschermen en desnoods te herstellen door ondermeer het klooster te doen bevolken met aanhangers van de observantie.

Een soort­gelijke overeenkomst werd nog eens elf jaar later met het stadsbestuur gesloten. Zulke overeenkomsten tussen stadsbestuur en klooster zijn heden ten dage ondenkbaar.

De Franse Revolutie bracht ons gelukkigerwijze de scheiding van kerk en staat. Maar deze voorvallen verschaffen ons wél duidelijk inzicht in de men­taliteit, met name in de godsdienstige gevoelens van de laatmiddeleeuwse mensen. Het toont bovendien dat Zwolle het goed voorhad met de dominicanen. Waarschijnlijk betekende dat niet meer dan dat de stad verlof voor de vestiging heeft gegeven en moet niet worden gedacht aan schenking van de grond.

De dominicanen hebben de grond gewoon gekocht. De stad werkte wel mee toen ten behoeve van het klooster een weg werd aangelegd in en in een poort werd gebouwd: Het schonk nog vóór de voltooiing van de kerk omstreeks In had de stad al een raam geschonken voor het toen voltooide koor.

Later bezat de stedelijke regering in de kerk een eigen gestoelte. In droeg zij bij in de her­stelkosten van het torentje. Ook later liet het stadsbestuur zich bij herhaling niet onbetuigd door het geven van geschenken en subsidies bij grote samenkomsten van dominica­nen in het klooster, zoals bij zogenoemde provin­ciale kapittels.

Dat kapittel toonde dan weer zijn dankbaarheid door iedere priester in de provincie de mis te laten opdragen voor de leden van het stadsbestuur en hun de confraterniteit met de provincie te verlenen. Op feestdagen als die van Dominicus en Thomas van Aquino onthaalde het stadsbestuur de broeders vaak op een traktatie.

Leonardus van Daelen, voordien prior van het Zwolse klooster, ontving bij zijn gouden professiefeest in van stadswege een som gelds en werd op stadskosten verpleegd toen hij het jaar daarop ziek werd. Wormgoor zijn er verschillende redenen te bedenken, waarom het stadsbestuur zo graag een bedelordeklooster in zijn stad wilde. Bedelorden vielen niet onder de bisschoppelijke jurisdictie en hoefden zich niet aan de gevolgen van excommunicatie en interdict te houden.

De bedelorden gaven de stad zo als het ware wat meer speelruimte tegenover de bisschop. Bovendien stelde men het op prijs dat een aantal kloosterlin­gen relatief hoog was opgeleid en de stichting van een klooster kwam tevens kennelijk tegemoet aan de wens van de bevolking.

Ofschoon conflicten tussen rivaliserende kloosterge­meenschappen in de Middeleeuwen niet ongewoon waren, is mij wat Zwolle aangaat daaromtrent niets bekend. Wel worden geschillen gemeld tussen de predikbroeders en de wereldheren. Dat lag meer voor de hand, want zij visten in dezelfde vijver. Zo ontstond al kort na de stichting van het klooster een geschil met de vice-cureit onderpas­toor van de St. Michaëlkerk, Henrick Remondis, over de tijd van het celebreren van de missen in de kloosterkerk, het biechthoren, het preken door de kloosterlingen en het begraven van leken.

Men besloot een regeling in handen te leggen van de bisschop van Utrecht, die op 16 juni uitspraak deed. De partijen legden zich bij die uit­spraak neer. Het klooster werd tijdens hun afwezigheid zwaar geplunderd.

De broeders keerden in december van dat jaar terug, toen bin­nen de stad ernstig rekening werd gehouden met de komst van Alva. Het stadsbestuur beval op 7 december alle goederen die ontvreemd waren bij de eigenaars terug te brengen. Tegen de zin van de bewoners liet het stadsbe­stuur in een gedeelte van het klooster tijde­lijk door soldaten bezetten, zodat de eersten in het Buschklooster moesten worden ondergebracht.

Er was in de jaren daarna geen sterke stadsrege­ring en de protestanten kregen steeds meer macht. Het schepencollege, op 25 januari aangetre­den, wilde geen strijd tussen de beide religies, maar een gewapend conflict dat medio tussen deze twee ontstond, eindigde met een overwinning voor de protestanten.

Een resolutie van schepenen en raden, dd. Hun goederen moesten in de stad blijven. Het stadsbestuur gaf de broeders vijftig goudgulden mee om in hun eerste onderhoud te voorzien.

Alleen de dominicanen werden door een dergelijke, harde maatregel getroffen. De reden voor deze hardheid moet men waarschijnlijk zoeken in de houding van de Zwolse predikbroeders tegenover de opkomende Reformatie. Verschillende leden van het convent bestreden de nieuwe tendensen en haar voorvech­ters met kracht, zo niet met felheid. Met name het heftige conflict tussen de rector van de stads­school, de humanist Gerhardus Listrius, en de prior van het klooster, Theodericus van Woudri­chem, in de jaren tot zal blijvend kwaad bloed hebben gezet.

De Broerenkerk, het Conservatorium en het Oversticht; het Broeren­kloostercomplex na de restauratie in de jaren zeventig, gezien vanaf de Thorbeckegracht naar het Pelserbrugje, Na het vertrek van de dominicanen werd het klooster ten dele verwoest. De zusters van het Maatklooster kregen huisvesting in een deel van het gebouw en het overige deel werd door de stad verhuurd. Het stond ten dienste van komedianten, koorddansers en andere spelers.

In namen de protestanten de kerk in gebruik voor hun diensten. Op 29 januari besloten schepenen en raden tot restauratie. Tijdens de bezetting van de stad door de Munsterse troepen was het koor sedert 4 augustus enkele maanden bij de tijdelijk teruggekeerde dominicanen in gebruik voor de eredienst.

Sedert diende de kerk als paardenstal en voor mili­taire oefeningen. In ging zij weer als kerk dienen. In was het klooster onderdeel van de kazerne en in kwam de kerk na belangrijke herstelwerkzaamheden opnieuw ten dienste van de protestanten. De Librije deed van tot dienst als synagoge. In het laatste kwart van de twintigste eeuw, in , startte men met de restauratie en de nieuw- De gloednieuwe Domi­nicanenkerk en het klooster aan de Assen­dorperstraat.

Omstreeks gefotografeerd vanaf het nog onvol­tooide Assendorper­plein. Die bouwwerkzaamheden werden in met succes afgerond. Terugkeer Het lijdt geen twijfel, dat de predikbroeders begin hun komst naar Zwolle hebben beleefd als een terugkeer, als een herleving. In publicaties toen en later, zoals nog bij de viering van het jarig bestaan, werd het thema van de terugkeer bij herhaling en met enige emotie aan­gesneden.

Bij deze tweede komst van de predikbroeders had de stad Zwolle geen inbreng. Die komst was een gevolg van niet zo fraai, binnenkerkelijk geharrewar. Om kort te gaan: De predikbroeders kregen tenslotte als com­pensatie voor het verlies van hun statie, zeg maar parochie, in Groningen van de aartsbisschop van Utrecht toestemming tot de stichting van een klooster in Zwolle. Voorwaarde was, dat dit kloos­ter niet vóór juli zou worden bevolkt. Men ging op zoek naar een geschikt terrein en men kwam erachter dat het boerenechtpaar Van de Vegte-Beumer zijn erf aan de dominicanen wilde afstaan.

Er moest wel grond voor goed geld worden bijgekocht. Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt, werd aangetrok­ken. Hij ontwierp, hoe kan het anders in die dagen, een neogotisch gebouw naar de oude trant: Voorts een oprijzende kruiskerk van 21,50 meter hoog met drie beuken en een ruim koorge­deelte. De aanbesteding werd gegund aan de Nij­meegse aannemer W. Op 3 mei legde de toenmalige provinciaal, Ludovicus Theissling, de eerste steen.

Op 12 december trokken de eerste bewoners binnen, maar voordien hadden rooms en niet-rooms op twee achtereenvolgende zondagen, 24 november en 1 december, de heilige hallen mogen betreden van zolder tot kelder. Van die mogelijkheid werd druk gebruik gemaakt. De aanpalende kerk kwam eerst in februari klaar en werd op 19 augustus van dat jaar geconsacreerd. Alles was in die eerste tijd nog woest en ledig, maar dominicanen minnen niet alleen de plastische schoonheid in hun liturgie, maar ook in hun gebouwen.

Zij zorgden in de loop der jaren ervoor de openbare ruimten aan te kleden. Er kwam een Adama-orgel; er kwamen gebrandschilderde ramen, voor een deel ontwor­pen door pater Raymundus van Bergen die tot op hoge ouderdom in het Zwolse klooster woonde en er in zijn atelier op zolder werkte. Er kwam een mozaïekvloer in het koor, een orgelfront en bewerkte koorbanken, beide ont­worpen door de befaamde architect Jan Stuyt.

De Zwolse timmerman Anton Bolmers vervaardigde de koorbanken. Daar bleef het niet bij, want er kwamen ver­bouwingen. Op 3 januari brak een felle brand uit die de hele bovenverdieping van het klooster met zolder en dak verwoestte. Het is nooit opgeklaard, hoe het vuur kon ontstaan. De felheid van de brand had alle sporen uitgewist.

In Nijmegen was intussen een nieuw klooster gebouwd. De architecten en de aannemer van dat gebouw klaarden de Zwolse reparatieklus in zeven maanden.

Er kwam een verdieping bij. Het leien dak, zoals dat nu nog op de kerk ligt, werd vervangen door dakpannen en de zolder werd een kopie van de Nijmeegse nieuwbouw. Zo konden de communiteitsleden op 8 september hun klooster weer betrekken. De brand en de terug­keer werden in een kerkraam en in een raam van het claustrum vereeuwigd, maar wellicht wegens de symmetrie werd 8 september vervroegd naar 3 september en door deze geschiedvervalsing rijmde 3 januari op 3 september.

De grote aanwas van kandidaten na de Tweede Wereldoorlog maakte opnieuw een verbouwing noodzakelijk. In het najaar van werden op de zolder zeventien cellen voor de fraters gebouwd.

In de volgende jaren steeg dat aantal nog iets, om daarna fors te dalen. In vertrokken de filosofiestu­denten en een aantal docenten naar Nijmegen. Om het klooster in stand te kunnen houden, werden de nieuw gebouwde cellen verhuurd aan Een stukje van het claus­trum of de kloostergang, omstreeks Archi­tect van het neogotische gebouw was Johannes Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt. Pater Raymundus van Bergen , begaafd glazenier, woonde en werkte tot op hoge leeftijd in het klooster.

Hij ontwierp een deel van de gebrand­schilderde ramen. Oud Zwolle uit de lucht. Kort daarop gebeurde dat met de hele tweede verdieping en wel aan Staatsbos­beheer, later aan de Algemene Inspectie Dienst en op het ogenblik huist er de Rechtbank Zwolle-Lelystad, Sector Civiel Recht. Sinds is het onderhoud van de gebouwen in handen gelegd van een stichting. Tussen en had een restauratie plaats van de kerk, mede mogelijk gemaakt door subsidie van de stad en het rijk.

Margriet Mein­dertsma, de wethouder voor bouwzaken, was de predikbroeders gunstig gezind. Bij haar afscheid schonk het klooster haar een ouderwetse juskom met het wapen van de orde en fraai met bloemen opgemaakt. De torenspits kreeg van de stad een blijvend spotlight, zodat het gebouw ook in de avondlijke en nachtelijke uren mede beeldbepalend voor de stad bleef.

Opleidingshuis Vanaf het begin was het Zwolse klooster een opleidingshuis voor jonge dominicanen en wel voor de driejarige studie van de filosofie. Het program omvatte onder andere natuurfilosofie, logica, metafysiek, criteriologie oftewel weten­schapsfilosofie, geschiedenis van de filosofie en apologetiek of christelijke verdedigingsleer.

Maar er waren ook vakken als Bijbelgrieks, Hebreeuws, inleiding in de bijbel, preekles, zangles en stemoe­fening. Daarnaast was er het koorgebed dat voor een groot deel door de fraters werd verzorgd en toch wel een uur of twee per dag in beslag nam.

Het studium had een behoorlijk peil, al ging een deel van de leerstof boven de pet van een aantal studenten. Dan was het verplicht wandelen: Oudere Zwollenaren weten nog hoe die zwart-witte koppels door hun stra­ten liepen. Als ze langs het ziekenhuis kwamen, zwaaiden zij steevast naar de langdurig zieken die daar lagen. Ofschoon de fraters gedurende hun hele opleidingstijd tijdens de vakanties niet naar hun ouderlijk huis mochten terugkeren, hadden zij een paradijselijke vervanging in het buitenhuis Arni­chem bij het Haersterveer.

Zij gingen daar twee maal veertien dagen naar toe. Er viel te zwemmen, te roeien, te zeilen, te wandelen en veel te lezen. De bijdrage van de predikbroeders aan het stedelijk welzijn in de afgelopen honderd jaar lag voornamelijk op godsdienstig gebied en dan nog beperkt tot het rooms-katholieke deel van de bevolking.

De rijke liturgie met verzorgde zang trok mensen van veel kanten. Toch was dit niet het enige. Het klooster lag in de druk bevolkte wijk Assendorp waar sinds met de komst van de spoorwegen naar Zwolle in snel tempo huisjes voor arbeiders werden gebouwd. In dat klimaat waren de conferenties over sociale recht­vaardigheid die de paters op zondagen in hun kerk verzorgden, niet zonder gevolg, al viel en valt dat niet te meten.

De zielzorgers stonden in ieder geval niet met hun rug naar de samenleving. Dat bleek ook uit de conferenties voor niet-katholieken. Die begonnen in november in een van de zalen van het klooster voor een uiterst select gezelschap: De bedoeling was een objectieve uit­eenzetting te geven van de rooms-katholieke leer.

De conferen­ties waren bedoeld voor niet-katholieken. Het eigen kerkvolk werd daarom nadrukkelijk ver­zocht weg te blijven. Het idee kreeg zeer spoedig navolging in veel andere plaatsen. Dat dergelijke activiteiten vanuit het klooster mogelijk waren, was te danken aan het feit dat er in het klooster werd gestudeerd en dat men voor predikanten en mensen die lezingen konden ver­zorgen uit zeker arsenaal kon putten.

Oecumenische gesprekken Ofschoon de conferenties het hele land bestre­ken en duizenden toehoorders trokken, hebben ze slechts enkele jaren stand gehouden. Wat wél doorging, was een geleidelijke toenadering tussen protestanten en katholieken. De Tweede Wereld­oorlog bevorderde die toenadering, doordat men­sen van allerlei geestelijke pluimage in die jaren leerden met elkaar samen te werken.

Vanaf tot zeker vonden er oecume­nische gesprekken plaats tussen de professoren van de Gereformeerde Theologische Hogeschool van Kampen en de patersdocenten van het Zwolse klooster: Het klooster heeft in combinatie met het nabijgelegen katholieke ziekenhuis een niet geheel onbelangrijke rol gespeeld bij de opvang van vluchtelingen, onderduikers en mensen uit de ille­galiteit.

Veel daarover is, ook in eigen kring, niet bekend. Degenen die in zulk werk actief waren zwegen als het graf, ook tegenover hun medebroe­ders en zelfs na de oorlog bleven zij uiterst karig met mededelingen over de rol die zij toen hadden gespeeld. Evenals in de Middeleeuwen was de kerk een openbare kerk. Ze was niet ingevoegd in het stede­lijk patroon van parochies. En evenals in de Mid­deleeuwen leverde dat irritaties op tussen paters en wereldheren.

Zelfs onder het roomse kerkvolk waren er vurige patersklanten en lieden die van de paterskerk niet wilden weten. Daar werd het volgende op gevonden: Dat gebeurde op 22 september Pater Alfons Voss werd de eerste rector. Hij werd een bekend gezicht in katholiek Zwolle, doordat hij gedurende lange jaren ook buiten het eigen rectoraat werkzaam Huize Arnichem aan de Vecht, gelegen aan de Doornweg, Haerst, begin jaren zeventig.

Tussen en was dit het buitenver­blijf van de dominica­nen. De jonge fraters konden zich hier verpo­zen. Voss was jarenlang de eerste rector van het rectoraat Thomas van Aquino. Collectie auteur Het Dominicusraam in de kerk, Dominicus pre­dikend voor een groepje mensen. Dit venster is ontworpen door pater Raymundus van Ber­gen. De grondgedachte erachter is tevens het ordedevies: Zo deden overigens ook andere paters. Het zogenoemde Thomas-huis nam in deze fakkel over tot op de dag van vandaag.

Zusters dominicanessen verhuisden van het A-plein naar het klooster. Dat gebeurde op don­derdag 2 januari in ijzige kou: De zusters brachten het jongerenwerk mee. Dat werd gehuisvest in de oude wasserij die vanaf ongeveer september van datzelfde jaar een gron­dige verbouwing onderging.

De ruimte op de begane grond werd bestemd voor de nachtopvang van daklozen, het Nel Banninkhuis. Op dit ogenblik is het grote kloostergebouw nog steeds bewoond door acht broeders. Twee vrouwen die geen kloosterling zijn maar zich sterk met de orde ver­bonden voelen, hebben zich metterwoon in het huis gevestigd. Hoe het met ons allen verder zal gaan, nu de aan­was al jaren stil ligt, weet niemand. Het klassieke kloosterleven heeft, lijkt het, zijn aantrekkings­kracht althans in onze West-Europese landen ver­loren.

Het vinden van nieuwe wegen in deze spiri­tuele sector behoort, om met Fernand Braudel te spreken, tot de geschiedenis van de middellange duur. Schrijver dezes echter denkt maar zo: Zwolle en de dominicanen mogen overigens met enige trots terugzien op een samengaan waarvoor geen van beiden zich behoeft te schamen, integendeel.

Zie voor een zeer korte beschrijving: Dominicanen in Nederland, Amstelveen, ; Monumenta Historica sancti pa­tris nostri Dominici, fasc.

Praedicatorum, Petitot en Vicaire geven de zin over het morgenlicht zonder te vermelden wie de auteur van deze vondst is. Het is net alsof Jordanus dat heeft neergeschre­ven. Wat niet zo is. Lambermond Sint Dominicus, vermeldt met citaat p. Wolfs, , sub III; G. Wolfs, 2, sub III. Mensema, Zwolle, ; 12 v. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil. Kerkelijke instellingen in Zwolle en hun functioneren binnen de stedelijke samenleving tot , Zwolle, ; en De Dominikanen te Zwolle, Zwolle, ; Zie voor de tijd na de Reformatie: De Broerenkerk te Zwolle Zie noot 13 , blz.

Wolfs, , sub V. Voor het hele verdere vervolg putte ik uit: Thuijs, Beschrijving van de Domi­nicanen-kerk en klooster van de H. Thomas van Aquino te Zwolle, Zwolle, pro manuscripto en uit eigen herinnering. Marten Sikkema Op deze pagina van de eerste folder van de opleiding, eind jaren zestig, werd ondermeer gewezen op de goede en bovendien goedbetaalde carrièreperspectieven die de opleiding bood.

H et onderstaande is een historische schets van een instelling die in in Zwolle startte met een unieke middelbare dag­opleiding voor inrichtingsopvoeders. Deze oplei­ding groeide uit tot een school voor middelbaar sociaal en pedagogisch onderwijs en werd tenslot­te een belangrijke bouwsteen voor de Landstede Beroepsopleidingen. Dit in nauwe samenwerking met het Historisch Centrum Overijs­sel. Heel wat van de bewoners van het eerste uur van deze wijk zijn reeds op leeftijd.

Deze groep bewoners kan nu nog worden benaderd om het een en ander te vertellen over hun vroegere ervaringen in de wijk. Het blijkt dat ze daartoe veelal graag bereid zijn. In het kader van dit jubileum werd een reünie met oud-medewerkers georganiseerd.

Door de bovengenoemde Werkgroep Geschiede­nis is toen aan de oud-directeur van de Sprankel, de heer J. Dit gesprek vond plaats op 23 januari Behalve de heer Elbrecht waren ook aanwezig de heren Ten Cate en Sikkema van de Werkgroep Geschie­denis en de vroegere conciërge van de Sprankel, de heer Groothuis. Het onderstaande artikel is op dit gesprek gebaseerd. Deze voogdijvereniging ging uit van de diaconieën van de hervormde kerk. De toenmalige directeur, de heer G.

In kindertehuizen en justitiële inrichtingen was er dringend behoefte aan goed geschoolde medewerkers van middelbaar niveau. In die tijd werden er medewerkers aangenomen zonder een specifieke scholing. Wel moest in diensttijd een opleiding kinderbescherming gevolgd worden. In september werd hiermee gestart. Subsidie van rijkswege was er niet. Men was aangewezen op giften. De heer Elbrecht werd met ingang van 1 oktober aangesteld als directeur van de nieuwe instelling.

Alles moest van de grond af worden opgebouwd. Waarschijnlijk is gekozen voor deze naam omdat het woord sprankel of sprank associaties heeft met woorden zoals hoop en licht. En daar­aan is in kindertehuizen wel behoefte. De heer Van Mourik werd de eerste secretaris van het bestuur van de Stichting de Sprankel. Op 5 september was de officiële oprichtings­datum van de school met als naam: Stichting de Sprankel, instituut voor vorming en opleiding van inrichtingsopvoeders.

De opleiding was in eerste instantie gericht op medewerkers van kindertehuizen en justitiële inrichtingen. Later kwamen daar ook schippersinternaten en gezins­vervangende tehuizen bij. Het was destijds de enige school in Nederland met deze opleiding. Er was geen geld voor een nieuw schoolgebouw, dus moest er gebruik worden gemaakt van bestaande locaties.

Men begon in het wijkcentrum van de Jeruzalemkerk. De docenten werkten op uurbasis voor de school. Ze deden dit naast hun baan elders. De heer Elbrecht weet zich nog te herinneren dat de gymnastiekleraar destijds twintig gulden per uur verdiende. Alleen de directeur had een volledig betaalde aanstelling. Er was landelijk buitenge- In het voorjaar van werd de eerste paal voor het nieuwe schoolgebouw gesla­gen door de heer Van Mourik met helm , de initiatiefnemer tot het oprichten van de school.

Naast de heer Elbrecht met baard de inspec­teur van het onderwijs. Foto Henneke, parti­culiere collectie. Niet alleen de vooropleiding, Mulo-niveau, speel­de een rol bij de toelating.

Veel waarde werd ook gehecht aan de motivatie van de leerlingen. Mid­dels een testgesprek rolden de gelukkigen eruit. Er werd gestart met in totaal achttien leerlin­gen. De volgende jaren was dit aantal niet veel hoger. Er werd onder meer les gegeven in: Omdat de school een landelijke functie had en de leerlingen daarom ook uit het hele land afkom­stig waren, moesten ze in Zwolle worden gehuis­vest. De school heeft nooit als internaat gefunctio­neerd.

Wel werden de leerlingen geholpen om een kamer te vinden. De activiteiten in dit verband Directeur Jan Elbrecht in zijn werkkamer, Foto Prijt, particuliere collectie hebben na verloop van tijd geleid tot de start van de Stichting Studentenhuisvesting in Zwolle. Deze Stichting bestaat nog steeds. Alles bij elkaar genomen was de beginperiode met name voor de directeur een slopende tijd.

Er moest veel worden geregeld, terwijl de omstandig­heden niet optimaal waren. Soms hadden de leerlingen ook persoonlijke problemen. Gelukkig was de echtgenote van de. Ze wist er wel raad mee. Alleen in Amsterdam is nog een tweede prijs gevallen, ook weer op een inzending van een Indisch restaurant, nl. Ik vertelde al, dat Tant Truus geen enkel diploma heeft. Maar haar ervaring op kookgebied opge daan dateert al uit de tijd, toen ze nog als Truusje van Amade door het leven ging.

Op mijn veertiende jaar verloor ik ook mijn stiefmoeder. Ik zat op de M. We hadden zo'n gezellig ouderwets Indisch huis met een hele boel huisdieren, waaronder ook koeien, varkens en kippen. In verhuisde de familie van der Capel len naar Kederi, waar ze tot , het jaar waar in Paatje gepensioneerd werd, woonden.

En hier verzorgde Tante Truus de feesten in de Sociëteit, maar pas in Bandoeng zou ze haar grote bekend heid krijgen.

Tot de mobilisatie in toe, toen de C. Centrale Organisatie Vrouwen in Mobilisatie werd opgericht en Tante Truus aan gezocht werd cursussen te geven voor het koken in het groot. En ook deze taak pakte Tante Truus weer op de haar eigen originele manier aan. Ze kreeg de aula van het Lyceum voor haar cursus aangeboden, maar ze vroeg de keuken van de resi dentswoning en richtte daar op het 3 meter lange aanrecht een complete tentoonstelling in van bij de Europeanen vrijwel onbekende of niet geliefde in heemse producten.

Voorts had Tante Truus een maaltijd bereid bestaande uit een voor gerecht, soep, hoofdschotel en toetje. Onder de eer ste groep dames bevond zich ook de echtgenote van Generaal Berenschot. De eerste, die een aanmer king maakte was Mevrouw Berenschot: Dat hoeft U ons echt niet meer te leren! En zo ging het verder: Tante Truus heeft altijd met de producten van het land gewerkt en kon hoofdzakelijk daardoor zo goedkoop een lek ker maal bereiden.

Ze kookte toen voor 85 jongens en mocht per persoon niet meer uitgegeven dan 0,05! Het werd zo'n succes Tante Truus en Paatje in de gaarkeukentijd, toen ze de zorg hadden «. Iedere dag werd een ton groente verwerkt. Links ziet U Tante Truus en Paatje temidden van enkelen vn hun helpsters en helpers, vlak nadat de langganans hun voorraden hadden afgeleverd. Met de bakoel n de hand isLcika Tompcssi.

Deze gaarkeuken bestond eigenlijk uit niet veel meer dan een afdakje tegen een muur aangebouwd heel primitief dus maar. Hechts een kijkje in die ruimte, waar iedere dag weer die enorme hoeveelheden werden verwerkt. Later kreeg Tante Truus een betere outillage, eenspeciaal voor haar in T-vorm gebouwde keuken. In de korte poot van de T bevonden zich de kantoren, waar Paatje zetelde en de voorraadkamers, terwijl Tante Truus de scepter zwaaide over de keukens, die in de lange poot van de T waren aangebracht.

De vorm van de verzen is heel eenvoudig, bijna steeds de strofe van vier regels, met een rijm zo eenvoudig als het maar kan. De woordkeuze is bijna eentonig, zo nu en dan is de realistische tekening niet zonder symboliek en steeds zit er het persoonlijke heimwee achter, ook het eigen hart vindt aan het hart van Friesland geen durende rust.

Benauwde nachten ver van 't vaderland, van moeders kluis, Ontsteken in 't Friese hart een felle brand, Heimwee naar huis. Bij dag slaat- hem de onrust in het bloed De vreemde verten lokken: Ook als hij aan de vrachtrijder denkt Yüe't '35 voelt hij zich zelf buitenstaander. De retorische uiting kan de pijnlijke dis tantie niet bemantelen, als hij eindigt: Rijd rustig door bij 't ruischen van de tuinden, Waar eenzaam in de nacht de boereplaatsen staan: Want 's levens zuivere geluk te vinden In 's levens simpel pad te gaan.

En mogen als bewijs ten overvloede de eerste en laatste strofe van het eerlijk zelf portret "Balling" Y. Wij vonden wilde ruiters op de kust In Vaders huis noch Frieslands velden rust: En roekeloos met eigen lot en dagen namen de vlucht als keus en luien land en magen. Dit is allemaal geen zuivere dichtkunst en toch zal niemand zeggen pose, aanstellerij. Het werk overtuigt, het bloed slaat wild door de gebrekkige vormgeving heen. Haitsma wist van gespletenheid, verscheurd heid.

Ook zijn geloof liet hem geen rust, maar daagde hem uit. Alle kontakt van de kant der mensen was verspeeld. De vloek, de bede, de kreet van het moderne hart Haitsma wist er van. Wanneer hij zijn jeugd vaarwel toeroept in "Tritich" in in "In us eigen tael" zegt hij daarover: Wij leven op het keerpunt van de tijden: De onrust van de wereld doet ons lijden, waarin de duivel zelf het leven drijft.

De dynamiek van het demonische houdt natuur en de mens in zijn macht. Haitsma schildert een onweersbui op een broeierige middag, maar geen lieflijk voorjaarsbeeld. De herfst vol heimwee, bij tijden regent het fel, maar de stekende zon blijft weg. Het "Oude jaar" inspireert hem, als "de ver scheurde wolken door de lucht jagen en met sneeuw en water smijten zonder end.

De "Kerk" is niet een plek van vrede en blijdschap: En "de onderwijzer" Yüet '39 43 is niet de levensblije pedagoog, maar de onbegrepene in de dorpsidylle, die door duivelse visioenen gekweld wordt en ten slotte in het gesticht in Franeker terecht komt. Nog aan het begin van de oorlog stierf als "tawanan" in Tjilatjap de Fries Nyckle Haisma.

In dit artikel tekent J. Piebenga inmiddels overle den op een wijze, die alleen wij, Indischgasten, volmaakt begrijpen kunnen, hoe Heimwee een mens kan bouwen tot een nieuwe grootte. Al was Haisma's heimwee "in omge keerde richting", hij denkt, voelt en leeft precies als wij. Het artikel was oorspronkelijk ge schreven in het Fries we kregen het toegestuurd van de immer waakzame Mevr. Assendelft-Teunissen en op eerste oproep reageerde we derom een vrouw: O Heuvel- Swierstra bij Tong Tong blijven de meisjes nummer één!

Heuvel is van s. Djèwèng bij Djombang, een nog steeds actieve, studerende vrouw, houdt van dieren hondje: Brandall , was lite- ratuur-resencente van het A. Toen we haar vroegen wat met "de vrachtrijder" bedoeld werd zie het eerste gedicht , verklaarde ze heel gewoontjes: Dat is onze Pesuratan!

Eens, telefo nerend met een professor in de taal wetenschappen, onderbrak deze het gesprek en vroeg: Ik merk het aan Uw uitspraak! Ook dat hoor ik aan Uw uitspraak! Ach, wat een charmante "spekkoek" is mevrouw Heuvel: En wat óns betreft: In kwam Haisma met studieverlof in Nederland en ging in Leeuwarden wonen, met het doel om hier te blijven, zo dit lukken wilde. Maar hoe langer hij hier ver blijft, hoe meer hij naar het tropische land verlangt.

Hij haalt de akte Engels M. ULO school en in verhuist hij naar Bandoeng voor de gezondheid van beide kinderen. Hier maken ze de oorlog met Japan mee en al spoedig komt Haisma in een krijgs gevangen kamp terecht, eerst in Bandoeng dan in Tjilatjap, hij sluit zich aan bij een kleine groep Friezen en zet zich weer aan het schrijven.

Bloembergen die met hem in dit kamp verbleef, heeft ervan ver teld in "Frysk en Fry" van 20 december hij schrijft: Een typerend beeld dat ik nooit vergeten zal wil ik daarvan weergeven. Haisma lag met veel van zijn dienstkame- raden in een lokaal, al hun slaapzakken lagen op de grond dicht tegen elkaar aan. Zijn slaapplaats was wel de meest nette van allemaal en te midden van het grootste lawaai kon men dan onze dichter en schrij ver plat op de grond vol overgave en ge- noegelijk bezig zien.

Met een stukje potlood in de hand en een schrift voor zich, werkte hij aan zijn novellen en gedichten waar hij toen aan bezig was. Een stukje rust, ernst en aandacht in de triviale sfeer van het kamp dat hem wel leek te inspireren. Hais ma is heel gelukkig geweest met deze gave.

In vier dagen gezond en weg. Op 22 februari is hij ter ruste gegaan, vijfendertig jaar oud en door zijn kamp- vrienden is hij begraven in den vreemde, maar tegelijk zijn tweede vaderland. De novelle Zomer die hij in in het kamp geschreven had, met wat gedichten kwam nog als nalatenschap het is allemaal op genomen in de "Tsjerne" jaargang , maar de beide handschriften van een Friese roman, waar hij al lang mee bezig was ge weest en die hij uit het kamp naar zijn vrouw wist te krijgen, zijn verloren geraakt.

Wij die met alles al blij zijn, die nooit van rijkdom van Friese kunst-schepping hebben kunnen spreken, moesten ook deze bewij zen van Haisma's geest missen, wie weet of het niet zijn beste werk was.

Haisma was geen dichter, maar een proza schrijver, zijn beide jongensboeken, "Zo merdagen" en "De Kar" verschenen in en , maar al voor zijn Indische tijd geschreven bewijzen dit duidelijk, kin derboeken zijn het feitelijk niet eens, mo gelijk dat de ouderen ze nog liever lezen dan de jongeren, die de fijne sfeer teke ning, de stille humor en de bijna weemoedi ge gedachten die uit de woorden spreekt, maar al te vaak ontgaan.

Friesland van zich af schrijven en tegelijk naar zich toehalen, dat deed hij ook al in deze boeken. Hij heeft niet veel snaren op zijn viool, maar hij weet er een diepe toon uit te halen, die niet mis te verstaan is en die men uit honderd andere herkent. In kostelijke staaltjes van vertel- en beschrij vingskunst is "De reis naar Beppe" in "For I I I 1 9 3 6 e e n s e r i e b u n d e l t j e sit Frijske Folk" III een serie bundeltjes volkslectuur van het Christelijk Fries Ge zelschap, waar hij trouw aan meewerkte.

Als Fries schrijver is Haisma onder het volk het bekendst geworden door zijn romans "Paed oer 't Hiem", en "Paed nei eigen Hoornleger", en tesamen in een deel onder de titel "Peke Donia de koloniaal", uitgegeven. Eindelijk wat anders, meer nog van stijl en Lees verder volg. Hij is de eerste geweest, die het enor me belang dezer gegevens voor latere generaties in gezien heeft, deze vrijwel zonder hulp of financiële steun heeft bijeengebracht en door de druk voor een ieder toegankelijk gemaakt.

Bij ons onderzoek naar de familie Hamard de la Brethonière misten we de laatste rustplaats van de vrouw van Pierre Junior, die niet op hun fami liekerkhof te Salatiga is bijgezet, doch die we aan troffen op een ander particulier kerkhof, op het vroegere land Peterongang in de kampong Wono- dri Djomblang, tegenover de Passar te Semarang. Dit zijn de nakomelingen van een Hollandse scheepskapitein, uit de Ie helft der 19e eeuw, die bij zijn terugkeer naar Patria, twee dochters en een zoon achterliet.

Mijntje, gehuwd met Henri Theo- bald Nagel, geb. Uit hem sproot een uitgebreid nageslacht, 9 kinderen waarvan wij noemen: Remeeus te Klatèn, zélf weer vader van 16 kinderen, J. Remeeus, stalmeester van den Sultan te Jogja, Carl A. Remeeus, ambtenaar aan de Kra- ton ald. Laurens Nagel, ambtenaar N. Ten tweede hebben we Goenocng Mlaja of de Johanncsheuvcl, ten Z.

Uit de verte gezien lijkt deze op een soort imitatie van de Acropolis, een gewelfd stenen dak rustende op 8 zuilen. Helaas schijnen in het begin der 30er jaren all marmeren grafstenen uit de monumenten gelicht te zijn. Deze Armenier, had een enorm fortuin bijeenge- kregen door het pachten van de transportdienst van Semarang naar Kedoe, niet zozeer door het vervoer van de gouvernementsprodukten als koffie en zout, maar meer door 't clandestien overbrengen van allerlei zaken voor particulieren.

Wegens de af te leggen grote afstanden, konden de paar den slechts licht worden bepakt, weshalve Johan nes een proef ham met kamelen, die hij liet uitkomen met verzorgers. Deze proef mislukte ech ter, daar de kamelen holle hoeven kregen en kreu pel werden. Later werd Johannes pachter van de opiumhan- del, hij woonde in het grote huis, waarin later de Neutrale School aan het Wilhelminaplein te Boe- loe gevestigd is.

Als hij zorgen had, beklom hij de vanuit zijn huis zichtbare heuvel, van welks top hij de zee kon zien. Hij verwierf de eigendomsrechten, en wenste dit plekje als laatste rustplaats voor hem en zijn naaste familie te gebruiken, daar hij niet op de Israëlitische begraafplaats op de Bergotta- heuvel, waar ook een deel voor de Armeniers was afgezonderd, wilde rusten.

D, Johannes gehuwd met C. Manuel, waarover hieronder uitvoeriger, de man zelf of een nakomeling van hem was, en of er onder de lange lijsten Johannes'sen in Kleian's adresboek nog afstammelingen van hem voorkomen, bleek niet uit te maken.

Onder de naamdragers Johannes zijn ongetwijfeld vele Armenen, die zich niet meer met de opium- pacht, maar meer met bioscoop-exploitatie occu peren. In Soerabaja leefde in de 30er jaren een familie van dien naam, die van zuiver Armeense afstamming was, maar niet recht wist of zij nu kleinkinderen of achterneven van de grote Johan nes waren.

Voorzover wij dit konden nagaan, was de afstamming als volgt: Amirgan Johannes te Ispahan, gehuwd met Martha Paulus. Een inspecteur van de S. Ik verlang een kort, zakelijk rapport en geen novelle". Een paar dagen later zefte een [linke bandjir de spoorbaan onder water. Dschulsa is zuiver Ar meens, en telt 10 orthodoxe kerken, een Kathe draal, 2 kloosters en enkele seminaria.

Een zoon van Amirgan, op Java genoemd Johny Jo hannes, geb. Dschulfa huwde Maria Amelia Augusta Heinzelman, geb. Uit dit huwelijk diverse kinderen. Ten derde vindt men op de heuvels te Bangkong in kampong Wonodri Djomblang, op het voorm.

Hierover in ons volgend nummer meer wordt vervolgd Errata Addenda. Als wij een opstelletje over een of ander persoon of geslacht brengen, beelden we ons niet in, we daarmee alles gezegd hebben wat over het bewus te onderwerp te vertellen is. Integendeel, het is juist onze bedoeling, onze lezers hunnerzijds met aanvullingen en verbeteringen komen, alleen er is zoveel stof, dat we maar zelden een uitgebreid 2e artikeltje kunnen geven, desondanks zou het jammer zijn, al die binnenkomende gegevens maar rustig in onze dossiers te laten verstoffen, ook al met het gevaar, dat latere generaties teruggrij pen op ons artikel en menen, dat Navorser wel alles medegedeeld zal hebben, wat te ontdekken was.

Zo kregen we bijv. Toen de koffiekoning vroeg, de afstammelingen van Médard uit te slui ten, geschiedde dit vermoedelijk op grond van diens gemengde huwelijken en erkende kinderen. Médard, was evenals zijn broer Adolphe in Europa opgevoed, en een verdienstelijk violist. Op hogere leeftijd erkende hij van de Inl. Marie, haar halfzuster, huwde met G. Deibel, opzichter bij het Boswezen te Ngawi, waaruit 2 of 3 zoons. Onze berichtgeefster eindigt erg optimistisch met: Wolff, overleed te Salatiga Pierre huwde te Salatiga Marthe Darue, overl.

De vrouw van de schout van Solo, was niet Amélie, maar Agatha volgens onze zegsvrouwe zou zij een dochter van Médard zijn, en een broer gehad hebben Co of Nicolaas, gehuwd met Mej. Carolus huwde Salatiga Maria Anna, huwde Salatiga Voorts vonden we de geboorte van Gérard, te Salatiga op en van Louis, geb.

Een dochter van de stamvader was verm. Ten slotte vonden we nog Anette Emilie geb. Sa latiga , en Willem aldaar geb. Pierre junior had bij de Jav. Gezien deze talrijke gegevens, vertrouwen we, dat een lid der familie deze nu eens in één stamboom verwerkt, doch in elk geval zijn ze hier dan voor lopig vastgelegd. Voor abonnees en niet-abonnees geldt het tarief 8,50 met een maximum van r e g e l s p e r o p r o e p a a n v r a a g.

In militie dienstplicht getreden in te Magelang. Ben op zoek naar Hr. Westhof, roepnaam Nono, getr. Jacqueline Stratman-Clarenbach zoekt con tact met haar jeugdvriendin Josephine Eybergen, geb. Samen waren ze leerl. HBS te Medan v. Het laatste contact was in Haar lem of Castricum. Wie is in Bersiapkamp Poespo geïnterneerd geweest en voor hoe lang? Ruud Zevenhoven zoekt contact met George Jansen, laatst wonende Jl.

Nancy Tembelaka zoekt contact met school- collega's v. Gubeng en Zaalbergschool te Surabaya. Ikan Lumba-lumba 17, Surabaya Ik zou graag in contact komen met mensen die wat meer zouden kunnen vertellen over de schilder Henry van Velthuysen, geb.

Babs Teillers zoekt een vroeger buurmeisje Liesje Schwarz. Ze woonde in de Van Neckstr. Ze heeft 2 broers Jan en Dolf en nog een zuster wiens naam ik niet meer weet. Graag schrijven of bellen naar J. Daarna diende ik bij het KNIL bat. Andjing Nica in Bandoeng e. Wie heeft mij in de periode gekend c. Deze oproep geldt niet voor personen met wie ik reeds contact heb.

Voor mijn moeder zoeken wij haar moeder, broer en zuster mijn oma, oom en tante of mensen die ons kunnen helpen met het zoeken naar hun verblijfplaats.

Naam van haar moeder is Ibu Warsikum, getr. Ik zoek Rudy Gonta, getr. Maud Schilling, dochter v. EN Den Haag of tel. Rudi Paulus zoekt contact met vrienden uit Yogya, Semarang, Bandoeng. Koppenol, gewoond hebbend Betek, Malang.

Reünies Planterskinderen uit omgeving Malang O- Java hielden Indien mogelijk hopen wij weer een planterskin deren reünie te houden in het voorjaar van en wel voor West, Midden en Oost-Java.

Wie van de planterskinderen uit Midden- en West-Java wil met ons samenwerken om de volgende reünie te doen slagen? Zaterdag 26 juni in Bronbeek Arnhem. Kumpulan te bestellen door I c o n s u m p t i e o povermaking van f 25,— incl.

Comité Birma-Siam Spoorweg te Woudenberg vóór 10 juni a. Nadere informatie bij B. Ex-krijgsgevangenen en Nabestaanden Japan houdt op zaterdag 19 juni a. Aan wezig zal zijn o. De inlei ding zal worden verzorgd door mw. Zaterdag 5 juni in de 'Expo'-zaal v. Beatrixgebouw Jaarbeursplein in Utrecht. Ook u bent van harte welkom op dit altijd heel gezellig feeste- venement met volop goede dansmuziek en TïNE, diverse mooie show-opvoeringen. Kaarten nu reeds in voorverkoop verkrijgbaar door stor ting op postrek.

I t o tf" Minimum 10,-van I tot rf ƒj 3 regels; per regel meer,. Maximaal aantal regels 6. Voor advertenties onder nummer 2,40 meer voor toezenden van ont vangen brieven. Voor toezenden brieven onder nummer naar het buitenland totaal 5,50 meer.

Bij brieven onder advertentienummer: Wie wil er in een groepje min. Welke opgewekte, gezonde Ind. Intern, ruime slkmr, voll. Ik zoek iemand die op synthesizer de bekende Indische en Indonesische liedjes kan spelen. Tom Poes boek ca. Maja Pahit 3A, Malang, tel. Proficiat lieve Paps Ferouge met uw 81ste ver jaardag en nog vele gezonde jaren toegewenst. Uw liefhebbende kinderen en kleinkinderen.. Aalders, hoofd afdeling personeelszaken van de gemeente Rotterddam.

Zij zijn nauwgezet, niet recalcitrant en altijd bereid samen te werken. De bedoeling van de folder is: Er werkt ongeveer achttienduizend man personeel bij de gemeente.

Aalders werd zestig jaar geleden geboren in Kampen. Hij ziet er uit als een sportieve achten veertiger. Een gemoedelijk man met gevoel voor humor. Na zijn studie Indologie in Leiden ging hij, in , als B. Hij werd aangesteld als adspirant-controleur in Pontianak op Borneo. De heer Aalders werd verschillende malen overgeplaatst en zo kwam hij onder meer terecht in Sinkawang, in het uiterste westen van de wester-afdeling van Borneo.

Deze streek was in die tijd economisch zeer bealangrijk. Er zaten zo'n zestigduizend Chinezen, niet alleen handels- lieden, doch ook vele landbouwers en werklieden. In vertrok dr. Aalders voor twee jaar naar Java, waarna hij werd overgeplaatst naar Djambi. In vertrok hij voor een half jaar verlof naar Holland. Na zijn terugkomst werd hij aanvanke lijk te Tjilatjap geplaatst. Kort daarop werd hij resident-secretaris van Japara-Rembang. Van tot eind was hij controleur van het district de Lampongs.

Het aan de schrijftafel gebonden be- stuurswerk beviel hem op de duur niet, zodat hij dus met vreugde in het hart gevolg gaf aan de op dracht, die hem een controleursplaats in de Lam- pongse Districten aanwees. De Lampongs vormden namelijk het grootste pepercentrum van de wereld, waar vooral in de oogsttijd alles pc per was wat de klok sloeg. Eind ging de heer Aalders terug naar Hol land. In kreeg hij een studie-opdracht van de Indische regering. In werd hij hoofd van de afdeling personeelszaken van de gemeente Rotterdam.

Men wilde een poging doen alle onder nemingen in een bepaald verband onder te bren gen, zodat men sterker zou staan tegenover de zich ontwikkelende arbeidersbeweging. Aalders bleef slechts een half jaar in Indonesië. Hij voelde zich er niet meer thuis. Het werken was voor mij in feite onmogelijk geworden. Hij heeft juist een jaar van hard werken achter de rug. Een jaar van bespreken en berekenen en rapporten schrijven.

De ambtenaren op week loon gaan binnenkort over op maandloon. Voor de huisvrouw is het niet zo eenvoudig direct van week- op maandloon over te schakelen. Dit be zwaar hoopt het gemeentebestuur op te vangen door het uitkeren van een extra weekloon. Aalders, hoofd personeelszaken van de gemeente Rotterdam, ambtenaren kunnen bovendien een voorschot van 75 gulden opnemen.

Zij kunnen dit dan op lange termijn terugbetalen. De voordelen van de nieuwe maatregel zijn voor de gemeente niet gering. Het uitbetalen van loon eens in de maand spaart enorm veel tijd en daardoor indirect ook personeel. Dit kan Rotterdam met zijn personeelstekort best ge bruiken. Aalders houdt zich niet alleen bezig met loon- methodieken en het toepassen van bezoldigings- maatregelen. Het gemeentepersoneel valt niet onder de sociale wetten van het Rijk, zoals bijvoorbeeld: Rotterdam treft dus zelf regelingen, die parallel lopen met deze sociale voorzieningen.

Het ligt in de bedoe ling van de gemeente op korte termijn de vrije zaterdag in te voeren. Economisch heeft dit van zelfsprekend enorm grote bezwaren. De verschil lende diensten nemen nu proeven met nieuwe werkroosters om deze moeilijkheden zoveel moge lijk op te vangen. De algemene ontwikkeling gaat in die richting.

Wij hebben vorig jaar augustus een com missie ingesteld om te onderzoeken wat de gevol gen van de invoering van de vrije zaterdag zouden zijn. Men is nu bezig te trachten deze eventuele gevolgen zoveel mogelijk te ondervangen, onder meer door het mobiliseren van latente reserves, die in élk bedrijf tot op zekere hoogte aanwezig zijn. De behoefte aan een vrije zaterdag leeft zeker wel.

Het is prettig voor de mensen twee aaneengesloten dagen vrij te hebben. Sollicitanten vragen er trouwens naar. Deze stad geeft per jaar alleen al Een zeer groot deel hiervan gaat naar de personeels advertenties. Rotterdam kan onder meer ingenieurs, verpleeg sters, tramconducteurs, bankwerkers, timmerlieden en administratief personeel gebruiken. De gemeen te tracht het werken in deze dynamische stad nog aantrekkelijker te maken door hulp bij het ver krijgen van een woning in het vooruitzicht te stel len.

Wie zich daarvoor nog niet heeft opge geven, kan dit alsnog doen bij: Emanuel Barnsteenhorst Den Haag Tel. De kosten voor de avond, die om Er bestaat ook de mogelijkheid deel te nemen aan het diner dat om 18,30 begint a raison van nog eens 3,50 p. Het initiatief daartoe werd geno men door: Een datum is nog niet vastgesteld en er hoeft nog niets betaald te worden.

Het gaat er voorlopig alleen maar om, dat er zoveel mogelijk namen en adressen van oud-leerlingen en -leraren verzameld worden. Geef U dus zo spoedig mogelijk op en maak ook vrienden en vriendinnen, die o, schande, daar moet iets aan gedaan worden! Ik was apo theker-assistente in Kediri. Rondom lagen de suikerfabrieken en zo van tijd tot tijd kwam er een employé afzakken.

Op een ochtend kwam Mr. Hij was een buitenlander, gezellige prater, maar hij sprak zeer slecht Hollands. Zijn maleis was on berispelijk, maar dat gekke Hollands neen dat luk te nooit! Maar de Hollanders zelf mocht hij wel, en als hij in de apotheek kwam babbelden we hon derd uit.

Op een dag was hij ziek, mopperde wat, was naar de dokter geweest en bracht een recept. Het recept werd klaar gemaakt. De chinees gaf mij de fles, ik nam een etiket en vroeg: Ik hoorde enige weken niets. Daar, plots in de vroege ochtend rende zijn paard het erf op. Hij sprong er af, was woedend; hij stormde de voor galerij op en brulde: Het is verheugend dat zoveel figuren uit het oude Indië meehelpen deze stad te doen groeien en bloeien. In ons artikel van 31 oktober stelden we de vraag: Zijn de Di Monti's uitgestorven?

Hierop kwamen van on ze lezers velerlei reacties, mededelingen, foto's etc, alleen de naamdragers zélf reageerden niet. Waar we echter wèl hunne adressen hier te lande verkregen, wachtten we helaas tevergeefs op ant woord op onze brieven, wat oorzaak werd, dat het door ons geprojecteerde, aardig geillustreerde artikel in ons Kerstnummer, moest uitblijven.

Een paar vriendelijke dames, die zich beijverd hadden ons foto's te zenden, vroegen die weer terug, en, waar wij het artikel toch niet behoorlijk konden afsluiten, zagen wij geen reden deze terugzending nog langer op te houden. Er is zovéél belangrijke stof voorradig, en als nu de familie zélf zo dui delijk blijk geeft, van niet het geringste belang in haar historie te stellen, kunnen we ons beter ont houden.

Wij besloten ons dus te beperken tot een kort entre-filet, waarin de ons bekend geworden gegevens opgenomen zouden worden, mitsgaders een opgave van de adressen van de zwijgzame naamdragers, voor het geval, anderen vroeg of laat verder willen speuren. In ons nummer van vroeg de Malakka-erfenis te veel ruimte, om er plaats voor te laten, en zo besloot Navorser in overleg met de redactie nog éénmaal de oesterach tige naamdragers aan te schrijven wat helaas geen resultaat opleverde!

Maar ja, ons werk heeft naast zijn downs toch ook zijn ups, en eind januari dwarrelde op onze schrijftafel een brief van een, ons tot dusver vrij wel onbekende naamdraagster, die we in Tjepoe waanden, en die ons over de état présent inlichtte.

En zo zijn we dan nu in staat, al is het door het gebrek aan medewerking van enkele nog levende naamdragers niet zo volledig als wij wel wensten, tóch een redelijk overzicht der familie Di Monti in de 20e eeuw te brengen. Maar nu ter zake: Zijn voorkin deren waren Wilhelmina Francoise tante Fransje overleden , gehuwd met George Nolson, en misschien Willem, de ordonnans van de Sultan, waarover hieronder. Uit het huwelijk van L. Jeannette, gehuwd met Bernard H. Tandjong Tirto, later te Bandoeng, waar hij in overleed.

Na het overlijden van Jeannette a hertrouwde hij met haar zuster b Hermien of Wil helmina bij Kleian vermeld als L. De 3e dochter was c Adèle, gehuwd met Gerrit Willem Wiegers niet Wichers, zoals de vorige op gave luidde , Chef-opnemer van het Boswezen, we duwnaar van ook dit huwelijk bleef kinder loos.

Zowel de heer Wiegers als zijn vrouw overleden in juli in het Bersiapkamp te Poerworedjo, en zijn daar begraven. Ten slotte d Charles Dimonti, geb. Weiss on derneming Kradjegan te Solo. Dit huwelijk werd door de Rechtbank te Semarang op ont bonden, waarna hij op te Solo hertrouw de met zijn nichtje Flora Flohr, geb.

Uit het Ie huwelijk sproten: Elvire Hortense Eveline DiMonti, geb. Poer woredjo , thans te Amstelveen. Zij huwde te Solo , Gerard Hofman, geb. Ternate , overleden in machi nist Sf. Louis Eugène Di Monti, geb. Hij huwde waaruit één kind. Hij is de stamhouder der familie. Uit het 2e huwelijk van Charles met Flora Flohr sproot: Arthur René DiMonti, geb. Solo , thans te Bandoeng. Nam de Indonesische nationaliteit aan, is invalide en ver vroegd gepensioneerd.

Uit zijn huwelijk met een Indonesische vrouw, sproot een zoontje, waarover verder niets bekend. Nu keren we terug tot de ons verder vrijwel on bekende Willem, die Ordonnans van de Sultan was. Hij is vóór overleden, wellicht veel vroeger, daar zijn echtgenote in alleen ver meld staat als koekbakster, haar spekkoek schijnt beroemd geweest te zijn. Zij is de dame met het kindje op het bij ons vorig ar tikel afgebeelde kopje. Lotje, zoals zij genoemd werd, had 3 kin deren: Waterstaat, met uitgebreid nageslacht.

Een andere correspon dente noemt ook nog ene Marie Anthonio, gehuwd met H. Daarnaast hadden Oom Willem en tante Antje nog een zoon, nl. Henricus Fredericus DiMonti, geb. Hij huwde te Jogja met Wilhelmina Frederica Engelina Keiler, welk huwe lijk op ontbonden werd. Kort daarop her trouwde hij met Honoria Doralize Haverwey tan te Dora , geb. Uit dit huwelijk sproten: Amelia Constance Stans DiMonti, geb. Jogja , werkzaam aan het kadaster te Djakar ta. Johannes Willem Willy DiMonti, geb. Jogja , oud ambtenaar B.

Meerdere foto's van tante Antje, zijn nog in het bezit harer achterkleindochter Mw. Hoeke-de Veer, Slotermeer bij Amsterdam. Wij vermelden hier graag de bijzondere medewer king van de Franse Consul op Mauritius M. Pierre de Sornay, auteur van een historisch werk over het He de France, die zich zeer veel moeite gaf nog iets naders te vinden over de komst der Sanso- vani's op dit eiland. Behoudens drie naamdragers, die we tot dusver niet konden plaatsen, is de puzzle nu compleet.

Dimonti, vermeld in Kleian in Salatiga. Os te Semarang id. Misschien zeggen deze gegevens onze lezers iets meer dan ons, wij konden geen verband ontdekken, en vragen ons af, of dit geen Weynschenk is geweest, waarvan v. Desondanks achtten wij het onze plicht, ook dit gegeven even vast te leggen, opdat de bedoeling der inzendster tot zijn recht komt. Kom gauw naar binnen. Na zoveel jaren gaan we nog eens onze klas binnen.

Weet je nog, het gebouw op Tjikoedapateuh, waar je de trein zag stoppen aan het stationnetje, als je op het gym-veld sport en spel had? Zie je jezelf nog dol-blij de Papandajan- schoot verlaten, diploma-op-zak? Dat alles is niet zomaar voorbij, het is er nu nog. De bel, de bel! Kom, op naar de reünie! Geef uw naam en adres op aan: Burger, Waldeck Pyrmontkade 70, Den Haag, tel. Hoe denkt u ouer zondag 2 of 9 juli a.

Zelfs in een Australische fruitfabriek In de Cannery. Maar nu niet bij de pines, de ananassen, maar bij de peaches. Lekkere sappige peren met een cream en rosé schil. We mogen er net zoveel van eten als we willen, waardoor we ze na zo'n hele morgen niet meer kunnen zien. Met z'n vieren staan we om een grote bak, waar uit we in een zeer snel tempo telkens een peach moeten nemen om die te ontpitten. Allemaal heb ben we een kaartje met nummer en naam op ons gummischort gespeld.

Dat van mijn buurvrouw is half verborgen onder de kraag van haar jurk. Ter- sluiks neem ik haar eens op. Ze is groot en blond. Ik schuif wat dichter naar haar toe om de naam op het kaartje te kunnen ontcijferen. Van Een Hollandse Als het geraas van de machines even vermindert en we moeten wachten op een nieuwe bak met vruchten, begin ik vrouwelijk nieuwsgierig een gesprek. Wat een toeval Dus óók oud-Soerabaiaan.

Nu, ik heet Tilly hoor. Kreumer, vm, landstormsoldaat, stb. Wie heeft foto van en inform. Hij heeft in de suiker gezeten Djati Roto en heeft later gewerkt bij de pestbestrijding en bij de Staatsspoorwegen. Siwy in Ujung Pandang Makassar zoekt contact met Mw. De vader van mw.

...

Neuken emmeloord sex afspraak nijmegen



prive ontvangst lelystad club jacqueline loon op zand

De reden van de verkoop is niet bekend maar in het pand waar sedert vele jaren sociëteit werd gehouden werd na de verkoop in de sociëteit De Harmo­nie gevestigd W. Getatoueerde krijger uit Polynesië, geschetst door Johan Chr. T waalf jaar was ik, bij het prille begin van de jaren zestig. Ik zou er later met enige regelmaat aan herin­nerd worden: Ik kan het niet ontkennen.

Op een of andere manier ben ik door die jaren getekend, want of je het wilt of niet, ieder mens is, hoe verschillend ook, een beetje een kind van zijn tijd. Maar wat wil dat zeggen? Nu het stof van die geschiedenis enigszins bezonken is, merk ik dat die jaren zestig bij mij, maar ook bij veel anderen, verschillende beelden oproepen.

Een bevrijdende tijd, als je in termen van het doorbreken van traditie en taboes wilt denken. Maar op die leeftijd was ik mij van geen taboe of traditie bewust. Een desastreuze tijd, waarin de eerste stappen werden gezet naar de ongeremde ontplooiing van het ik, waarvan we nu — in mijn opinie — de wrange vruchten plukken. Maar ook dat besefte ik toen niet.

Net zo min als ik een scherp beeld heb van de tijd waarin ik nu leef. Wij schrijven met reden onze geschiedenis het liefst achteraf. En dat is wat ik hier en in de volgende afleveringen van het Zwols Historisch Tijdschrift wil doen. Wat gebeurde er — bezien met de wijsheid van nu — in jaren zestig in Zwolle? Mijn verwachting is dat de veranderingen hier trager gingen en met een minder fel gezicht. Wat was de tijdgeest, wat waren de gebeurtenissen die de stad en haar bewoners zouden veranderen?

Een historisch onderzoek is het allerminst. En mijn waarnemingen zijn niet die van een soci­oloog, maar van een nieuwsgierige. Ik laat me meedrijven met het nieuws dat toen zes dagen per week aanspoelde op de bladzijden van de Zwolse krant. Of zoals die krant toen voluit heette de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.

Dit alles in de hoop dat er ooit een gezaghebbende studie naar deze ook voor Zwolle boeiende jaren zal worden gedaan. De stad gaat op de schop Zwolle had zichzelf aan het eind van de jaren vijf­tig wakker geschud, de stad moest mee in de vaart der volkeren. Industrie moest er komen en daar­mee werkgelegenheid en economische voorspoed. En als er toch een universiteit in het oosten van het land nodig was, waarom dan niet in Zwolle, de grootste stad van Overijssel en bovendien cen­traal gelegen.

Tijd ook om de oude kleren waarin de stad zich hulde, te vervangen. De binnenstad, maar ook wijken als de Kamperpoort en Dieze vertoonden sleetse plekken. Krotten stonden er, waar je maar keek. Opruimen en er betere wonin­gen voor in de plaats zetten, was de boodschap. Zwolle was zich er goed van bewust dat het op 1 januari op de drempel van een nieuwe tijd stond.

Maar — en zien wij hier een typisch Zwols trekje? Het was de centrale boodschap van de traditionele nieuwjaarswens van Thomasvaer en Pieternel op 1 januari. Ook in werd die weer op rijm uitgesproken tijdens een bijeen­komst in Odeon.

De tekst was van Willem van der Veen hij publiceert nog regelmatig in het Zwols Historisch Tijdschrift en werd door twee Zwolse acteurs uitgesproken in Odeon. Thomas­vaer memoreert dat Zwolle een stad van allure wil worden. Den Haag wees Zwolle niet voor niets aan als ontwikkelingskern. Nu nog de daad bij het woord voeren zegt hij:. Het voor de finan­ciering van de sloop en wederopbouw opgerichte Krotopruimingsfonds dreigt in het vergeetboek te raken.

Maar dat is schijn, want het fonds, dat de naam draagt van oud-burgemeester jhr. Strick van Linschoten, wordt in die eerste maanden van nieuw leven ingeblazen. Regelmatig verschij­nen advertenties in de krant waarin de Zwolse burgers wordt verzocht een financiële bijdrage te leveren. Blijkbaar was de schatkist van de stad niet goed genoeg gevuld. In de nieuwjaarswens wordt ook gewaar­schuwd voor ongebreidelde bomenkap in Zwolle. Er zijn plannen voor de kap van bomen langs de Wezenlanden en in de Veerallee ging de bijl er al in.

Ze hoefden niet karig met klappen te zijn. Op 31 augustus van dat jaar krijgen de lezers uitleg over wat nu precies een nozem is: Met regelmaat bericht de krant over rellen met nozems in binnen- en buitenland.

De politie moet eraan te pas komen om ze in toom te houden. Maar afgezien van het in de nieuwjaarswens vermelde incident in blijft in Zwolle alles nog bij het oude. De aanha­lingstekens zijn een knipoog van de Zwolse krant: Na nieuwjaarsdag ging het leven in Zwolle met nieuw elan van start.

Een elan dat onder woorden werd gebracht door een nieuwe bur­gemeester. Strick van Linschoten was op 1 januari met pensioen gegaan en werd op 28 janu­ari opgevolgd door J. Roelen, daarvoor bur­gemeester van Delfzijl.

Bij zijn installatie liet zijn ambitie niets aan duidelijkheid te wensen over: Een stad die als het ware gereed ligt om het onvermijdelijk openbarsten van de overbevolkte Randstad Holland op te vangen. Zwolle ging op de schop. D e Roopoort vormt de verbinding tussen de Burgemeester van Roijensingel en de Parkstraat. Vanaf de singel is de weg alleen maar toegankelijk voor fietsers en voetgan­gers.

Onlangs werd een aantal nieuwe woningen opgeleverd aan de Roopoort. Een van de eigena­ren vroeg zich af hoe de Roopoort aan zijn naam gekomen was. Daar wordt in dit artikel nader op ingegaan. De geschiedenis van de Roopoort gaat zeker drie en een halve eeuw in de tijd terug.

Op de kaart van Joan Blaeu, die uit circa dateert, zien we ter hoogte van het bolwerk De Suikerberg waar nu de Potgietersingel ligt , aan de overkant van de stadsgracht een weggetje lopen.

Dit weggetje begint op het punt waar de singel met een dubbele rij bomen beplant is. Het weggetje loopt vanaf de stadsgracht haaks naar links en vervolgens naar rechts. Het volgt daarmee exact de huidige loop van de Roopoort en de Wes­terstraat. Deze namen waren uiteraard destijds nog niet bekend. Het gebied rond dit weggetje was nog onbe­bouwd. Om de stad lagen uitgestrekte landerijen. Blaeu heeft dat aangegeven door hier en daar een koe in te tekenen.

In de achttiende eeuw veran­derde de situatie. De binnenstad raakte vol. Assendorp vond toen de meeste nieuwbouw plaats. Omdat er geen vaste oeververbinding was vanuit de Luttekestraat naar de huidige Burge­meester van Roijensingel, bleef bebouwing aan deze zijde van de stad aanvankelijk achterwege. Komende vanuit de Luttekestraat kon je de stads­gracht alleen maar oversteken met een pontje, het zogeheten Luttekeveer.

Rond Zwolle stonden tal van havezaten en buitenplaatsen. In de Kamperstraat, de Koestraat en de Bloemendalstraat bezaten veel adellijke en vermogende families een stadshuis dat in het voorjaar verlaten werd. Met het personeel vertrok men in april om pas in het najaar terug te keren. In de zomer genoot men van het landleven en van de natuur. In de vaak prachtig aangelegde tuinen ontving men gasten in prieel of tuinhuis om van gedachten te wisselen over politieke onderwerpen of gezellig bij te praten.

Uitgebreide wandelin­gen werden gemaakt en men genoot van de onge­repte natuur. Vaak bleven de gasten ook enkele dagen logeren. Zo ook bij Rhijnvis Feith, die zodra het weer in het voorjaar het toeliet, op Boschwijk aan de weg naar Heino verbleef. Het werd hem soms wel eens te druk met al die gasten, want hij had zelf ook een groot gezin.

Feith en zijn vrouw hadden namelijk negen kinderen. En zo groot was Boschwijk nu ook weer niet. Zij hadden meest­al ook een aanzienlijk huis in een van belangrijkste straten van de stad, maar niet het vermogen om een tweede huis op het platteland te kopen. Het lag wel binnen hun financiële mogelijkheden om buiten de stadsgrachten ergens een stukje grond te kopen.

Daar werd dan een tuin van gemaakt en een tuinhuisje neergezet. Dit fenomeen deed zich in heel Nederland voor. Rond de steden lagen vele tuinen en lustho­ven met idyllische namen. Weg van de drukte en de zomerse benauwdheid van de grote stad was het in de lusthoven heerlijk toeven. De zinnen werden geprikkeld door kleurrijke en welriekende bloemen. Het gezang van de vogels was er beto­verend. Vele dichters hebben de lusthof beschre­ven zoals Hildebrand N.

Beets in zijn Camera Obscura. In het verhaal over de familie Stastok zit Hildebrand in een prieel te lezen en praat hij over vroeger.

Willem Bilderdijk bezong de lusthof op lyrische wijze in het volgende gedichtje: Lust in de hof In het gebied, dat zich globaal uitstrekte tussen de huidige Van Karnebeekstraat en de Willemsvaart, kochten vermogende burgers aan het begin van de achttiende eeuw een stukje grond en lieten daar een tuinhuisje opzetten.

Zat men goed in de slappe was, dan nam men een tuinman in de arm om er een mooie tuin aan te leggen met een tuinhuisje. Evenals de zeer rijke families, die het genot op hun buitenplaatsen zochten, beleefde de gegoede burgerij plezier in hun eigen lusthof, die op loopafstand van hun woning gelegen was.

Ook zij ontvingen daar vrienden en gasten. Er werd over alledaagse zaken gesproken of over actuele politieke onderwerpen. Er werd een pijpje gerookt en een glas wijn gedronken. Aan het eind van de dag wandelde men dan — al dan niet vast ter been — weer naar huis om de nacht binnen de poorten van de stad door te brengen.

Als de poort gesloten was, kwam men er niet meer in, behalve tegen betaling. Het tuinhuis of de hof was voor jonge men­sen een aangename plek om elkaar beter te leren kennen. De romantiek vierde er hoogtij. In de beslotenheid van de hof werden aardige en lieve woordjes gewisseld, die uiteindelijk konden leiden tot een echtelijke verbintenis. Het tuinhuis was ook de plek waar Willem la Clé de herenliefde bedreef.

Rond had hij een hof met een tuin­huisje buiten de Diezerpoort waar tegen de avond jonge heren niet alleen voor een glas wijn en een pijpje tabak werden uitgenodigd. Vereniging van eigenaren Rond bezat een aantal burgers van Zwolle enkele hoven en landerijen in het Klein Wezen-land, die te bereiken waren via een kleine poort. Dat poortje stond aan de ingang van een weggetje, dat later de naam kreeg van Roopoort omdat die kleine poort waarschijnlijk uit rode baksteen was opgebouwd en bedekt met rode dakpannen.

Ook de levering van rode verf in latere tijd geeft wel aan dat de poort rood van kleur was. Dit poortje — het was van geringe omvang — werd in voor het eerst genoemd. Uit is een document bewaard gebleven waaruit blijkt dat de poort hoognodig gerepareerd moest worden.

In kennisse van waarheid hebben de geinteres­seerdens deze getekend. Zwolle, 3 junii Via deze poort, gelegen aan de singel, kon men de hoven en landen bereiken.

Met de Kirmerije, ook wel Kiri­werie genaamd, werd het gebied aangeduid tussen de stadssingel en waar nu ongeveer het station ligt. Aan het eind van de achttiende eeuw kwam een groot deel van dit gebied in het bezit van het. Hervormd Weeshuis en kreeg het de naam Klein Detail uit de platte- Wezenland. De Kruidtoren stond aan het Het weggetje waar eind van de Luttekestraat aan de stadsgracht. Van de ondertekena­ ren behoorden er drie tot families die op bestuur­ lijk gebied in Zwolle de lakens uitdeelden en zeer goed bij kas waren Roijer, Van Muijden of Mui­ den, en Rietberg.

De overige vier waren ook niet onbemiddeld. Van Hattum was advocaat en de vader van Burchard Joan van Hattum, de schrijver van Geschiedenissen der stad Zwolle, , en mevrouw Weijenberg bezat twee panden aan de Grote Markt waar nu de Harmonie staat.

In werden zij opnieuw opgeroepen voor een gezamenlijke vergadering op het Refter aan het Bethlehems Kerkplein. Gijswijt voor in het jaar geleverde smidswaren, onder meer hengsels, krammen, nagels, platen en twintig dakpannen. Het is jammer dat van dit gezelschap, dat de Roopoort in stand wilde houden, slechts weinig archiefstukken bewaard gebleven zijn. Het laatste stuk dateert uit Tussen de stukken zitten vele kwitanties voor onderhoud van de poort.

Om de zoveel jaar moesten de hengsels worden vermaakt of werden er nieuwe grendels geleverd. De uitga­ve voor rode verf op een van kwitanties verklaart andermaal de naam van de poort. Voor het dak van de poort werden in twintig nieuwe pan­nen aangeschaft. Engeler als gemachtigde van de belanghebbenden van de Roopoort optrad. Hij had in totaal een bedrag van negen gulden, zeven stuiver en acht penningen voorgeschoten.

Dit bedrag werd hoofdelijk verdeeld. Ieder moest per hof of per stuk land — te bereiken via de Roo­poort — een bedrag van vijftien stuiver en tien penningen betalen.

Met grote letters staat onder de rekening: Van hof naar stadsvilla Rond veranderde de situatie drastisch. In was de Willemsvaart gegraven. Een nieuwe haven werd aangelegd nabij de Eekwal. Over de stadsgracht kwam rond een voetbrug te lig­gen, die de verbinding vormde tussen de Lutte­kestraat en het Klein Wezenland. Deze kleine brug werd in vervangen door een nieuw exem­plaar die we nu kennen als de Nieuwe Haven-brug. Rond werd Zwolle aangesloten op het spoorwegennet.

In kwam de spoorbrug over de IJssel klaar en met de bouw van het station werd het gebied tussen het station en de stad een gewilde locatie om te bouwen.

Dit ging ten koste van de vroegere hoven. De nieuwe huizen werden onder archi­tectuur gebouwd en waren bestemd voor rijke kooplieden, fabrikanten en hoge ambtenaren. Het huis Klein Wezenland Burgemeester van Roijen­singel 5 is tussen gebouwd voor mr. Deze familie had daar grond liggen. De poort van het voormalige Hervormd Weeshuis aan de Broerenstraat is in herplaatst als ingang van Praubstraat Op de poort staan twee wezen afgebeeld in zandsteen: Daartussen de letter W van weeshuis en erboven het stadswapen.

Foto Jan van de Wetering Suikerhistorie. Het werk vond plaats in het Nederlands Hervormd Weeshuis in de Broerenstraat, dat leeg was komen te staan. In het begin van de jaren vijf­tig werden wezen niet langer meer geplaatst in het weeshuis maar bij particulieren ondergebracht, die daarvoor een vergoeding kregen.

In de nacht van 30 juni op 1 juli brandde het weeshuis gedeeltelijk af. Het werk van de SWZ kon daarna slechts voor een deel daar worden voortgezet, de overige werkzaamheden vonden op andere locaties plaats. Deze dislocatie leidde er toe dat er versneld behoefte ontstond aan nieuwe huisvesting. Nieuwbouw vond plaats aan de Ceintuurbaan, waar de SWZ in haar poorten opende.

Tegenwoordig is het een bedrijf voor sociale werkgelegenheid en is het gevestigd op industrieterrein De Hessenpoort. Dit suikerzakje is dus circa vijftig jaar oud. In dit nummer komt het verleden van Zwolle weer in een grote verscheidenheid aan bod.

Pater Kees Brakkee gaat in op de veelbewogen geschiedenis van de dominicanen in Zwolle. In werd de orde uit de stad verdreven. Rond keerden de dominicanen terug in de stad en betrokken zij het nieuwe klooster met de majestueuze kerk aan de Assendorperstraat.

Er was in de jaren zestig van de twintigste eeuw een groeiende behoefte aan goed geschoolde inrichtingsopvoeders. De eerste oplei­ding daarvoor ging in Zwolle van start, destijds een unicum in Nederland. Beide steenhuysen groei­den later uit tot buitenplaatsen. De auteur kwam veel bij schippers aan de Die­zerkade en kende hun leefwereld van zeer nabij.

Annèt Bootsma-van Hulten herdenkt de e sterfdag van Jan ter Pelkwijk aan de hand van een niet eerder gepubliceerde brief uit van Willem Kloeke over deze pedagoog en voorvech­ter van onderwijs en armenzorg.

Het Dominicusraam in de Dominicanen-kerk, Dominicus predikend voor een groepje men­sen. Met het oog op de ramen van de Domini­canenkerk te Zwolle.

Predikbroeder, afge­beeld op de tweede koorbank aan de zuid-wand van het koor van de Dominicanenkerk aan de Assendor­perstraat.

Wat was die orde van de predi­kers waar Thomas op doelde? Dat is niet vreemd. Dominicanen zijn in strikte zin geen vol­gelingen van de grondlegger Dominicus, die nooit de bedoeling heeft gehad om van zijn medewer­kers navolgers te maken. Kort en krachtig gezegd: Dominicus had een groep mannen om zich heen verzameld in een soort vereniging, een orde, met het doel om verantwoord te preken.

In Leeuwarden vindt men zo nog een Jacobijnerkerkhof. Dominicus werd priester en belandde als regulier kanunnik bij Diego, toentertijd bisschop van Osma. Hij werd de supprior van diens kathedraal-kapittel. Diego nam zijn supprior mee en op de tocht naar het noorden stuitte het gezelschap in Zuid-Frankrijk op twee ketterse bewegingen: Jorda­nus van Saksen, de eerste opvolger van Dominicus als hoofd van de orde, beschreef in fraai Latijn het volgende voorval.

Diego, Dominicus en hun gevolg overnachtten eens in een herberg te Tou­louse. De waard was een Kathaar. Dominicus ging in gesprek met de man; zij discussieerden de hele nacht met elkaar en tenslotte kon de ketter geen weerstand meer bieden aan de wijsheid en de geestkracht van Dominicus. Een andere biograaf schreef over die gebeurtenis: Deze ervaring heeft wellicht bij Dominicus de idee wakker gemaakt om door verantwoorde prediking het zielenheil van zijn medemensen veilig te stellen.

Hij verzamelde een groep man­nen en vrouwen om zich heen die dit ideaal deel­den. Paus Honorius III vaardigde in een bul uit waarbij de nieuwe orde werd goedgekeurd. Het eerste klooster voor zestien medebroeders, ondergebracht in een woonhuis, stond in Tou­louse. De orde breidde zich zeer snel uit. In gaf Humbertus van Romans, de magister-generaal van de orde, koning Lodewijk IX van Frankrijk de verzekering dat deze kon rekenen op Hetgeen er op neer kwam dat de orde toen al 5.

Men schat het totaal aantal ordeleden op In verschenen de eerste predikbroeders in Utrecht. Kaart van Zwolle door Jacob van Deventer, ca. Duidelijk valt hierop het klooster van de dominicanen of predikheren te zien. De Broerenkerk te Zwolle Eind zeventiende-eeuwse impressie van het dominicanenkloos­tercomplex, zoals dat er rond uitgezien moet hebben. Waar­schijnlijk gebaseerd op oude stadsplattegron­den. Toegeschreven aan Jacobus Stellingwerf. De meeste kloosters binnen het huidige Nederlandse grondgebied behoorden aanvanke­lijk tot de provincie Teutonia.

Vanaf hoor­den zij bij een nieuwe provincie, die van Saksen Saxonia. Die hoorde toch in die kro­niek niet thuis? De oplossing ligt in twee woorden die Thomas heeft toegevoegd: Deze doorgewinterde Moderne Devoot was waarschijnlijk bijzonder geïnteresseerd in de komst van observanten, aan­hangers van het herstel van de oorspronkelijke kloostertucht, en was daar ook zeer blij mee.

Binnen de orde van de predikers was namelijk een beweging op gang gekomen om tot een stren­gere levenswijze te geraken.

Men had de ascetische gestrengheid terecht verzacht, maar men beging tevens de fout om veel te jonge kandidaten op te nemen om zo de kloosters weer te kunnen bevolken. Het gees­telijk peil daalde dientengevolge aanzienlijk.

Die kloosters werden daardoor ont­trokken aan het gezag van de provincie waartoe zij behoorden. De naam duidt er al op dat de meeste van die kloosters in de Nederlanden lagen, maar zij telde conventen van Finland tot in Bretagne. In werd de Congregatie opgeheven en keerden de kloosters terug in de schoot van de eigen pro­vincie.

De stichting van het Broerenklooster in Zwolle De predikbroeders kwamen dus nog geen jaar na de oprichting van die Hollandse Congregatie naar Zwolle. Het verzoekschrift werd op 8 juni ingewilligd, maar Zwolle werd er niet met name in genoemd. Hier doemt de vraag op, waarom de predik-broeders nu juist naar Zwolle kwamen. Afgezien van het feit dat de toenmalige Zwolse stadsbe­stuurders zeer gesteld waren op de komst van de broeders, speelt hier vermoedelijk nog iets anders mee.

De bekende Franse historicus Jacques le Goff heeft via een uitgekiende rekenmethode kunnen aantonen dat de dominicanen in zijn land destijds vooral de grotere steden, met name de haven- en handelssteden, opzochten voor hun vestigingen. Aldus konden zij met hun preken een groter en meer ontwikkeld publiek bereiken.

Onder de vijftien middeleeuwse vesti­gingen die mijn medebroeder Pierre Wolfs in zijn boek over de middeleeuwse dominicanenkloos­ters in Nederland vermeldt, tel ik slechts twee klei­ne: In die reeks hoorde ook de Hanzestad Zwolle. Daarmee werd de Zutphense dominicaan Engelbertus Messemaker belast. Hij werd de grondlegger en de eerste prior.

De predikbroeders kochten grond aan buiten de toenmalige noordelijke stadsmuur. Eerst bij de voltooiing van de derde stadsuitleg omstreeks kwam het complex binnen de omwalling te liggen. Men schijnt niet eerder dan in de tweede helft van met de eigenlijke bouwactiviteiten te zijn begonnen.

Er is enige gelijkenis met het Zutphense klooster, maar de kerken verschillen. Die van Zutphen heeft een basilicale vorm; dat wil dus zeggen langgerekt met een hoog middenschip, terwijl de Zwolse kloosterkerk een bakstenen hal­lenbouw is.

Zij heeft een lange noordbeuk met koor en een kortere, smallere zijbeuk. Men begon met de bouw van het koor, maar pas in of daaromtrent was het werk aan de kerk voltooid. Zij bezat oorspronkelijk een dakruiter met één of meer klokken. Het gewelf werd omstreeks beschilderd, maar door de protestanten later wit overgekalkt. In leverden de Zwolse orgel­bouwer Jorgen Slegel en zijn twee zonen Kornelis en Michiel op bestelling een orgel af voor de kerk. Tegelijk met het koor werd ook begonnen met de kloostergebouwen, op klassieke wijze gesitu­eerd rond een rechthoekig pandhof.

Zij omvat­ten een librije bibliotheek , een kapittelhuis, een slaapzaal dormter , een keuken, een refter eetzaal , een gastenkamer, een huisje apart voor zieken, een proveniershuis en een bij het klooster gelegen brouwerij. Voor zover men heeft kun­nen nagaan, hadden de gebouwen een kelder, een begane grond, een verdieping en een zolder.

Ik voer hier opnieuw Le Goff ten tonele, omdat hij heeft opgemerkt dat stadsgrond in de Middeleeuwen duur was; dat de bedelorden zoals de dominicanen wegens hun grote aantal veel grond nodig hadden; dat zij daarom aan hoog­bouw moesten doen en in stenen huizen moesten wonen wegens het brandgevaar, maar, dat zij daarmee ook, ondanks hun armoedestreven, als vanzelf terechtkwamen aan de kant van de gegoe­de burgers, de enigen die zich de zeer dure stenen huizen konden veroorloven.

Dat moet eind of begin zijn geweest. Over het aantal bewoners van het klooster tussen en zijn wij slecht ingelicht. Ingrid Wormgoor schat in haar dissertatie over de kerkelijke instel­lingen in Zwolle het aantal paters tussen en op ongeveer dertig. Daar moet men dan een onbekend aantal lekenbroeders en proveniers bij­tellen. In waren er nog slechts elf bewoners. Een belangrijke taak van de kloosterlingen vormde uiteraard het bedienen van hun kerk.

Naast het dagelijks koorgebed werden er missen gelezen, vaak voor overledenen. Er werden biech­ten afgenomen en vooral gepreekt: Bovendien was het klooster een huis waar werd gestudeerd en les werd gegeven. Niet voor niets waren klooster en kerk gesteld onder het patronage van Thomas van Aquino ong. Thomas heeft het devies van de orde geijkt: De vraag is alleen of een dergelijke beslissing ook steeds werd verwezen­lijkt. Vermeld worden een studium in de filosofie en de logica.

Ook horen we van een meester in de H. Het klooster lag oorspronkelijk bui­ten de noordelijke stads­muur, op het Eiland. Collectie HCO Thomas van Aquino, de patroonheilige van de kloostergemeenschap van de dominicanen of predikheren te Zwolle.

Gewelfschildering in de Broerenkerk. De Broerenkerk te Zwolle. Hij kwam waarschijnlijk in naar Zwolle, waar hij op 8 september over­leed en in het koor van de kerk werd begraven. Zijn gebeente is overigens nooit teruggevonden. Hij verwierf internationale faam, doordat hij de uitvinder van de rozenkrans mag heten en haar grote promotor. De inbreng van de stad Zwolle Het heeft er veel van weg, dat de Zwolse stads­bestuurders zeer gesteld waren op de komst van de observanten.

Dat blijkt zonneklaar uit een overeenkomst die op 3 december tussen klooster en stedelijke overheid werd gesloten. Dat was zowat drie jaar na het begin van de bouw. Het schijnt, dat de observantie tot twee maal toe van buiten af bedreigd is geweest. In die overeenkomst verplichtten de predikbroeders zich de observan­tie te blijven aanhangen, terwijl de stad het recht kreeg die te beschermen en desnoods te herstellen door ondermeer het klooster te doen bevolken met aanhangers van de observantie.

Een soort­gelijke overeenkomst werd nog eens elf jaar later met het stadsbestuur gesloten. Zulke overeenkomsten tussen stadsbestuur en klooster zijn heden ten dage ondenkbaar. De Franse Revolutie bracht ons gelukkigerwijze de scheiding van kerk en staat. Maar deze voorvallen verschaffen ons wél duidelijk inzicht in de men­taliteit, met name in de godsdienstige gevoelens van de laatmiddeleeuwse mensen.

Het toont bovendien dat Zwolle het goed voorhad met de dominicanen. Waarschijnlijk betekende dat niet meer dan dat de stad verlof voor de vestiging heeft gegeven en moet niet worden gedacht aan schenking van de grond. De dominicanen hebben de grond gewoon gekocht. De stad werkte wel mee toen ten behoeve van het klooster een weg werd aangelegd in en in een poort werd gebouwd: Het schonk nog vóór de voltooiing van de kerk omstreeks In had de stad al een raam geschonken voor het toen voltooide koor.

Later bezat de stedelijke regering in de kerk een eigen gestoelte. In droeg zij bij in de her­stelkosten van het torentje. Ook later liet het stadsbestuur zich bij herhaling niet onbetuigd door het geven van geschenken en subsidies bij grote samenkomsten van dominica­nen in het klooster, zoals bij zogenoemde provin­ciale kapittels. Dat kapittel toonde dan weer zijn dankbaarheid door iedere priester in de provincie de mis te laten opdragen voor de leden van het stadsbestuur en hun de confraterniteit met de provincie te verlenen.

Op feestdagen als die van Dominicus en Thomas van Aquino onthaalde het stadsbestuur de broeders vaak op een traktatie. Leonardus van Daelen, voordien prior van het Zwolse klooster, ontving bij zijn gouden professiefeest in van stadswege een som gelds en werd op stadskosten verpleegd toen hij het jaar daarop ziek werd.

Wormgoor zijn er verschillende redenen te bedenken, waarom het stadsbestuur zo graag een bedelordeklooster in zijn stad wilde. Bedelorden vielen niet onder de bisschoppelijke jurisdictie en hoefden zich niet aan de gevolgen van excommunicatie en interdict te houden.

De bedelorden gaven de stad zo als het ware wat meer speelruimte tegenover de bisschop. Bovendien stelde men het op prijs dat een aantal kloosterlin­gen relatief hoog was opgeleid en de stichting van een klooster kwam tevens kennelijk tegemoet aan de wens van de bevolking.

Ofschoon conflicten tussen rivaliserende kloosterge­meenschappen in de Middeleeuwen niet ongewoon waren, is mij wat Zwolle aangaat daaromtrent niets bekend. Wel worden geschillen gemeld tussen de predikbroeders en de wereldheren.

Dat lag meer voor de hand, want zij visten in dezelfde vijver. Zo ontstond al kort na de stichting van het klooster een geschil met de vice-cureit onderpas­toor van de St.

Michaëlkerk, Henrick Remondis, over de tijd van het celebreren van de missen in de kloosterkerk, het biechthoren, het preken door de kloosterlingen en het begraven van leken. Men besloot een regeling in handen te leggen van de bisschop van Utrecht, die op 16 juni uitspraak deed.

De partijen legden zich bij die uit­spraak neer. Het klooster werd tijdens hun afwezigheid zwaar geplunderd. De broeders keerden in december van dat jaar terug, toen bin­nen de stad ernstig rekening werd gehouden met de komst van Alva.

Het stadsbestuur beval op 7 december alle goederen die ontvreemd waren bij de eigenaars terug te brengen. Tegen de zin van de bewoners liet het stadsbe­stuur in een gedeelte van het klooster tijde­lijk door soldaten bezetten, zodat de eersten in het Buschklooster moesten worden ondergebracht. Er was in de jaren daarna geen sterke stadsrege­ring en de protestanten kregen steeds meer macht. Het schepencollege, op 25 januari aangetre­den, wilde geen strijd tussen de beide religies, maar een gewapend conflict dat medio tussen deze twee ontstond, eindigde met een overwinning voor de protestanten.

Een resolutie van schepenen en raden, dd. Hun goederen moesten in de stad blijven. Het stadsbestuur gaf de broeders vijftig goudgulden mee om in hun eerste onderhoud te voorzien. Alleen de dominicanen werden door een dergelijke, harde maatregel getroffen.

De reden voor deze hardheid moet men waarschijnlijk zoeken in de houding van de Zwolse predikbroeders tegenover de opkomende Reformatie. Verschillende leden van het convent bestreden de nieuwe tendensen en haar voorvech­ters met kracht, zo niet met felheid. Met name het heftige conflict tussen de rector van de stads­school, de humanist Gerhardus Listrius, en de prior van het klooster, Theodericus van Woudri­chem, in de jaren tot zal blijvend kwaad bloed hebben gezet.

De Broerenkerk, het Conservatorium en het Oversticht; het Broeren­kloostercomplex na de restauratie in de jaren zeventig, gezien vanaf de Thorbeckegracht naar het Pelserbrugje, Na het vertrek van de dominicanen werd het klooster ten dele verwoest. De zusters van het Maatklooster kregen huisvesting in een deel van het gebouw en het overige deel werd door de stad verhuurd.

Het stond ten dienste van komedianten, koorddansers en andere spelers. In namen de protestanten de kerk in gebruik voor hun diensten. Op 29 januari besloten schepenen en raden tot restauratie. Tijdens de bezetting van de stad door de Munsterse troepen was het koor sedert 4 augustus enkele maanden bij de tijdelijk teruggekeerde dominicanen in gebruik voor de eredienst.

Sedert diende de kerk als paardenstal en voor mili­taire oefeningen. In ging zij weer als kerk dienen. In was het klooster onderdeel van de kazerne en in kwam de kerk na belangrijke herstelwerkzaamheden opnieuw ten dienste van de protestanten. De Librije deed van tot dienst als synagoge. In het laatste kwart van de twintigste eeuw, in , startte men met de restauratie en de nieuw- De gloednieuwe Domi­nicanenkerk en het klooster aan de Assen­dorperstraat.

Omstreeks gefotografeerd vanaf het nog onvol­tooide Assendorper­plein. Die bouwwerkzaamheden werden in met succes afgerond. Terugkeer Het lijdt geen twijfel, dat de predikbroeders begin hun komst naar Zwolle hebben beleefd als een terugkeer, als een herleving.

In publicaties toen en later, zoals nog bij de viering van het jarig bestaan, werd het thema van de terugkeer bij herhaling en met enige emotie aan­gesneden. Bij deze tweede komst van de predikbroeders had de stad Zwolle geen inbreng. Die komst was een gevolg van niet zo fraai, binnenkerkelijk geharrewar. Om kort te gaan: De predikbroeders kregen tenslotte als com­pensatie voor het verlies van hun statie, zeg maar parochie, in Groningen van de aartsbisschop van Utrecht toestemming tot de stichting van een klooster in Zwolle.

Voorwaarde was, dat dit kloos­ter niet vóór juli zou worden bevolkt. Men ging op zoek naar een geschikt terrein en men kwam erachter dat het boerenechtpaar Van de Vegte-Beumer zijn erf aan de dominicanen wilde afstaan.

Er moest wel grond voor goed geld worden bijgekocht. Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt, werd aangetrok­ken. Hij ontwierp, hoe kan het anders in die dagen, een neogotisch gebouw naar de oude trant: Voorts een oprijzende kruiskerk van 21,50 meter hoog met drie beuken en een ruim koorge­deelte.

De aanbesteding werd gegund aan de Nij­meegse aannemer W. Op 3 mei legde de toenmalige provinciaal, Ludovicus Theissling, de eerste steen. Op 12 december trokken de eerste bewoners binnen, maar voordien hadden rooms en niet-rooms op twee achtereenvolgende zondagen, 24 november en 1 december, de heilige hallen mogen betreden van zolder tot kelder.

Van die mogelijkheid werd druk gebruik gemaakt. De aanpalende kerk kwam eerst in februari klaar en werd op 19 augustus van dat jaar geconsacreerd. Alles was in die eerste tijd nog woest en ledig, maar dominicanen minnen niet alleen de plastische schoonheid in hun liturgie, maar ook in hun gebouwen.

Zij zorgden in de loop der jaren ervoor de openbare ruimten aan te kleden. Er kwam een Adama-orgel; er kwamen gebrandschilderde ramen, voor een deel ontwor­pen door pater Raymundus van Bergen die tot op hoge ouderdom in het Zwolse klooster woonde en er in zijn atelier op zolder werkte.

Er kwam een mozaïekvloer in het koor, een orgelfront en bewerkte koorbanken, beide ont­worpen door de befaamde architect Jan Stuyt. De Zwolse timmerman Anton Bolmers vervaardigde de koorbanken. Daar bleef het niet bij, want er kwamen ver­bouwingen. Op 3 januari brak een felle brand uit die de hele bovenverdieping van het klooster met zolder en dak verwoestte.

Het is nooit opgeklaard, hoe het vuur kon ontstaan. De felheid van de brand had alle sporen uitgewist. In Nijmegen was intussen een nieuw klooster gebouwd.

De architecten en de aannemer van dat gebouw klaarden de Zwolse reparatieklus in zeven maanden. Er kwam een verdieping bij. Het leien dak, zoals dat nu nog op de kerk ligt, werd vervangen door dakpannen en de zolder werd een kopie van de Nijmeegse nieuwbouw.

Zo konden de communiteitsleden op 8 september hun klooster weer betrekken. De brand en de terug­keer werden in een kerkraam en in een raam van het claustrum vereeuwigd, maar wellicht wegens de symmetrie werd 8 september vervroegd naar 3 september en door deze geschiedvervalsing rijmde 3 januari op 3 september. De grote aanwas van kandidaten na de Tweede Wereldoorlog maakte opnieuw een verbouwing noodzakelijk.

In het najaar van werden op de zolder zeventien cellen voor de fraters gebouwd. In de volgende jaren steeg dat aantal nog iets, om daarna fors te dalen. In vertrokken de filosofiestu­denten en een aantal docenten naar Nijmegen. Om het klooster in stand te kunnen houden, werden de nieuw gebouwde cellen verhuurd aan Een stukje van het claus­trum of de kloostergang, omstreeks Archi­tect van het neogotische gebouw was Johannes Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt.

Pater Raymundus van Bergen , begaafd glazenier, woonde en werkte tot op hoge leeftijd in het klooster. Hij ontwierp een deel van de gebrand­schilderde ramen. Oud Zwolle uit de lucht. Kort daarop gebeurde dat met de hele tweede verdieping en wel aan Staatsbos­beheer, later aan de Algemene Inspectie Dienst en op het ogenblik huist er de Rechtbank Zwolle-Lelystad, Sector Civiel Recht.

Sinds is het onderhoud van de gebouwen in handen gelegd van een stichting. Tussen en had een restauratie plaats van de kerk, mede mogelijk gemaakt door subsidie van de stad en het rijk. Margriet Mein­dertsma, de wethouder voor bouwzaken, was de predikbroeders gunstig gezind. Bij haar afscheid schonk het klooster haar een ouderwetse juskom met het wapen van de orde en fraai met bloemen opgemaakt. De torenspits kreeg van de stad een blijvend spotlight, zodat het gebouw ook in de avondlijke en nachtelijke uren mede beeldbepalend voor de stad bleef.

Opleidingshuis Vanaf het begin was het Zwolse klooster een opleidingshuis voor jonge dominicanen en wel voor de driejarige studie van de filosofie.

Het program omvatte onder andere natuurfilosofie, logica, metafysiek, criteriologie oftewel weten­schapsfilosofie, geschiedenis van de filosofie en apologetiek of christelijke verdedigingsleer. Maar er waren ook vakken als Bijbelgrieks, Hebreeuws, inleiding in de bijbel, preekles, zangles en stemoe­fening. Daarnaast was er het koorgebed dat voor een groot deel door de fraters werd verzorgd en toch wel een uur of twee per dag in beslag nam. Het studium had een behoorlijk peil, al ging een deel van de leerstof boven de pet van een aantal studenten.

Dan was het verplicht wandelen: Oudere Zwollenaren weten nog hoe die zwart-witte koppels door hun stra­ten liepen. Als ze langs het ziekenhuis kwamen, zwaaiden zij steevast naar de langdurig zieken die daar lagen.

Ofschoon de fraters gedurende hun hele opleidingstijd tijdens de vakanties niet naar hun ouderlijk huis mochten terugkeren, hadden zij een paradijselijke vervanging in het buitenhuis Arni­chem bij het Haersterveer.

Zij gingen daar twee maal veertien dagen naar toe. Er viel te zwemmen, te roeien, te zeilen, te wandelen en veel te lezen. De bijdrage van de predikbroeders aan het stedelijk welzijn in de afgelopen honderd jaar lag voornamelijk op godsdienstig gebied en dan nog beperkt tot het rooms-katholieke deel van de bevolking. De rijke liturgie met verzorgde zang trok mensen van veel kanten. Toch was dit niet het enige. Het klooster lag in de druk bevolkte wijk Assendorp waar sinds met de komst van de spoorwegen naar Zwolle in snel tempo huisjes voor arbeiders werden gebouwd.

In dat klimaat waren de conferenties over sociale recht­vaardigheid die de paters op zondagen in hun kerk verzorgden, niet zonder gevolg, al viel en valt dat niet te meten. De zielzorgers stonden in ieder geval niet met hun rug naar de samenleving.

Dat bleek ook uit de conferenties voor niet-katholieken. Die begonnen in november in een van de zalen van het klooster voor een uiterst select gezelschap: De bedoeling was een objectieve uit­eenzetting te geven van de rooms-katholieke leer. De conferen­ties waren bedoeld voor niet-katholieken. Het eigen kerkvolk werd daarom nadrukkelijk ver­zocht weg te blijven. Het idee kreeg zeer spoedig navolging in veel andere plaatsen.

Dat dergelijke activiteiten vanuit het klooster mogelijk waren, was te danken aan het feit dat er in het klooster werd gestudeerd en dat men voor predikanten en mensen die lezingen konden ver­zorgen uit zeker arsenaal kon putten. Oecumenische gesprekken Ofschoon de conferenties het hele land bestre­ken en duizenden toehoorders trokken, hebben ze slechts enkele jaren stand gehouden.

Wat wél doorging, was een geleidelijke toenadering tussen protestanten en katholieken. De Tweede Wereld­oorlog bevorderde die toenadering, doordat men­sen van allerlei geestelijke pluimage in die jaren leerden met elkaar samen te werken. Vanaf tot zeker vonden er oecume­nische gesprekken plaats tussen de professoren van de Gereformeerde Theologische Hogeschool van Kampen en de patersdocenten van het Zwolse klooster: Het klooster heeft in combinatie met het nabijgelegen katholieke ziekenhuis een niet geheel onbelangrijke rol gespeeld bij de opvang van vluchtelingen, onderduikers en mensen uit de ille­galiteit.

Veel daarover is, ook in eigen kring, niet bekend. Degenen die in zulk werk actief waren zwegen als het graf, ook tegenover hun medebroe­ders en zelfs na de oorlog bleven zij uiterst karig met mededelingen over de rol die zij toen hadden gespeeld. Evenals in de Middeleeuwen was de kerk een openbare kerk. Ze was niet ingevoegd in het stede­lijk patroon van parochies. En evenals in de Mid­deleeuwen leverde dat irritaties op tussen paters en wereldheren.

Zelfs onder het roomse kerkvolk waren er vurige patersklanten en lieden die van de paterskerk niet wilden weten. Daar werd het volgende op gevonden: Dat gebeurde op 22 september Pater Alfons Voss werd de eerste rector. Hij werd een bekend gezicht in katholiek Zwolle, doordat hij gedurende lange jaren ook buiten het eigen rectoraat werkzaam Huize Arnichem aan de Vecht, gelegen aan de Doornweg, Haerst, begin jaren zeventig. Tussen en was dit het buitenver­blijf van de dominica­nen. De jonge fraters konden zich hier verpo­zen.

Voss was jarenlang de eerste rector van het rectoraat Thomas van Aquino. Collectie auteur Het Dominicusraam in de kerk, Dominicus pre­dikend voor een groepje mensen. Dit venster is ontworpen door pater Raymundus van Ber­gen. De grondgedachte erachter is tevens het ordedevies: Zo deden overigens ook andere paters.

Het zogenoemde Thomas-huis nam in deze fakkel over tot op de dag van vandaag. Zusters dominicanessen verhuisden van het A-plein naar het klooster. Dat gebeurde op don­derdag 2 januari in ijzige kou: De zusters brachten het jongerenwerk mee. Dat werd gehuisvest in de oude wasserij die vanaf ongeveer september van datzelfde jaar een gron­dige verbouwing onderging.

De ruimte op de begane grond werd bestemd voor de nachtopvang van daklozen, het Nel Banninkhuis. Op dit ogenblik is het grote kloostergebouw nog steeds bewoond door acht broeders. Twee vrouwen die geen kloosterling zijn maar zich sterk met de orde ver­bonden voelen, hebben zich metterwoon in het huis gevestigd.

Hoe het met ons allen verder zal gaan, nu de aan­was al jaren stil ligt, weet niemand. Het klassieke kloosterleven heeft, lijkt het, zijn aantrekkings­kracht althans in onze West-Europese landen ver­loren. Het vinden van nieuwe wegen in deze spiri­tuele sector behoort, om met Fernand Braudel te spreken, tot de geschiedenis van de middellange duur.

Schrijver dezes echter denkt maar zo: Zwolle en de dominicanen mogen overigens met enige trots terugzien op een samengaan waarvoor geen van beiden zich behoeft te schamen, integendeel. Zie voor een zeer korte beschrijving: Dominicanen in Nederland, Amstelveen, ; Monumenta Historica sancti pa­tris nostri Dominici, fasc.

Praedicatorum, Petitot en Vicaire geven de zin over het morgenlicht zonder te vermelden wie de auteur van deze vondst is. Het is net alsof Jordanus dat heeft neergeschre­ven. Wat niet zo is. Lambermond Sint Dominicus, vermeldt met citaat p. Wolfs, , sub III; G. Wolfs, 2, sub III. Mensema, Zwolle, ; 12 v. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil.

Kerkelijke instellingen in Zwolle en hun functioneren binnen de stedelijke samenleving tot , Zwolle, ; en De Dominikanen te Zwolle, Zwolle, ; Zie voor de tijd na de Reformatie: De Broerenkerk te Zwolle Zie noot 13 , blz. Wolfs, , sub V. Voor het hele verdere vervolg putte ik uit: Thuijs, Beschrijving van de Domi­nicanen-kerk en klooster van de H.

Thomas van Aquino te Zwolle, Zwolle, pro manuscripto en uit eigen herinnering. Marten Sikkema Op deze pagina van de eerste folder van de opleiding, eind jaren zestig, werd ondermeer gewezen op de goede en bovendien goedbetaalde carrièreperspectieven die de opleiding bood.

H et onderstaande is een historische schets van een instelling die in in Zwolle startte met een unieke middelbare dag­opleiding voor inrichtingsopvoeders. Deze oplei­ding groeide uit tot een school voor middelbaar sociaal en pedagogisch onderwijs en werd tenslot­te een belangrijke bouwsteen voor de Landstede Beroepsopleidingen.

Dit in nauwe samenwerking met het Historisch Centrum Overijs­sel. Heel wat van de bewoners van het eerste uur van deze wijk zijn reeds op leeftijd. Deze groep bewoners kan nu nog worden benaderd om het een en ander te vertellen over hun vroegere ervaringen in de wijk. Het blijkt dat ze daartoe veelal graag bereid zijn. In het kader van dit jubileum werd een reünie met oud-medewerkers georganiseerd.

Door de bovengenoemde Werkgroep Geschiede­nis is toen aan de oud-directeur van de Sprankel, de heer J. Dit gesprek vond plaats op 23 januari Behalve de heer Elbrecht waren ook aanwezig de heren Ten Cate en Sikkema van de Werkgroep Geschie­denis en de vroegere conciërge van de Sprankel, de heer Groothuis.

Het onderstaande artikel is op dit gesprek gebaseerd. Deze voogdijvereniging ging uit van de diaconieën van de hervormde kerk.

De toenmalige directeur, de heer G. In kindertehuizen en justitiële inrichtingen was er dringend behoefte aan goed geschoolde medewerkers van middelbaar niveau. In die tijd werden er medewerkers aangenomen zonder een specifieke scholing. Wel moest in diensttijd een opleiding kinderbescherming gevolgd worden.

In september werd hiermee gestart. Subsidie van rijkswege was er niet. Men was aangewezen op giften. De heer Elbrecht werd met ingang van 1 oktober aangesteld als directeur van de nieuwe instelling. Alles moest van de grond af worden opgebouwd.

Waarschijnlijk is gekozen voor deze naam omdat het woord sprankel of sprank associaties heeft met woorden zoals hoop en licht.

En daar­aan is in kindertehuizen wel behoefte. De heer Van Mourik werd de eerste secretaris van het bestuur van de Stichting de Sprankel. Op 5 september was de officiële oprichtings­datum van de school met als naam: Stichting de Sprankel, instituut voor vorming en opleiding van inrichtingsopvoeders.

De opleiding was in eerste instantie gericht op medewerkers van kindertehuizen en justitiële inrichtingen. Later kwamen daar ook schippersinternaten en gezins­vervangende tehuizen bij. Het was destijds de enige school in Nederland met deze opleiding. Er was geen geld voor een nieuw schoolgebouw, dus moest er gebruik worden gemaakt van bestaande locaties.

Men begon in het wijkcentrum van de Jeruzalemkerk. De docenten werkten op uurbasis voor de school. Ze deden dit naast hun baan elders. De heer Elbrecht weet zich nog te herinneren dat de gymnastiekleraar destijds twintig gulden per uur verdiende.

Alleen de directeur had een volledig betaalde aanstelling. Er was landelijk buitenge- In het voorjaar van werd de eerste paal voor het nieuwe schoolgebouw gesla­gen door de heer Van Mourik met helm , de initiatiefnemer tot het oprichten van de school.

Naast de heer Elbrecht met baard de inspec­teur van het onderwijs. Foto Henneke, parti­culiere collectie. Niet alleen de vooropleiding, Mulo-niveau, speel­de een rol bij de toelating. Veel waarde werd ook gehecht aan de motivatie van de leerlingen. Mid­dels een testgesprek rolden de gelukkigen eruit. Er werd gestart met in totaal achttien leerlin­gen. De volgende jaren was dit aantal niet veel hoger.

Er werd onder meer les gegeven in: Omdat de school een landelijke functie had en de leerlingen daarom ook uit het hele land afkom­stig waren, moesten ze in Zwolle worden gehuis­vest. De school heeft nooit als internaat gefunctio­neerd. Wel werden de leerlingen geholpen om een kamer te vinden.

De activiteiten in dit verband Directeur Jan Elbrecht in zijn werkkamer, Foto Prijt, particuliere collectie hebben na verloop van tijd geleid tot de start van de Stichting Studentenhuisvesting in Zwolle. Deze Stichting bestaat nog steeds. Alles bij elkaar genomen was de beginperiode met name voor de directeur een slopende tijd. Er moest veel worden geregeld, terwijl de omstandig­heden niet optimaal waren. Soms hadden de leerlingen ook persoonlijke problemen.

Gelukkig was de echtgenote van de. Ze wist er wel raad mee. Alleen in Amsterdam is nog een tweede prijs gevallen, ook weer op een inzending van een Indisch restaurant, nl. Ik vertelde al, dat Tant Truus geen enkel diploma heeft. Maar haar ervaring op kookgebied opge daan dateert al uit de tijd, toen ze nog als Truusje van Amade door het leven ging.

Op mijn veertiende jaar verloor ik ook mijn stiefmoeder. Ik zat op de M. We hadden zo'n gezellig ouderwets Indisch huis met een hele boel huisdieren, waaronder ook koeien, varkens en kippen. In verhuisde de familie van der Capel len naar Kederi, waar ze tot , het jaar waar in Paatje gepensioneerd werd, woonden. En hier verzorgde Tante Truus de feesten in de Sociëteit, maar pas in Bandoeng zou ze haar grote bekend heid krijgen. Tot de mobilisatie in toe, toen de C. Centrale Organisatie Vrouwen in Mobilisatie werd opgericht en Tante Truus aan gezocht werd cursussen te geven voor het koken in het groot.

En ook deze taak pakte Tante Truus weer op de haar eigen originele manier aan. Ze kreeg de aula van het Lyceum voor haar cursus aangeboden, maar ze vroeg de keuken van de resi dentswoning en richtte daar op het 3 meter lange aanrecht een complete tentoonstelling in van bij de Europeanen vrijwel onbekende of niet geliefde in heemse producten. Voorts had Tante Truus een maaltijd bereid bestaande uit een voor gerecht, soep, hoofdschotel en toetje. Onder de eer ste groep dames bevond zich ook de echtgenote van Generaal Berenschot.

De eerste, die een aanmer king maakte was Mevrouw Berenschot: Dat hoeft U ons echt niet meer te leren! En zo ging het verder: Tante Truus heeft altijd met de producten van het land gewerkt en kon hoofdzakelijk daardoor zo goedkoop een lek ker maal bereiden. Ze kookte toen voor 85 jongens en mocht per persoon niet meer uitgegeven dan 0,05! Het werd zo'n succes Tante Truus en Paatje in de gaarkeukentijd, toen ze de zorg hadden «. Iedere dag werd een ton groente verwerkt. Links ziet U Tante Truus en Paatje temidden van enkelen vn hun helpsters en helpers, vlak nadat de langganans hun voorraden hadden afgeleverd.

Met de bakoel n de hand isLcika Tompcssi. Deze gaarkeuken bestond eigenlijk uit niet veel meer dan een afdakje tegen een muur aangebouwd heel primitief dus maar. Hechts een kijkje in die ruimte, waar iedere dag weer die enorme hoeveelheden werden verwerkt. Later kreeg Tante Truus een betere outillage, eenspeciaal voor haar in T-vorm gebouwde keuken.

In de korte poot van de T bevonden zich de kantoren, waar Paatje zetelde en de voorraadkamers, terwijl Tante Truus de scepter zwaaide over de keukens, die in de lange poot van de T waren aangebracht. De vorm van de verzen is heel eenvoudig, bijna steeds de strofe van vier regels, met een rijm zo eenvoudig als het maar kan. De woordkeuze is bijna eentonig, zo nu en dan is de realistische tekening niet zonder symboliek en steeds zit er het persoonlijke heimwee achter, ook het eigen hart vindt aan het hart van Friesland geen durende rust.

Benauwde nachten ver van 't vaderland, van moeders kluis, Ontsteken in 't Friese hart een felle brand, Heimwee naar huis. Bij dag slaat- hem de onrust in het bloed De vreemde verten lokken: Ook als hij aan de vrachtrijder denkt Yüe't '35 voelt hij zich zelf buitenstaander.

De retorische uiting kan de pijnlijke dis tantie niet bemantelen, als hij eindigt: Rijd rustig door bij 't ruischen van de tuinden, Waar eenzaam in de nacht de boereplaatsen staan: Want 's levens zuivere geluk te vinden In 's levens simpel pad te gaan. En mogen als bewijs ten overvloede de eerste en laatste strofe van het eerlijk zelf portret "Balling" Y. Wij vonden wilde ruiters op de kust In Vaders huis noch Frieslands velden rust: En roekeloos met eigen lot en dagen namen de vlucht als keus en luien land en magen.

Dit is allemaal geen zuivere dichtkunst en toch zal niemand zeggen pose, aanstellerij. Het werk overtuigt, het bloed slaat wild door de gebrekkige vormgeving heen. Haitsma wist van gespletenheid, verscheurd heid. Ook zijn geloof liet hem geen rust, maar daagde hem uit. Alle kontakt van de kant der mensen was verspeeld.

De vloek, de bede, de kreet van het moderne hart Haitsma wist er van. Wanneer hij zijn jeugd vaarwel toeroept in "Tritich" in in "In us eigen tael" zegt hij daarover: Wij leven op het keerpunt van de tijden: De onrust van de wereld doet ons lijden, waarin de duivel zelf het leven drijft.

De dynamiek van het demonische houdt natuur en de mens in zijn macht. Haitsma schildert een onweersbui op een broeierige middag, maar geen lieflijk voorjaarsbeeld. De herfst vol heimwee, bij tijden regent het fel, maar de stekende zon blijft weg.

Het "Oude jaar" inspireert hem, als "de ver scheurde wolken door de lucht jagen en met sneeuw en water smijten zonder end. De "Kerk" is niet een plek van vrede en blijdschap: En "de onderwijzer" Yüet '39 43 is niet de levensblije pedagoog, maar de onbegrepene in de dorpsidylle, die door duivelse visioenen gekweld wordt en ten slotte in het gesticht in Franeker terecht komt.

Nog aan het begin van de oorlog stierf als "tawanan" in Tjilatjap de Fries Nyckle Haisma. In dit artikel tekent J. Piebenga inmiddels overle den op een wijze, die alleen wij, Indischgasten, volmaakt begrijpen kunnen, hoe Heimwee een mens kan bouwen tot een nieuwe grootte. Al was Haisma's heimwee "in omge keerde richting", hij denkt, voelt en leeft precies als wij. Het artikel was oorspronkelijk ge schreven in het Fries we kregen het toegestuurd van de immer waakzame Mevr.

Assendelft-Teunissen en op eerste oproep reageerde we derom een vrouw: O Heuvel- Swierstra bij Tong Tong blijven de meisjes nummer één!

Heuvel is van s. Djèwèng bij Djombang, een nog steeds actieve, studerende vrouw, houdt van dieren hondje: Brandall , was lite- ratuur-resencente van het A. Toen we haar vroegen wat met "de vrachtrijder" bedoeld werd zie het eerste gedicht , verklaarde ze heel gewoontjes: Dat is onze Pesuratan! Eens, telefo nerend met een professor in de taal wetenschappen, onderbrak deze het gesprek en vroeg: Ik merk het aan Uw uitspraak! Ook dat hoor ik aan Uw uitspraak!

Ach, wat een charmante "spekkoek" is mevrouw Heuvel: En wat óns betreft: In kwam Haisma met studieverlof in Nederland en ging in Leeuwarden wonen, met het doel om hier te blijven, zo dit lukken wilde. Maar hoe langer hij hier ver blijft, hoe meer hij naar het tropische land verlangt. Hij haalt de akte Engels M. ULO school en in verhuist hij naar Bandoeng voor de gezondheid van beide kinderen. Hier maken ze de oorlog met Japan mee en al spoedig komt Haisma in een krijgs gevangen kamp terecht, eerst in Bandoeng dan in Tjilatjap, hij sluit zich aan bij een kleine groep Friezen en zet zich weer aan het schrijven.

Bloembergen die met hem in dit kamp verbleef, heeft ervan ver teld in "Frysk en Fry" van 20 december hij schrijft: Een typerend beeld dat ik nooit vergeten zal wil ik daarvan weergeven. Haisma lag met veel van zijn dienstkame- raden in een lokaal, al hun slaapzakken lagen op de grond dicht tegen elkaar aan. Zijn slaapplaats was wel de meest nette van allemaal en te midden van het grootste lawaai kon men dan onze dichter en schrij ver plat op de grond vol overgave en ge- noegelijk bezig zien.

Met een stukje potlood in de hand en een schrift voor zich, werkte hij aan zijn novellen en gedichten waar hij toen aan bezig was. Een stukje rust, ernst en aandacht in de triviale sfeer van het kamp dat hem wel leek te inspireren. Hais ma is heel gelukkig geweest met deze gave. In vier dagen gezond en weg.

Op 22 februari is hij ter ruste gegaan, vijfendertig jaar oud en door zijn kamp- vrienden is hij begraven in den vreemde, maar tegelijk zijn tweede vaderland.

De novelle Zomer die hij in in het kamp geschreven had, met wat gedichten kwam nog als nalatenschap het is allemaal op genomen in de "Tsjerne" jaargang , maar de beide handschriften van een Friese roman, waar hij al lang mee bezig was ge weest en die hij uit het kamp naar zijn vrouw wist te krijgen, zijn verloren geraakt. Wij die met alles al blij zijn, die nooit van rijkdom van Friese kunst-schepping hebben kunnen spreken, moesten ook deze bewij zen van Haisma's geest missen, wie weet of het niet zijn beste werk was.

Haisma was geen dichter, maar een proza schrijver, zijn beide jongensboeken, "Zo merdagen" en "De Kar" verschenen in en , maar al voor zijn Indische tijd geschreven bewijzen dit duidelijk, kin derboeken zijn het feitelijk niet eens, mo gelijk dat de ouderen ze nog liever lezen dan de jongeren, die de fijne sfeer teke ning, de stille humor en de bijna weemoedi ge gedachten die uit de woorden spreekt, maar al te vaak ontgaan.

Friesland van zich af schrijven en tegelijk naar zich toehalen, dat deed hij ook al in deze boeken. Hij heeft niet veel snaren op zijn viool, maar hij weet er een diepe toon uit te halen, die niet mis te verstaan is en die men uit honderd andere herkent.

In kostelijke staaltjes van vertel- en beschrij vingskunst is "De reis naar Beppe" in "For I I I 1 9 3 6 e e n s e r i e b u n d e l t j e sit Frijske Folk" III een serie bundeltjes volkslectuur van het Christelijk Fries Ge zelschap, waar hij trouw aan meewerkte.

Als Fries schrijver is Haisma onder het volk het bekendst geworden door zijn romans "Paed oer 't Hiem", en "Paed nei eigen Hoornleger", en tesamen in een deel onder de titel "Peke Donia de koloniaal", uitgegeven. Eindelijk wat anders, meer nog van stijl en Lees verder volg. Hij is de eerste geweest, die het enor me belang dezer gegevens voor latere generaties in gezien heeft, deze vrijwel zonder hulp of financiële steun heeft bijeengebracht en door de druk voor een ieder toegankelijk gemaakt.

Bij ons onderzoek naar de familie Hamard de la Brethonière misten we de laatste rustplaats van de vrouw van Pierre Junior, die niet op hun fami liekerkhof te Salatiga is bijgezet, doch die we aan troffen op een ander particulier kerkhof, op het vroegere land Peterongang in de kampong Wono- dri Djomblang, tegenover de Passar te Semarang. Dit zijn de nakomelingen van een Hollandse scheepskapitein, uit de Ie helft der 19e eeuw, die bij zijn terugkeer naar Patria, twee dochters en een zoon achterliet.

Mijntje, gehuwd met Henri Theo- bald Nagel, geb. Uit hem sproot een uitgebreid nageslacht, 9 kinderen waarvan wij noemen: Remeeus te Klatèn, zélf weer vader van 16 kinderen, J. Remeeus, stalmeester van den Sultan te Jogja, Carl A. Remeeus, ambtenaar aan de Kra- ton ald. Laurens Nagel, ambtenaar N. Ten tweede hebben we Goenocng Mlaja of de Johanncsheuvcl, ten Z. Uit de verte gezien lijkt deze op een soort imitatie van de Acropolis, een gewelfd stenen dak rustende op 8 zuilen.

Helaas schijnen in het begin der 30er jaren all marmeren grafstenen uit de monumenten gelicht te zijn. Deze Armenier, had een enorm fortuin bijeenge- kregen door het pachten van de transportdienst van Semarang naar Kedoe, niet zozeer door het vervoer van de gouvernementsprodukten als koffie en zout, maar meer door 't clandestien overbrengen van allerlei zaken voor particulieren. Wegens de af te leggen grote afstanden, konden de paar den slechts licht worden bepakt, weshalve Johan nes een proef ham met kamelen, die hij liet uitkomen met verzorgers.

Deze proef mislukte ech ter, daar de kamelen holle hoeven kregen en kreu pel werden. Later werd Johannes pachter van de opiumhan- del, hij woonde in het grote huis, waarin later de Neutrale School aan het Wilhelminaplein te Boe- loe gevestigd is.

Als hij zorgen had, beklom hij de vanuit zijn huis zichtbare heuvel, van welks top hij de zee kon zien. Hij verwierf de eigendomsrechten, en wenste dit plekje als laatste rustplaats voor hem en zijn naaste familie te gebruiken, daar hij niet op de Israëlitische begraafplaats op de Bergotta- heuvel, waar ook een deel voor de Armeniers was afgezonderd, wilde rusten.

D, Johannes gehuwd met C. Manuel, waarover hieronder uitvoeriger, de man zelf of een nakomeling van hem was, en of er onder de lange lijsten Johannes'sen in Kleian's adresboek nog afstammelingen van hem voorkomen, bleek niet uit te maken.

Onder de naamdragers Johannes zijn ongetwijfeld vele Armenen, die zich niet meer met de opium- pacht, maar meer met bioscoop-exploitatie occu peren. In Soerabaja leefde in de 30er jaren een familie van dien naam, die van zuiver Armeense afstamming was, maar niet recht wist of zij nu kleinkinderen of achterneven van de grote Johan nes waren. Voorzover wij dit konden nagaan, was de afstamming als volgt: Amirgan Johannes te Ispahan, gehuwd met Martha Paulus.

Een inspecteur van de S. Ik verlang een kort, zakelijk rapport en geen novelle". Een paar dagen later zefte een [linke bandjir de spoorbaan onder water. Dschulsa is zuiver Ar meens, en telt 10 orthodoxe kerken, een Kathe draal, 2 kloosters en enkele seminaria.

Een zoon van Amirgan, op Java genoemd Johny Jo hannes, geb. Dschulfa huwde Maria Amelia Augusta Heinzelman, geb. Uit dit huwelijk diverse kinderen. Ten derde vindt men op de heuvels te Bangkong in kampong Wonodri Djomblang, op het voorm. Hierover in ons volgend nummer meer wordt vervolgd Errata Addenda. Als wij een opstelletje over een of ander persoon of geslacht brengen, beelden we ons niet in, we daarmee alles gezegd hebben wat over het bewus te onderwerp te vertellen is.

Integendeel, het is juist onze bedoeling, onze lezers hunnerzijds met aanvullingen en verbeteringen komen, alleen er is zoveel stof, dat we maar zelden een uitgebreid 2e artikeltje kunnen geven, desondanks zou het jammer zijn, al die binnenkomende gegevens maar rustig in onze dossiers te laten verstoffen, ook al met het gevaar, dat latere generaties teruggrij pen op ons artikel en menen, dat Navorser wel alles medegedeeld zal hebben, wat te ontdekken was.

Zo kregen we bijv. Toen de koffiekoning vroeg, de afstammelingen van Médard uit te slui ten, geschiedde dit vermoedelijk op grond van diens gemengde huwelijken en erkende kinderen. Médard, was evenals zijn broer Adolphe in Europa opgevoed, en een verdienstelijk violist. Op hogere leeftijd erkende hij van de Inl. Marie, haar halfzuster, huwde met G. Deibel, opzichter bij het Boswezen te Ngawi, waaruit 2 of 3 zoons. Onze berichtgeefster eindigt erg optimistisch met: Wolff, overleed te Salatiga Pierre huwde te Salatiga Marthe Darue, overl.

De vrouw van de schout van Solo, was niet Amélie, maar Agatha volgens onze zegsvrouwe zou zij een dochter van Médard zijn, en een broer gehad hebben Co of Nicolaas, gehuwd met Mej. Carolus huwde Salatiga Maria Anna, huwde Salatiga Voorts vonden we de geboorte van Gérard, te Salatiga op en van Louis, geb. Een dochter van de stamvader was verm.

Ten slotte vonden we nog Anette Emilie geb. Sa latiga , en Willem aldaar geb. Pierre junior had bij de Jav. Gezien deze talrijke gegevens, vertrouwen we, dat een lid der familie deze nu eens in één stamboom verwerkt, doch in elk geval zijn ze hier dan voor lopig vastgelegd. Voor abonnees en niet-abonnees geldt het tarief 8,50 met een maximum van r e g e l s p e r o p r o e p a a n v r a a g.

In militie dienstplicht getreden in te Magelang. Ben op zoek naar Hr. Westhof, roepnaam Nono, getr. Jacqueline Stratman-Clarenbach zoekt con tact met haar jeugdvriendin Josephine Eybergen, geb.

Samen waren ze leerl. HBS te Medan v. Het laatste contact was in Haar lem of Castricum. Wie is in Bersiapkamp Poespo geïnterneerd geweest en voor hoe lang? Ruud Zevenhoven zoekt contact met George Jansen, laatst wonende Jl.

Nancy Tembelaka zoekt contact met school- collega's v. Gubeng en Zaalbergschool te Surabaya. Ikan Lumba-lumba 17, Surabaya Ik zou graag in contact komen met mensen die wat meer zouden kunnen vertellen over de schilder Henry van Velthuysen, geb. Babs Teillers zoekt een vroeger buurmeisje Liesje Schwarz. Ze woonde in de Van Neckstr. Ze heeft 2 broers Jan en Dolf en nog een zuster wiens naam ik niet meer weet. Graag schrijven of bellen naar J.

Daarna diende ik bij het KNIL bat. Andjing Nica in Bandoeng e. Wie heeft mij in de periode gekend c. Deze oproep geldt niet voor personen met wie ik reeds contact heb.

Voor mijn moeder zoeken wij haar moeder, broer en zuster mijn oma, oom en tante of mensen die ons kunnen helpen met het zoeken naar hun verblijfplaats. Naam van haar moeder is Ibu Warsikum, getr. Ik zoek Rudy Gonta, getr. Maud Schilling, dochter v. EN Den Haag of tel. Rudi Paulus zoekt contact met vrienden uit Yogya, Semarang, Bandoeng.

Koppenol, gewoond hebbend Betek, Malang. Reünies Planterskinderen uit omgeving Malang O- Java hielden Indien mogelijk hopen wij weer een planterskin deren reünie te houden in het voorjaar van en wel voor West, Midden en Oost-Java.

Wie van de planterskinderen uit Midden- en West-Java wil met ons samenwerken om de volgende reünie te doen slagen? Zaterdag 26 juni in Bronbeek Arnhem. Kumpulan te bestellen door I c o n s u m p t i e o povermaking van f 25,— incl. Comité Birma-Siam Spoorweg te Woudenberg vóór 10 juni a. Nadere informatie bij B. Ex-krijgsgevangenen en Nabestaanden Japan houdt op zaterdag 19 juni a. Aan wezig zal zijn o. De inlei ding zal worden verzorgd door mw. Zaterdag 5 juni in de 'Expo'-zaal v.

Beatrixgebouw Jaarbeursplein in Utrecht. Ook u bent van harte welkom op dit altijd heel gezellig feeste- venement met volop goede dansmuziek en TïNE, diverse mooie show-opvoeringen. Kaarten nu reeds in voorverkoop verkrijgbaar door stor ting op postrek. I t o tf" Minimum 10,-van I tot rf ƒj 3 regels; per regel meer,. Maximaal aantal regels 6. Voor advertenties onder nummer 2,40 meer voor toezenden van ont vangen brieven.

Voor toezenden brieven onder nummer naar het buitenland totaal 5,50 meer. Bij brieven onder advertentienummer: Wie wil er in een groepje min. Welke opgewekte, gezonde Ind. Intern, ruime slkmr, voll. Ik zoek iemand die op synthesizer de bekende Indische en Indonesische liedjes kan spelen. Tom Poes boek ca. Maja Pahit 3A, Malang, tel. Proficiat lieve Paps Ferouge met uw 81ste ver jaardag en nog vele gezonde jaren toegewenst. Uw liefhebbende kinderen en kleinkinderen..

Aalders, hoofd afdeling personeelszaken van de gemeente Rotterddam. Zij zijn nauwgezet, niet recalcitrant en altijd bereid samen te werken. De bedoeling van de folder is: Er werkt ongeveer achttienduizend man personeel bij de gemeente. Aalders werd zestig jaar geleden geboren in Kampen. Hij ziet er uit als een sportieve achten veertiger.

Een gemoedelijk man met gevoel voor humor. Na zijn studie Indologie in Leiden ging hij, in , als B. Hij werd aangesteld als adspirant-controleur in Pontianak op Borneo.

De heer Aalders werd verschillende malen overgeplaatst en zo kwam hij onder meer terecht in Sinkawang, in het uiterste westen van de wester-afdeling van Borneo. Deze streek was in die tijd economisch zeer bealangrijk.

Er zaten zo'n zestigduizend Chinezen, niet alleen handels- lieden, doch ook vele landbouwers en werklieden. In vertrok dr. Aalders voor twee jaar naar Java, waarna hij werd overgeplaatst naar Djambi. In vertrok hij voor een half jaar verlof naar Holland. Na zijn terugkomst werd hij aanvanke lijk te Tjilatjap geplaatst.

Kort daarop werd hij resident-secretaris van Japara-Rembang. Van tot eind was hij controleur van het district de Lampongs. Het aan de schrijftafel gebonden be- stuurswerk beviel hem op de duur niet, zodat hij dus met vreugde in het hart gevolg gaf aan de op dracht, die hem een controleursplaats in de Lam- pongse Districten aanwees.

De Lampongs vormden namelijk het grootste pepercentrum van de wereld, waar vooral in de oogsttijd alles pc per was wat de klok sloeg. Eind ging de heer Aalders terug naar Hol land. In kreeg hij een studie-opdracht van de Indische regering. In werd hij hoofd van de afdeling personeelszaken van de gemeente Rotterdam. Men wilde een poging doen alle onder nemingen in een bepaald verband onder te bren gen, zodat men sterker zou staan tegenover de zich ontwikkelende arbeidersbeweging.

Aalders bleef slechts een half jaar in Indonesië. Hij voelde zich er niet meer thuis. Het werken was voor mij in feite onmogelijk geworden. Hij heeft juist een jaar van hard werken achter de rug. Een jaar van bespreken en berekenen en rapporten schrijven. De ambtenaren op week loon gaan binnenkort over op maandloon.

Voor de huisvrouw is het niet zo eenvoudig direct van week- op maandloon over te schakelen. Dit be zwaar hoopt het gemeentebestuur op te vangen door het uitkeren van een extra weekloon. Aalders, hoofd personeelszaken van de gemeente Rotterdam, ambtenaren kunnen bovendien een voorschot van 75 gulden opnemen. Zij kunnen dit dan op lange termijn terugbetalen. De voordelen van de nieuwe maatregel zijn voor de gemeente niet gering.

Het uitbetalen van loon eens in de maand spaart enorm veel tijd en daardoor indirect ook personeel. Dit kan Rotterdam met zijn personeelstekort best ge bruiken.

Aalders houdt zich niet alleen bezig met loon- methodieken en het toepassen van bezoldigings- maatregelen. Het gemeentepersoneel valt niet onder de sociale wetten van het Rijk, zoals bijvoorbeeld: Rotterdam treft dus zelf regelingen, die parallel lopen met deze sociale voorzieningen.

Het ligt in de bedoe ling van de gemeente op korte termijn de vrije zaterdag in te voeren. Economisch heeft dit van zelfsprekend enorm grote bezwaren. De verschil lende diensten nemen nu proeven met nieuwe werkroosters om deze moeilijkheden zoveel moge lijk op te vangen. De algemene ontwikkeling gaat in die richting. Wij hebben vorig jaar augustus een com missie ingesteld om te onderzoeken wat de gevol gen van de invoering van de vrije zaterdag zouden zijn.

Men is nu bezig te trachten deze eventuele gevolgen zoveel mogelijk te ondervangen, onder meer door het mobiliseren van latente reserves, die in élk bedrijf tot op zekere hoogte aanwezig zijn.

De behoefte aan een vrije zaterdag leeft zeker wel. Het is prettig voor de mensen twee aaneengesloten dagen vrij te hebben. Sollicitanten vragen er trouwens naar.

Deze stad geeft per jaar alleen al Een zeer groot deel hiervan gaat naar de personeels advertenties. Rotterdam kan onder meer ingenieurs, verpleeg sters, tramconducteurs, bankwerkers, timmerlieden en administratief personeel gebruiken. De gemeen te tracht het werken in deze dynamische stad nog aantrekkelijker te maken door hulp bij het ver krijgen van een woning in het vooruitzicht te stel len.

Wie zich daarvoor nog niet heeft opge geven, kan dit alsnog doen bij: Emanuel Barnsteenhorst Den Haag Tel. De kosten voor de avond, die om Er bestaat ook de mogelijkheid deel te nemen aan het diner dat om 18,30 begint a raison van nog eens 3,50 p. Het initiatief daartoe werd geno men door: Een datum is nog niet vastgesteld en er hoeft nog niets betaald te worden. Het gaat er voorlopig alleen maar om, dat er zoveel mogelijk namen en adressen van oud-leerlingen en -leraren verzameld worden.

Geef U dus zo spoedig mogelijk op en maak ook vrienden en vriendinnen, die o, schande, daar moet iets aan gedaan worden!

Ik was apo theker-assistente in Kediri. Rondom lagen de suikerfabrieken en zo van tijd tot tijd kwam er een employé afzakken. Op een ochtend kwam Mr. Hij was een buitenlander, gezellige prater, maar hij sprak zeer slecht Hollands. Zijn maleis was on berispelijk, maar dat gekke Hollands neen dat luk te nooit! Maar de Hollanders zelf mocht hij wel, en als hij in de apotheek kwam babbelden we hon derd uit.

Op een dag was hij ziek, mopperde wat, was naar de dokter geweest en bracht een recept. Het recept werd klaar gemaakt. De chinees gaf mij de fles, ik nam een etiket en vroeg: Ik hoorde enige weken niets.

Daar, plots in de vroege ochtend rende zijn paard het erf op. Hij sprong er af, was woedend; hij stormde de voor galerij op en brulde: Het is verheugend dat zoveel figuren uit het oude Indië meehelpen deze stad te doen groeien en bloeien. In ons artikel van 31 oktober stelden we de vraag: Zijn de Di Monti's uitgestorven?

Hierop kwamen van on ze lezers velerlei reacties, mededelingen, foto's etc, alleen de naamdragers zélf reageerden niet. Waar we echter wèl hunne adressen hier te lande verkregen, wachtten we helaas tevergeefs op ant woord op onze brieven, wat oorzaak werd, dat het door ons geprojecteerde, aardig geillustreerde artikel in ons Kerstnummer, moest uitblijven.

Een paar vriendelijke dames, die zich beijverd hadden ons foto's te zenden, vroegen die weer terug, en, waar wij het artikel toch niet behoorlijk konden afsluiten, zagen wij geen reden deze terugzending nog langer op te houden. Er is zovéél belangrijke stof voorradig, en als nu de familie zélf zo dui delijk blijk geeft, van niet het geringste belang in haar historie te stellen, kunnen we ons beter ont houden. Wij besloten ons dus te beperken tot een kort entre-filet, waarin de ons bekend geworden gegevens opgenomen zouden worden, mitsgaders een opgave van de adressen van de zwijgzame naamdragers, voor het geval, anderen vroeg of laat verder willen speuren.

In ons nummer van vroeg de Malakka-erfenis te veel ruimte, om er plaats voor te laten, en zo besloot Navorser in overleg met de redactie nog éénmaal de oesterach tige naamdragers aan te schrijven wat helaas geen resultaat opleverde!

Maar ja, ons werk heeft naast zijn downs toch ook zijn ups, en eind januari dwarrelde op onze schrijftafel een brief van een, ons tot dusver vrij wel onbekende naamdraagster, die we in Tjepoe waanden, en die ons over de état présent inlichtte.

En zo zijn we dan nu in staat, al is het door het gebrek aan medewerking van enkele nog levende naamdragers niet zo volledig als wij wel wensten, tóch een redelijk overzicht der familie Di Monti in de 20e eeuw te brengen. Maar nu ter zake: Zijn voorkin deren waren Wilhelmina Francoise tante Fransje overleden , gehuwd met George Nolson, en misschien Willem, de ordonnans van de Sultan, waarover hieronder.

Uit het huwelijk van L. Jeannette, gehuwd met Bernard H. Tandjong Tirto, later te Bandoeng, waar hij in overleed. Na het overlijden van Jeannette a hertrouwde hij met haar zuster b Hermien of Wil helmina bij Kleian vermeld als L.

De 3e dochter was c Adèle, gehuwd met Gerrit Willem Wiegers niet Wichers, zoals de vorige op gave luidde , Chef-opnemer van het Boswezen, we duwnaar van ook dit huwelijk bleef kinder loos. Zowel de heer Wiegers als zijn vrouw overleden in juli in het Bersiapkamp te Poerworedjo, en zijn daar begraven. Ten slotte d Charles Dimonti, geb.

Weiss on derneming Kradjegan te Solo. Dit huwelijk werd door de Rechtbank te Semarang op ont bonden, waarna hij op te Solo hertrouw de met zijn nichtje Flora Flohr, geb. Uit het Ie huwelijk sproten: Elvire Hortense Eveline DiMonti, geb. Poer woredjo , thans te Amstelveen.

Zij huwde te Solo , Gerard Hofman, geb. Ternate , overleden in machi nist Sf. Louis Eugène Di Monti, geb. Hij huwde waaruit één kind. Hij is de stamhouder der familie. Uit het 2e huwelijk van Charles met Flora Flohr sproot: Arthur René DiMonti, geb.

Solo , thans te Bandoeng. Nam de Indonesische nationaliteit aan, is invalide en ver vroegd gepensioneerd. Uit zijn huwelijk met een Indonesische vrouw, sproot een zoontje, waarover verder niets bekend. Nu keren we terug tot de ons verder vrijwel on bekende Willem, die Ordonnans van de Sultan was. Hij is vóór overleden, wellicht veel vroeger, daar zijn echtgenote in alleen ver meld staat als koekbakster, haar spekkoek schijnt beroemd geweest te zijn.

Zij is de dame met het kindje op het bij ons vorig ar tikel afgebeelde kopje. Lotje, zoals zij genoemd werd, had 3 kin deren: Waterstaat, met uitgebreid nageslacht. Een andere correspon dente noemt ook nog ene Marie Anthonio, gehuwd met H.

Daarnaast hadden Oom Willem en tante Antje nog een zoon, nl. Henricus Fredericus DiMonti, geb. Hij huwde te Jogja met Wilhelmina Frederica Engelina Keiler, welk huwe lijk op ontbonden werd.

Kort daarop her trouwde hij met Honoria Doralize Haverwey tan te Dora , geb. Uit dit huwelijk sproten: Amelia Constance Stans DiMonti, geb.

Jogja , werkzaam aan het kadaster te Djakar ta. Johannes Willem Willy DiMonti, geb. Jogja , oud ambtenaar B. Meerdere foto's van tante Antje, zijn nog in het bezit harer achterkleindochter Mw.

Hoeke-de Veer, Slotermeer bij Amsterdam. Wij vermelden hier graag de bijzondere medewer king van de Franse Consul op Mauritius M. Pierre de Sornay, auteur van een historisch werk over het He de France, die zich zeer veel moeite gaf nog iets naders te vinden over de komst der Sanso- vani's op dit eiland. Behoudens drie naamdragers, die we tot dusver niet konden plaatsen, is de puzzle nu compleet. Dimonti, vermeld in Kleian in Salatiga. Os te Semarang id. Misschien zeggen deze gegevens onze lezers iets meer dan ons, wij konden geen verband ontdekken, en vragen ons af, of dit geen Weynschenk is geweest, waarvan v.

Desondanks achtten wij het onze plicht, ook dit gegeven even vast te leggen, opdat de bedoeling der inzendster tot zijn recht komt. Kom gauw naar binnen. Na zoveel jaren gaan we nog eens onze klas binnen. Weet je nog, het gebouw op Tjikoedapateuh, waar je de trein zag stoppen aan het stationnetje, als je op het gym-veld sport en spel had?

Zie je jezelf nog dol-blij de Papandajan- schoot verlaten, diploma-op-zak? Dat alles is niet zomaar voorbij, het is er nu nog. De bel, de bel! Kom, op naar de reünie! Geef uw naam en adres op aan: Burger, Waldeck Pyrmontkade 70, Den Haag, tel. Hoe denkt u ouer zondag 2 of 9 juli a. Zelfs in een Australische fruitfabriek In de Cannery. Maar nu niet bij de pines, de ananassen, maar bij de peaches.

Lekkere sappige peren met een cream en rosé schil. We mogen er net zoveel van eten als we willen, waardoor we ze na zo'n hele morgen niet meer kunnen zien. Met z'n vieren staan we om een grote bak, waar uit we in een zeer snel tempo telkens een peach moeten nemen om die te ontpitten. Allemaal heb ben we een kaartje met nummer en naam op ons gummischort gespeld. Dat van mijn buurvrouw is half verborgen onder de kraag van haar jurk.

Ter- sluiks neem ik haar eens op. Ze is groot en blond. Ik schuif wat dichter naar haar toe om de naam op het kaartje te kunnen ontcijferen. Van Een Hollandse Als het geraas van de machines even vermindert en we moeten wachten op een nieuwe bak met vruchten, begin ik vrouwelijk nieuwsgierig een gesprek. Wat een toeval Dus óók oud-Soerabaiaan. Nu, ik heet Tilly hoor. Kreumer, vm, landstormsoldaat, stb.

Wie heeft foto van en inform. Hij heeft in de suiker gezeten Djati Roto en heeft later gewerkt bij de pestbestrijding en bij de Staatsspoorwegen. Siwy in Ujung Pandang Makassar zoekt contact met Mw. De vader van mw.

...




Meisje vingert zichzelf klaar leraar neukt leerling

  • Toen staatssecreta­ris Veerman in mei de school bezocht, was net de toestemming afgekomen om met de beide bovengenoemde nieuwe opleidingen te mogen beginnen. Als kleine hummel, nauwelijks een jaar oud, vertrok hij met zijn moeder en tweeling zusje naar Holland.
  • Gratis sex drenthe sex spellen nl
  • 482
  • 120
  • 964





Gratis sex in twente lekker kaal kutje


Onze dames zullen altijd zeer discreet langskomen! Wij hebben dames van 21 jaar tot eind 40 jaar. Neem eens een kijkje op onze website voor een actueel aanbod aan dames.

Na veler verzoek ga ik dan toch weer in een BDSM studio privé sessies houden. Wil je graag een slavensessie ondergaan? Dan ben je hier aan het juiste adres! Ervaring is geen pré. Het gaat erom dat we beiden het spel leuk vinden en dat kan op beginnend niveau zijn alsook op ervaren niveau. D e Roopoort vormt de verbinding tussen de Burgemeester van Roijensingel en de Parkstraat.

Vanaf de singel is de weg alleen maar toegankelijk voor fietsers en voetgan­gers. Onlangs werd een aantal nieuwe woningen opgeleverd aan de Roopoort. Een van de eigena­ren vroeg zich af hoe de Roopoort aan zijn naam gekomen was. Daar wordt in dit artikel nader op ingegaan. De geschiedenis van de Roopoort gaat zeker drie en een halve eeuw in de tijd terug. Op de kaart van Joan Blaeu, die uit circa dateert, zien we ter hoogte van het bolwerk De Suikerberg waar nu de Potgietersingel ligt , aan de overkant van de stadsgracht een weggetje lopen.

Dit weggetje begint op het punt waar de singel met een dubbele rij bomen beplant is. Het weggetje loopt vanaf de stadsgracht haaks naar links en vervolgens naar rechts. Het volgt daarmee exact de huidige loop van de Roopoort en de Wes­terstraat. Deze namen waren uiteraard destijds nog niet bekend.

Het gebied rond dit weggetje was nog onbe­bouwd. Om de stad lagen uitgestrekte landerijen. Blaeu heeft dat aangegeven door hier en daar een koe in te tekenen. In de achttiende eeuw veran­derde de situatie. De binnenstad raakte vol. Assendorp vond toen de meeste nieuwbouw plaats. Omdat er geen vaste oeververbinding was vanuit de Luttekestraat naar de huidige Burge­meester van Roijensingel, bleef bebouwing aan deze zijde van de stad aanvankelijk achterwege.

Komende vanuit de Luttekestraat kon je de stads­gracht alleen maar oversteken met een pontje, het zogeheten Luttekeveer. Rond Zwolle stonden tal van havezaten en buitenplaatsen. In de Kamperstraat, de Koestraat en de Bloemendalstraat bezaten veel adellijke en vermogende families een stadshuis dat in het voorjaar verlaten werd. Met het personeel vertrok men in april om pas in het najaar terug te keren.

In de zomer genoot men van het landleven en van de natuur. In de vaak prachtig aangelegde tuinen ontving men gasten in prieel of tuinhuis om van gedachten te wisselen over politieke onderwerpen of gezellig bij te praten. Uitgebreide wandelin­gen werden gemaakt en men genoot van de onge­repte natuur. Vaak bleven de gasten ook enkele dagen logeren.

Zo ook bij Rhijnvis Feith, die zodra het weer in het voorjaar het toeliet, op Boschwijk aan de weg naar Heino verbleef. Het werd hem soms wel eens te druk met al die gasten, want hij had zelf ook een groot gezin.

Feith en zijn vrouw hadden namelijk negen kinderen. En zo groot was Boschwijk nu ook weer niet. Zij hadden meest­al ook een aanzienlijk huis in een van belangrijkste straten van de stad, maar niet het vermogen om een tweede huis op het platteland te kopen. Het lag wel binnen hun financiële mogelijkheden om buiten de stadsgrachten ergens een stukje grond te kopen.

Daar werd dan een tuin van gemaakt en een tuinhuisje neergezet. Dit fenomeen deed zich in heel Nederland voor. Rond de steden lagen vele tuinen en lustho­ven met idyllische namen. Weg van de drukte en de zomerse benauwdheid van de grote stad was het in de lusthoven heerlijk toeven. De zinnen werden geprikkeld door kleurrijke en welriekende bloemen. Het gezang van de vogels was er beto­verend. Vele dichters hebben de lusthof beschre­ven zoals Hildebrand N.

Beets in zijn Camera Obscura. In het verhaal over de familie Stastok zit Hildebrand in een prieel te lezen en praat hij over vroeger.

Willem Bilderdijk bezong de lusthof op lyrische wijze in het volgende gedichtje: Lust in de hof In het gebied, dat zich globaal uitstrekte tussen de huidige Van Karnebeekstraat en de Willemsvaart, kochten vermogende burgers aan het begin van de achttiende eeuw een stukje grond en lieten daar een tuinhuisje opzetten. Zat men goed in de slappe was, dan nam men een tuinman in de arm om er een mooie tuin aan te leggen met een tuinhuisje. Evenals de zeer rijke families, die het genot op hun buitenplaatsen zochten, beleefde de gegoede burgerij plezier in hun eigen lusthof, die op loopafstand van hun woning gelegen was.

Ook zij ontvingen daar vrienden en gasten. Er werd over alledaagse zaken gesproken of over actuele politieke onderwerpen. Er werd een pijpje gerookt en een glas wijn gedronken. Aan het eind van de dag wandelde men dan — al dan niet vast ter been — weer naar huis om de nacht binnen de poorten van de stad door te brengen. Als de poort gesloten was, kwam men er niet meer in, behalve tegen betaling. Het tuinhuis of de hof was voor jonge men­sen een aangename plek om elkaar beter te leren kennen.

De romantiek vierde er hoogtij. In de beslotenheid van de hof werden aardige en lieve woordjes gewisseld, die uiteindelijk konden leiden tot een echtelijke verbintenis. Het tuinhuis was ook de plek waar Willem la Clé de herenliefde bedreef. Rond had hij een hof met een tuin­huisje buiten de Diezerpoort waar tegen de avond jonge heren niet alleen voor een glas wijn en een pijpje tabak werden uitgenodigd.

Vereniging van eigenaren Rond bezat een aantal burgers van Zwolle enkele hoven en landerijen in het Klein Wezen-land, die te bereiken waren via een kleine poort. Dat poortje stond aan de ingang van een weggetje, dat later de naam kreeg van Roopoort omdat die kleine poort waarschijnlijk uit rode baksteen was opgebouwd en bedekt met rode dakpannen. Ook de levering van rode verf in latere tijd geeft wel aan dat de poort rood van kleur was.

Dit poortje — het was van geringe omvang — werd in voor het eerst genoemd. Uit is een document bewaard gebleven waaruit blijkt dat de poort hoognodig gerepareerd moest worden. In kennisse van waarheid hebben de geinteres­seerdens deze getekend. Zwolle, 3 junii Via deze poort, gelegen aan de singel, kon men de hoven en landen bereiken. Met de Kirmerije, ook wel Kiri­werie genaamd, werd het gebied aangeduid tussen de stadssingel en waar nu ongeveer het station ligt. Aan het eind van de achttiende eeuw kwam een groot deel van dit gebied in het bezit van het.

Hervormd Weeshuis en kreeg het de naam Klein Detail uit de platte- Wezenland. De Kruidtoren stond aan het Het weggetje waar eind van de Luttekestraat aan de stadsgracht. Van de ondertekena­ ren behoorden er drie tot families die op bestuur­ lijk gebied in Zwolle de lakens uitdeelden en zeer goed bij kas waren Roijer, Van Muijden of Mui­ den, en Rietberg.

De overige vier waren ook niet onbemiddeld. Van Hattum was advocaat en de vader van Burchard Joan van Hattum, de schrijver van Geschiedenissen der stad Zwolle, , en mevrouw Weijenberg bezat twee panden aan de Grote Markt waar nu de Harmonie staat. In werden zij opnieuw opgeroepen voor een gezamenlijke vergadering op het Refter aan het Bethlehems Kerkplein. Gijswijt voor in het jaar geleverde smidswaren, onder meer hengsels, krammen, nagels, platen en twintig dakpannen.

Het is jammer dat van dit gezelschap, dat de Roopoort in stand wilde houden, slechts weinig archiefstukken bewaard gebleven zijn. Het laatste stuk dateert uit Tussen de stukken zitten vele kwitanties voor onderhoud van de poort. Om de zoveel jaar moesten de hengsels worden vermaakt of werden er nieuwe grendels geleverd. De uitga­ve voor rode verf op een van kwitanties verklaart andermaal de naam van de poort. Voor het dak van de poort werden in twintig nieuwe pan­nen aangeschaft.

Engeler als gemachtigde van de belanghebbenden van de Roopoort optrad. Hij had in totaal een bedrag van negen gulden, zeven stuiver en acht penningen voorgeschoten. Dit bedrag werd hoofdelijk verdeeld.

Ieder moest per hof of per stuk land — te bereiken via de Roo­poort — een bedrag van vijftien stuiver en tien penningen betalen. Met grote letters staat onder de rekening: Van hof naar stadsvilla Rond veranderde de situatie drastisch. In was de Willemsvaart gegraven. Een nieuwe haven werd aangelegd nabij de Eekwal. Over de stadsgracht kwam rond een voetbrug te lig­gen, die de verbinding vormde tussen de Lutte­kestraat en het Klein Wezenland. Deze kleine brug werd in vervangen door een nieuw exem­plaar die we nu kennen als de Nieuwe Haven-brug.

Rond werd Zwolle aangesloten op het spoorwegennet. In kwam de spoorbrug over de IJssel klaar en met de bouw van het station werd het gebied tussen het station en de stad een gewilde locatie om te bouwen.

Dit ging ten koste van de vroegere hoven. De nieuwe huizen werden onder archi­tectuur gebouwd en waren bestemd voor rijke kooplieden, fabrikanten en hoge ambtenaren. Het huis Klein Wezenland Burgemeester van Roijen­singel 5 is tussen gebouwd voor mr.

Deze familie had daar grond liggen. De poort van het voormalige Hervormd Weeshuis aan de Broerenstraat is in herplaatst als ingang van Praubstraat Op de poort staan twee wezen afgebeeld in zandsteen: Daartussen de letter W van weeshuis en erboven het stadswapen.

Foto Jan van de Wetering Suikerhistorie. Het werk vond plaats in het Nederlands Hervormd Weeshuis in de Broerenstraat, dat leeg was komen te staan. In het begin van de jaren vijf­tig werden wezen niet langer meer geplaatst in het weeshuis maar bij particulieren ondergebracht, die daarvoor een vergoeding kregen. In de nacht van 30 juni op 1 juli brandde het weeshuis gedeeltelijk af. Het werk van de SWZ kon daarna slechts voor een deel daar worden voortgezet, de overige werkzaamheden vonden op andere locaties plaats.

Deze dislocatie leidde er toe dat er versneld behoefte ontstond aan nieuwe huisvesting. Nieuwbouw vond plaats aan de Ceintuurbaan, waar de SWZ in haar poorten opende. Tegenwoordig is het een bedrijf voor sociale werkgelegenheid en is het gevestigd op industrieterrein De Hessenpoort.

Dit suikerzakje is dus circa vijftig jaar oud. In dit nummer komt het verleden van Zwolle weer in een grote verscheidenheid aan bod. Pater Kees Brakkee gaat in op de veelbewogen geschiedenis van de dominicanen in Zwolle. In werd de orde uit de stad verdreven. Rond keerden de dominicanen terug in de stad en betrokken zij het nieuwe klooster met de majestueuze kerk aan de Assendorperstraat. Er was in de jaren zestig van de twintigste eeuw een groeiende behoefte aan goed geschoolde inrichtingsopvoeders.

De eerste oplei­ding daarvoor ging in Zwolle van start, destijds een unicum in Nederland. Beide steenhuysen groei­den later uit tot buitenplaatsen. De auteur kwam veel bij schippers aan de Die­zerkade en kende hun leefwereld van zeer nabij. Annèt Bootsma-van Hulten herdenkt de e sterfdag van Jan ter Pelkwijk aan de hand van een niet eerder gepubliceerde brief uit van Willem Kloeke over deze pedagoog en voorvech­ter van onderwijs en armenzorg.

Het Dominicusraam in de Dominicanen-kerk, Dominicus predikend voor een groepje men­sen. Met het oog op de ramen van de Domini­canenkerk te Zwolle. Predikbroeder, afge­beeld op de tweede koorbank aan de zuid-wand van het koor van de Dominicanenkerk aan de Assendor­perstraat.

Wat was die orde van de predi­kers waar Thomas op doelde? Dat is niet vreemd. Dominicanen zijn in strikte zin geen vol­gelingen van de grondlegger Dominicus, die nooit de bedoeling heeft gehad om van zijn medewer­kers navolgers te maken.

Kort en krachtig gezegd: Dominicus had een groep mannen om zich heen verzameld in een soort vereniging, een orde, met het doel om verantwoord te preken. In Leeuwarden vindt men zo nog een Jacobijnerkerkhof.

Dominicus werd priester en belandde als regulier kanunnik bij Diego, toentertijd bisschop van Osma. Hij werd de supprior van diens kathedraal-kapittel. Diego nam zijn supprior mee en op de tocht naar het noorden stuitte het gezelschap in Zuid-Frankrijk op twee ketterse bewegingen: Jorda­nus van Saksen, de eerste opvolger van Dominicus als hoofd van de orde, beschreef in fraai Latijn het volgende voorval.

Diego, Dominicus en hun gevolg overnachtten eens in een herberg te Tou­louse. De waard was een Kathaar. Dominicus ging in gesprek met de man; zij discussieerden de hele nacht met elkaar en tenslotte kon de ketter geen weerstand meer bieden aan de wijsheid en de geestkracht van Dominicus. Een andere biograaf schreef over die gebeurtenis: Deze ervaring heeft wellicht bij Dominicus de idee wakker gemaakt om door verantwoorde prediking het zielenheil van zijn medemensen veilig te stellen.

Hij verzamelde een groep man­nen en vrouwen om zich heen die dit ideaal deel­den. Paus Honorius III vaardigde in een bul uit waarbij de nieuwe orde werd goedgekeurd. Het eerste klooster voor zestien medebroeders, ondergebracht in een woonhuis, stond in Tou­louse. De orde breidde zich zeer snel uit.

In gaf Humbertus van Romans, de magister-generaal van de orde, koning Lodewijk IX van Frankrijk de verzekering dat deze kon rekenen op Hetgeen er op neer kwam dat de orde toen al 5. Men schat het totaal aantal ordeleden op In verschenen de eerste predikbroeders in Utrecht. Kaart van Zwolle door Jacob van Deventer, ca.

Duidelijk valt hierop het klooster van de dominicanen of predikheren te zien. De Broerenkerk te Zwolle Eind zeventiende-eeuwse impressie van het dominicanenkloos­tercomplex, zoals dat er rond uitgezien moet hebben. Waar­schijnlijk gebaseerd op oude stadsplattegron­den. Toegeschreven aan Jacobus Stellingwerf.

De meeste kloosters binnen het huidige Nederlandse grondgebied behoorden aanvanke­lijk tot de provincie Teutonia. Vanaf hoor­den zij bij een nieuwe provincie, die van Saksen Saxonia.

Die hoorde toch in die kro­niek niet thuis? De oplossing ligt in twee woorden die Thomas heeft toegevoegd: Deze doorgewinterde Moderne Devoot was waarschijnlijk bijzonder geïnteresseerd in de komst van observanten, aan­hangers van het herstel van de oorspronkelijke kloostertucht, en was daar ook zeer blij mee. Binnen de orde van de predikers was namelijk een beweging op gang gekomen om tot een stren­gere levenswijze te geraken. Men had de ascetische gestrengheid terecht verzacht, maar men beging tevens de fout om veel te jonge kandidaten op te nemen om zo de kloosters weer te kunnen bevolken.

Het gees­telijk peil daalde dientengevolge aanzienlijk. Die kloosters werden daardoor ont­trokken aan het gezag van de provincie waartoe zij behoorden. De naam duidt er al op dat de meeste van die kloosters in de Nederlanden lagen, maar zij telde conventen van Finland tot in Bretagne. In werd de Congregatie opgeheven en keerden de kloosters terug in de schoot van de eigen pro­vincie.

De stichting van het Broerenklooster in Zwolle De predikbroeders kwamen dus nog geen jaar na de oprichting van die Hollandse Congregatie naar Zwolle. Het verzoekschrift werd op 8 juni ingewilligd, maar Zwolle werd er niet met name in genoemd. Hier doemt de vraag op, waarom de predik-broeders nu juist naar Zwolle kwamen. Afgezien van het feit dat de toenmalige Zwolse stadsbe­stuurders zeer gesteld waren op de komst van de broeders, speelt hier vermoedelijk nog iets anders mee.

De bekende Franse historicus Jacques le Goff heeft via een uitgekiende rekenmethode kunnen aantonen dat de dominicanen in zijn land destijds vooral de grotere steden, met name de haven- en handelssteden, opzochten voor hun vestigingen. Aldus konden zij met hun preken een groter en meer ontwikkeld publiek bereiken. Onder de vijftien middeleeuwse vesti­gingen die mijn medebroeder Pierre Wolfs in zijn boek over de middeleeuwse dominicanenkloos­ters in Nederland vermeldt, tel ik slechts twee klei­ne: In die reeks hoorde ook de Hanzestad Zwolle.

Daarmee werd de Zutphense dominicaan Engelbertus Messemaker belast. Hij werd de grondlegger en de eerste prior. De predikbroeders kochten grond aan buiten de toenmalige noordelijke stadsmuur. Eerst bij de voltooiing van de derde stadsuitleg omstreeks kwam het complex binnen de omwalling te liggen.

Men schijnt niet eerder dan in de tweede helft van met de eigenlijke bouwactiviteiten te zijn begonnen. Er is enige gelijkenis met het Zutphense klooster, maar de kerken verschillen. Die van Zutphen heeft een basilicale vorm; dat wil dus zeggen langgerekt met een hoog middenschip, terwijl de Zwolse kloosterkerk een bakstenen hal­lenbouw is. Zij heeft een lange noordbeuk met koor en een kortere, smallere zijbeuk.

Men begon met de bouw van het koor, maar pas in of daaromtrent was het werk aan de kerk voltooid. Zij bezat oorspronkelijk een dakruiter met één of meer klokken. Het gewelf werd omstreeks beschilderd, maar door de protestanten later wit overgekalkt. In leverden de Zwolse orgel­bouwer Jorgen Slegel en zijn twee zonen Kornelis en Michiel op bestelling een orgel af voor de kerk.

Tegelijk met het koor werd ook begonnen met de kloostergebouwen, op klassieke wijze gesitu­eerd rond een rechthoekig pandhof. Zij omvat­ten een librije bibliotheek , een kapittelhuis, een slaapzaal dormter , een keuken, een refter eetzaal , een gastenkamer, een huisje apart voor zieken, een proveniershuis en een bij het klooster gelegen brouwerij.

Voor zover men heeft kun­nen nagaan, hadden de gebouwen een kelder, een begane grond, een verdieping en een zolder. Ik voer hier opnieuw Le Goff ten tonele, omdat hij heeft opgemerkt dat stadsgrond in de Middeleeuwen duur was; dat de bedelorden zoals de dominicanen wegens hun grote aantal veel grond nodig hadden; dat zij daarom aan hoog­bouw moesten doen en in stenen huizen moesten wonen wegens het brandgevaar, maar, dat zij daarmee ook, ondanks hun armoedestreven, als vanzelf terechtkwamen aan de kant van de gegoe­de burgers, de enigen die zich de zeer dure stenen huizen konden veroorloven.

Dat moet eind of begin zijn geweest. Over het aantal bewoners van het klooster tussen en zijn wij slecht ingelicht. Ingrid Wormgoor schat in haar dissertatie over de kerkelijke instel­lingen in Zwolle het aantal paters tussen en op ongeveer dertig.

Daar moet men dan een onbekend aantal lekenbroeders en proveniers bij­tellen. In waren er nog slechts elf bewoners. Een belangrijke taak van de kloosterlingen vormde uiteraard het bedienen van hun kerk. Naast het dagelijks koorgebed werden er missen gelezen, vaak voor overledenen. Er werden biech­ten afgenomen en vooral gepreekt: Bovendien was het klooster een huis waar werd gestudeerd en les werd gegeven.

Niet voor niets waren klooster en kerk gesteld onder het patronage van Thomas van Aquino ong. Thomas heeft het devies van de orde geijkt: De vraag is alleen of een dergelijke beslissing ook steeds werd verwezen­lijkt. Vermeld worden een studium in de filosofie en de logica. Ook horen we van een meester in de H. Het klooster lag oorspronkelijk bui­ten de noordelijke stads­muur, op het Eiland.

Collectie HCO Thomas van Aquino, de patroonheilige van de kloostergemeenschap van de dominicanen of predikheren te Zwolle. Gewelfschildering in de Broerenkerk. De Broerenkerk te Zwolle. Hij kwam waarschijnlijk in naar Zwolle, waar hij op 8 september over­leed en in het koor van de kerk werd begraven. Zijn gebeente is overigens nooit teruggevonden. Hij verwierf internationale faam, doordat hij de uitvinder van de rozenkrans mag heten en haar grote promotor. De inbreng van de stad Zwolle Het heeft er veel van weg, dat de Zwolse stads­bestuurders zeer gesteld waren op de komst van de observanten.

Dat blijkt zonneklaar uit een overeenkomst die op 3 december tussen klooster en stedelijke overheid werd gesloten. Dat was zowat drie jaar na het begin van de bouw. Het schijnt, dat de observantie tot twee maal toe van buiten af bedreigd is geweest.

In die overeenkomst verplichtten de predikbroeders zich de observan­tie te blijven aanhangen, terwijl de stad het recht kreeg die te beschermen en desnoods te herstellen door ondermeer het klooster te doen bevolken met aanhangers van de observantie. Een soort­gelijke overeenkomst werd nog eens elf jaar later met het stadsbestuur gesloten. Zulke overeenkomsten tussen stadsbestuur en klooster zijn heden ten dage ondenkbaar. De Franse Revolutie bracht ons gelukkigerwijze de scheiding van kerk en staat.

Maar deze voorvallen verschaffen ons wél duidelijk inzicht in de men­taliteit, met name in de godsdienstige gevoelens van de laatmiddeleeuwse mensen. Het toont bovendien dat Zwolle het goed voorhad met de dominicanen. Waarschijnlijk betekende dat niet meer dan dat de stad verlof voor de vestiging heeft gegeven en moet niet worden gedacht aan schenking van de grond. De dominicanen hebben de grond gewoon gekocht. De stad werkte wel mee toen ten behoeve van het klooster een weg werd aangelegd in en in een poort werd gebouwd: Het schonk nog vóór de voltooiing van de kerk omstreeks In had de stad al een raam geschonken voor het toen voltooide koor.

Later bezat de stedelijke regering in de kerk een eigen gestoelte. In droeg zij bij in de her­stelkosten van het torentje. Ook later liet het stadsbestuur zich bij herhaling niet onbetuigd door het geven van geschenken en subsidies bij grote samenkomsten van dominica­nen in het klooster, zoals bij zogenoemde provin­ciale kapittels.

Dat kapittel toonde dan weer zijn dankbaarheid door iedere priester in de provincie de mis te laten opdragen voor de leden van het stadsbestuur en hun de confraterniteit met de provincie te verlenen. Op feestdagen als die van Dominicus en Thomas van Aquino onthaalde het stadsbestuur de broeders vaak op een traktatie. Leonardus van Daelen, voordien prior van het Zwolse klooster, ontving bij zijn gouden professiefeest in van stadswege een som gelds en werd op stadskosten verpleegd toen hij het jaar daarop ziek werd.

Wormgoor zijn er verschillende redenen te bedenken, waarom het stadsbestuur zo graag een bedelordeklooster in zijn stad wilde. Bedelorden vielen niet onder de bisschoppelijke jurisdictie en hoefden zich niet aan de gevolgen van excommunicatie en interdict te houden. De bedelorden gaven de stad zo als het ware wat meer speelruimte tegenover de bisschop. Bovendien stelde men het op prijs dat een aantal kloosterlin­gen relatief hoog was opgeleid en de stichting van een klooster kwam tevens kennelijk tegemoet aan de wens van de bevolking.

Ofschoon conflicten tussen rivaliserende kloosterge­meenschappen in de Middeleeuwen niet ongewoon waren, is mij wat Zwolle aangaat daaromtrent niets bekend. Wel worden geschillen gemeld tussen de predikbroeders en de wereldheren. Dat lag meer voor de hand, want zij visten in dezelfde vijver.

Zo ontstond al kort na de stichting van het klooster een geschil met de vice-cureit onderpas­toor van de St. Michaëlkerk, Henrick Remondis, over de tijd van het celebreren van de missen in de kloosterkerk, het biechthoren, het preken door de kloosterlingen en het begraven van leken. Men besloot een regeling in handen te leggen van de bisschop van Utrecht, die op 16 juni uitspraak deed.

De partijen legden zich bij die uit­spraak neer. Het klooster werd tijdens hun afwezigheid zwaar geplunderd. De broeders keerden in december van dat jaar terug, toen bin­nen de stad ernstig rekening werd gehouden met de komst van Alva. Het stadsbestuur beval op 7 december alle goederen die ontvreemd waren bij de eigenaars terug te brengen.

Tegen de zin van de bewoners liet het stadsbe­stuur in een gedeelte van het klooster tijde­lijk door soldaten bezetten, zodat de eersten in het Buschklooster moesten worden ondergebracht. Er was in de jaren daarna geen sterke stadsrege­ring en de protestanten kregen steeds meer macht.

Het schepencollege, op 25 januari aangetre­den, wilde geen strijd tussen de beide religies, maar een gewapend conflict dat medio tussen deze twee ontstond, eindigde met een overwinning voor de protestanten. Een resolutie van schepenen en raden, dd. Hun goederen moesten in de stad blijven. Het stadsbestuur gaf de broeders vijftig goudgulden mee om in hun eerste onderhoud te voorzien. Alleen de dominicanen werden door een dergelijke, harde maatregel getroffen.

De reden voor deze hardheid moet men waarschijnlijk zoeken in de houding van de Zwolse predikbroeders tegenover de opkomende Reformatie. Verschillende leden van het convent bestreden de nieuwe tendensen en haar voorvech­ters met kracht, zo niet met felheid. Met name het heftige conflict tussen de rector van de stads­school, de humanist Gerhardus Listrius, en de prior van het klooster, Theodericus van Woudri­chem, in de jaren tot zal blijvend kwaad bloed hebben gezet.

De Broerenkerk, het Conservatorium en het Oversticht; het Broeren­kloostercomplex na de restauratie in de jaren zeventig, gezien vanaf de Thorbeckegracht naar het Pelserbrugje, Na het vertrek van de dominicanen werd het klooster ten dele verwoest. De zusters van het Maatklooster kregen huisvesting in een deel van het gebouw en het overige deel werd door de stad verhuurd. Het stond ten dienste van komedianten, koorddansers en andere spelers. In namen de protestanten de kerk in gebruik voor hun diensten.

Op 29 januari besloten schepenen en raden tot restauratie. Tijdens de bezetting van de stad door de Munsterse troepen was het koor sedert 4 augustus enkele maanden bij de tijdelijk teruggekeerde dominicanen in gebruik voor de eredienst. Sedert diende de kerk als paardenstal en voor mili­taire oefeningen. In ging zij weer als kerk dienen.

In was het klooster onderdeel van de kazerne en in kwam de kerk na belangrijke herstelwerkzaamheden opnieuw ten dienste van de protestanten. De Librije deed van tot dienst als synagoge. In het laatste kwart van de twintigste eeuw, in , startte men met de restauratie en de nieuw- De gloednieuwe Domi­nicanenkerk en het klooster aan de Assen­dorperstraat. Omstreeks gefotografeerd vanaf het nog onvol­tooide Assendorper­plein.

Die bouwwerkzaamheden werden in met succes afgerond. Terugkeer Het lijdt geen twijfel, dat de predikbroeders begin hun komst naar Zwolle hebben beleefd als een terugkeer, als een herleving. In publicaties toen en later, zoals nog bij de viering van het jarig bestaan, werd het thema van de terugkeer bij herhaling en met enige emotie aan­gesneden. Bij deze tweede komst van de predikbroeders had de stad Zwolle geen inbreng.

Die komst was een gevolg van niet zo fraai, binnenkerkelijk geharrewar. Om kort te gaan: De predikbroeders kregen tenslotte als com­pensatie voor het verlies van hun statie, zeg maar parochie, in Groningen van de aartsbisschop van Utrecht toestemming tot de stichting van een klooster in Zwolle.

Voorwaarde was, dat dit kloos­ter niet vóór juli zou worden bevolkt. Men ging op zoek naar een geschikt terrein en men kwam erachter dat het boerenechtpaar Van de Vegte-Beumer zijn erf aan de dominicanen wilde afstaan. Er moest wel grond voor goed geld worden bijgekocht. Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt, werd aangetrok­ken.

Hij ontwierp, hoe kan het anders in die dagen, een neogotisch gebouw naar de oude trant: Voorts een oprijzende kruiskerk van 21,50 meter hoog met drie beuken en een ruim koorge­deelte.

De aanbesteding werd gegund aan de Nij­meegse aannemer W. Op 3 mei legde de toenmalige provinciaal, Ludovicus Theissling, de eerste steen. Op 12 december trokken de eerste bewoners binnen, maar voordien hadden rooms en niet-rooms op twee achtereenvolgende zondagen, 24 november en 1 december, de heilige hallen mogen betreden van zolder tot kelder.

Van die mogelijkheid werd druk gebruik gemaakt. De aanpalende kerk kwam eerst in februari klaar en werd op 19 augustus van dat jaar geconsacreerd. Alles was in die eerste tijd nog woest en ledig, maar dominicanen minnen niet alleen de plastische schoonheid in hun liturgie, maar ook in hun gebouwen. Zij zorgden in de loop der jaren ervoor de openbare ruimten aan te kleden. Er kwam een Adama-orgel; er kwamen gebrandschilderde ramen, voor een deel ontwor­pen door pater Raymundus van Bergen die tot op hoge ouderdom in het Zwolse klooster woonde en er in zijn atelier op zolder werkte.

Er kwam een mozaïekvloer in het koor, een orgelfront en bewerkte koorbanken, beide ont­worpen door de befaamde architect Jan Stuyt. De Zwolse timmerman Anton Bolmers vervaardigde de koorbanken. Daar bleef het niet bij, want er kwamen ver­bouwingen.

Op 3 januari brak een felle brand uit die de hele bovenverdieping van het klooster met zolder en dak verwoestte. Het is nooit opgeklaard, hoe het vuur kon ontstaan. De felheid van de brand had alle sporen uitgewist. In Nijmegen was intussen een nieuw klooster gebouwd.

De architecten en de aannemer van dat gebouw klaarden de Zwolse reparatieklus in zeven maanden. Er kwam een verdieping bij. Het leien dak, zoals dat nu nog op de kerk ligt, werd vervangen door dakpannen en de zolder werd een kopie van de Nijmeegse nieuwbouw.

Zo konden de communiteitsleden op 8 september hun klooster weer betrekken. De brand en de terug­keer werden in een kerkraam en in een raam van het claustrum vereeuwigd, maar wellicht wegens de symmetrie werd 8 september vervroegd naar 3 september en door deze geschiedvervalsing rijmde 3 januari op 3 september.

De grote aanwas van kandidaten na de Tweede Wereldoorlog maakte opnieuw een verbouwing noodzakelijk. In het najaar van werden op de zolder zeventien cellen voor de fraters gebouwd. In de volgende jaren steeg dat aantal nog iets, om daarna fors te dalen. In vertrokken de filosofiestu­denten en een aantal docenten naar Nijmegen.

Om het klooster in stand te kunnen houden, werden de nieuw gebouwde cellen verhuurd aan Een stukje van het claus­trum of de kloostergang, omstreeks Archi­tect van het neogotische gebouw was Johannes Kayser uit Maastricht, die eerder bij Pierre Cuypers had gewerkt. Pater Raymundus van Bergen , begaafd glazenier, woonde en werkte tot op hoge leeftijd in het klooster.

Hij ontwierp een deel van de gebrand­schilderde ramen. Oud Zwolle uit de lucht. Kort daarop gebeurde dat met de hele tweede verdieping en wel aan Staatsbos­beheer, later aan de Algemene Inspectie Dienst en op het ogenblik huist er de Rechtbank Zwolle-Lelystad, Sector Civiel Recht. Sinds is het onderhoud van de gebouwen in handen gelegd van een stichting. Tussen en had een restauratie plaats van de kerk, mede mogelijk gemaakt door subsidie van de stad en het rijk.

Margriet Mein­dertsma, de wethouder voor bouwzaken, was de predikbroeders gunstig gezind. Bij haar afscheid schonk het klooster haar een ouderwetse juskom met het wapen van de orde en fraai met bloemen opgemaakt. De torenspits kreeg van de stad een blijvend spotlight, zodat het gebouw ook in de avondlijke en nachtelijke uren mede beeldbepalend voor de stad bleef.

Opleidingshuis Vanaf het begin was het Zwolse klooster een opleidingshuis voor jonge dominicanen en wel voor de driejarige studie van de filosofie. Het program omvatte onder andere natuurfilosofie, logica, metafysiek, criteriologie oftewel weten­schapsfilosofie, geschiedenis van de filosofie en apologetiek of christelijke verdedigingsleer.

Maar er waren ook vakken als Bijbelgrieks, Hebreeuws, inleiding in de bijbel, preekles, zangles en stemoe­fening.

Daarnaast was er het koorgebed dat voor een groot deel door de fraters werd verzorgd en toch wel een uur of twee per dag in beslag nam. Het studium had een behoorlijk peil, al ging een deel van de leerstof boven de pet van een aantal studenten.

Dan was het verplicht wandelen: Oudere Zwollenaren weten nog hoe die zwart-witte koppels door hun stra­ten liepen. Als ze langs het ziekenhuis kwamen, zwaaiden zij steevast naar de langdurig zieken die daar lagen.

Ofschoon de fraters gedurende hun hele opleidingstijd tijdens de vakanties niet naar hun ouderlijk huis mochten terugkeren, hadden zij een paradijselijke vervanging in het buitenhuis Arni­chem bij het Haersterveer.

Zij gingen daar twee maal veertien dagen naar toe. Er viel te zwemmen, te roeien, te zeilen, te wandelen en veel te lezen. De bijdrage van de predikbroeders aan het stedelijk welzijn in de afgelopen honderd jaar lag voornamelijk op godsdienstig gebied en dan nog beperkt tot het rooms-katholieke deel van de bevolking. De rijke liturgie met verzorgde zang trok mensen van veel kanten. Toch was dit niet het enige. Het klooster lag in de druk bevolkte wijk Assendorp waar sinds met de komst van de spoorwegen naar Zwolle in snel tempo huisjes voor arbeiders werden gebouwd.

In dat klimaat waren de conferenties over sociale recht­vaardigheid die de paters op zondagen in hun kerk verzorgden, niet zonder gevolg, al viel en valt dat niet te meten. De zielzorgers stonden in ieder geval niet met hun rug naar de samenleving.

Dat bleek ook uit de conferenties voor niet-katholieken. Die begonnen in november in een van de zalen van het klooster voor een uiterst select gezelschap: De bedoeling was een objectieve uit­eenzetting te geven van de rooms-katholieke leer. De conferen­ties waren bedoeld voor niet-katholieken.

Het eigen kerkvolk werd daarom nadrukkelijk ver­zocht weg te blijven. Het idee kreeg zeer spoedig navolging in veel andere plaatsen. Dat dergelijke activiteiten vanuit het klooster mogelijk waren, was te danken aan het feit dat er in het klooster werd gestudeerd en dat men voor predikanten en mensen die lezingen konden ver­zorgen uit zeker arsenaal kon putten.

Oecumenische gesprekken Ofschoon de conferenties het hele land bestre­ken en duizenden toehoorders trokken, hebben ze slechts enkele jaren stand gehouden. Er werden destijds twee vliegvelden aangelegd in de omgeving van Benkoelen; de Japanners vonden het niet zo prettig dat de gevangenen vrij nauwkeurig op de hoogte werden gehouden van deze en andere werkzaamheden.

Een groep van 67 mensen werd beschuldigd van ondergrondse aktiviteiten. Zijn direkte chef, de resident, werd ter dood ge bracht. Zoals zovelen denkt ook de heer Bastiaans met afschuw terug aan de methoden van de Kem- peitai. In ging hij met verlof naar Holland om in naar West-Java te vertrekken, waar hij enkele maanden werkzaam was op het bureau van de gouverneur en daarna op het departement van het Binnenlands Bestuur.

In februari ging hij naar Makassar als sekre- taris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken van de toen nog te formeren staat Oost- Indonesië. Uit hoofde van zijn funktie nam hij deel aan de talloze konferenties, die toen werden gehouden, onder meer de Ronde Tafel Conferen tie De heer Bastiaans bracht tweeëneenhalf jaar door in Makassar. Maar de Nederlandse publieke opinie kon de snelle ontwikkeling, zelfs in deze gematigde groe pen, niet volgen. In aansluiting op de R. In juli trad hij in dienst van de gemeente Rotterdam.

Hij werd aanvankelijk sous-chef van de economische afdeling van het Raadhuis. Langza merhand raakte hij thuis in de gemeentelijke ad ministratie, waarbij hij veel plezier had van zijn bestuurservaring in Indië. In kwam de plaats van adjunkt-directeur bij de dienst voor Sociale Zaken vakant, doordat de heer Platteel de huidige gouverneur van Nieuw Guinea directeur werd van Sociale Zaken in Den Haag.

De heer Bastiaans werd in zijn plaats be noemd. De adjunkt-direkteur werkt graag in Rotterdam. Sociale Zaken werkt zeer efficiënt, daarvoor is het dan ook Rotterdam. De administratie is zeer modern. Onge veer de helft van de vijfhonderd man personeel bestaat uit maatschappelijke sociale werkers en werksters, op wier schouders een moeilijke en de- likate taak rust.

De dienst voor Sociale Zaken heeft een uitgebreid en veel omvattend werkterrein. Het is dus niet zo, dat men alleen maar financiële hulp biedt aan mensen, die hiervoor in aanmerking komen.

Zuidplein-werk van de Stichting Bijzon der Gezinswerk Rotterdam. De taak van deze Stichting is gelegen in het her-opvoeden van so ciaal-zwakke tot maatschappelijke gezinnen. Rot terdam beschikt hiervoor over een speciaal wo ning-complex. Een team van deskundigen, so ciale werksters, gezinsverzorgsters, e. Maar ook op andere terreinen van het maatschappelijk werk, zoals het algemeen maatschappelijk werk, de zorg voor gerepatrieerden, de reclassering, de kinder bescherming en de verzorging van bejaarden in tehuizen, wordt nauw met de verschillende over- heids- en partikuliere instanties samengewerkt.

Als eigen taken van de dienst, die het noemen waard zijn, wijst de heer Bastiaans op het so ciaal-culturele werk onder werklozen en de exploi tatie van een werkplaats voor plm.

Hier worden alle mogelijke werkzaamheden voor de industrie verricht, van de montage en re visie van elektrische apparaten tot de komplete fa- brikage van meubels toe. De gehandicapten kunnen Drs. Bastiaans, adjunkt-direkteur Sociale Zaken Rotterdam. De dienst ontvangt ook mensen uit het buiten land.

De sociale zorg en het maatschappelijk werk liggen hier in Nederland, vooral door de typisch Ne derlandse verzuiling, totaal anders. Ze was heel enthousiast. De heer Bastiaans en zijn medewerkers hadden daarbij de gelegen heid er de nadruk op te leggen, dat, ondanks het feit, dat zijn dienst een ambtelijke organisatie is, het werk niet zou kunnen worden gedaan als het niet gedragen werd door het besef, dat de maat schappij één is mèt en verantwoordelijk vóór de zwakkeren, die in haar midden leven.

En dat is een les, die wij allen ter harte mogen nemen. Oh Tangkoebanprahoe, machtige vulkaan. Laat mij nog eenmaal in Uw schaduw staan, Laat mij nog eenmaal in mijn leven De ijle nevels omhoog zien zweven Boven Uw hellingen, in purper gehuld, Uw diepe dalen met witte watten opgevuld; Laat mij nog eenmaal Uw varens mogen zien En langs Uw smalle paden, omzoomd door bosbalsemien Omlaag dalen tot in de diepe krater Waar 't stilstaand, ondoorgrondelijk water Zijn onheilspellend gelaat aan mijn oog onttrekt En zijn grimme gramschap met onschudigheid bedekt.

Totdat een plotseling grommend grijnzen Mij verschrikt terug zal doen deinzen. Zijn grootse macht zal doen respecteren En op mijn schreden terug zal doen keren. En opstijgend weer langs Uw steile wanden, Mij daaraan vastklampend met beide handen, Zal ik U groeten, mijn Tangkoebanprahoe Als ik straks, in de stilte, mijn handen vouw.. En overal begon het simpel en primitief. Overal waren eenzame jonge jongens op een zame posten die daar dan een vrouw van het land namen Toen ik jong was, 40 jaar geleden, merkte je dat nog wel eens bij In dische families.

Was je daar op be zoek dan was je in een gewoon Euro pees gezin maar Ma of Oma zag je niet. Die bleven op de achtergrond als je niet een echte goede oude be kende was. Ze waren er wel maar ze bleven onzichtbaar.

En dat had bijna een symbolische betekenis. Lang geleden hadden ze de plaats ingenomen van de Europe se vrouw die ontbrak. Bescheiden en onopvallend, zorgzaam en trouw, een voudig en warm menselijk. Maar in het kader van de vooroordelen van de toenmalige maatschappij ontbrak er iets aan. En als mensen hun aandacht richten op wat er niet is dan merken ze niet op wat er wèl is. Daarom ble ven ze onzichtbaar.

Andere geschiedenissen en ervarin gen komen weer boven in mijn her innering. Een van de kennissen van mijn ouders was de oudste dochter van generaal Swart. Ik hoorde haar eens vertellen hoe haar moeder de geboorte van haar eerste baby be leefde. Dat gebeurde in een benteng in Atjeh aan het eind van de vorige eeuw op een avond dat Atjehers een onverwachte aanval op de benteng uitvoerden.

Toen die aanval begon met gegil en geschiet stormde ieder een naar buiten en bleef ze alleen in de kamer achter waar ze haar eerste baby kreeg, zonder hulp, zoals de Schepper dat lang geleden heeft be schikt. Na een halfuurtje kwam de officier van gezondheid binnen rennen.

Hij zag dat alles goed was, wikkelde het pasgeboren meisje in een handdoek en gaf het aan de moeder. Toen rende hij weer naar buiten waar hij nodig was bij de gewonden.

Zulke verhalen maakten in mijn jongensjaren niet al leen indruk op mij. Ze hebben me ook geleerd wat een mens allemaal aan kan wanneer het moet Een andere herinnering. Het moet om streeks geweest zijn dat wij wel eens op bezoek gingen bij een ken nis van mijn ouders; de oude heer Van Maarseveen. Een bekende In dische naam. Van Maarseveen, des tijds omstreeks 75 jaar oud, woonde op de onderneming Kalorama in de Soebangpas op Sumatra's Westkust. Ik ging graag mee want hij kon schit terend vertellen.

Over zijn jeugd op een onderneming in Benkoelen Mid den van de vorige eeuw over zijn zwerftochten door Sumatra en Bor- neo, over de Transvaalse oorlog daar was hij bij geweest en hij kende als geen ander land en volk en vooral ook de natuur en het oerwoud van de tropen. Hij had een Japanse vrouw die je vrij wel nooit zag. Later heb ik wel gelezen dat zo omstreeks de eeuwwisseling op Sumatra de Westerse invloed nog maar heel oppervlakkig aanwezig was.

En in dat prille begin van het open leggen van het land waren de Ja panse vrouwen zeer in trek. Maar als jongen wist ik daar niets van af en het bevreemde mij wanneer ik haar toevallig ontmoette in de tuin, tussen haar dahlia's, gekleed in een prachtig geborduurde kimono, met een hoog opgemaakt kapsel en op witte sokjes in Japanse klompjes.

Waarom vertrok ze dan altijd zo schielijk? Ik begreep het niet. Ze was altijd allervriendelijkst maar bleek in een oogwenk weer ver dwenen. Waarom toch Ook deze twee oude mensen zijn elkaar trouw gebleven zolang als het kon.

Het was de Jap die hen scheidde. Hij moest het kamp in. Het verhaal dat ik hoorde is dat hij toen weigerde te eten en dat enkele oude kennissen hem nog netjes hebben kunnen be graven. Wat er van haar geworden is kon niemand mij vertellen Er waren ook vrouwen die wèl op de voorgrond traden en een leidingge vende rol speelden.

In de laatste ja ren voor de souvereiniteitsoverdracht werd ik wel eens op een zondag morgen te eten gevraagd bij Oma Soesman en haar twee dochters Ben en Ellie. Oma was al lang weduwe en Ben en Ellie werden het door de oor log.

Ellie haar man kwam niet terug uit krijgsgevangenschap en Ben haar man werd slachtoffer van de bersiap. Beide vrouwen hadden in het Soera- baja van toen initiatieven ontwikkeld voor de oprichting van de AMVJ-kan- tine en speelden daarbij een actieve rol. Ze hadden een verantwoordelijke taak en ontmoetten veel verschillen de mensen. De gesprekken op zulke zondagmorgens waren altijd levendig en geestig.

Ik luisterde meestal; net als Oma. Tele fonisch natuurlijk wel bereikbaar ook voor bestellingen. Voor mij waren zulke ontmoetingen een verademing in de chaos van de naoorlogse jaren.

Ik was daar ineens weer in een vertrouwd ouderwets In disch milieu, en ik genoot. Vele jaren later in Holland las ik in Tong-Tong het levensverhaal van Oma. Ze vertelde daarin hoe ze lang geleden haar man had gevolgd naar het Djemberse waar hij een koffie- onderneming begon. De dagelijkse zorgen van de ontginning, het trans port, het werkvolk, het wonen, de voeding, kleding, ziekte en ander on heil. Ze was hele dagen moederziel alleen met een jonge baboe. Baboe hielp haar bij de geboorte van haar kinderen, bij ziekte en andere moei lijkheden.

Baboe trouwde ook en kreeg zelf kinderen en de twee vrou wen bleven elkaar jarenlang steunen op die onderneming. Haar man was dus een van die 'jonge jongens" die op eenzame post iets nieuws begon, maar die wèl steun kreeg van een Europese vrouw. En baboe bleef altijd bij hen tot aan de oorlog.

Na de scheiding in de kamp- tijd en de stormachtige gebeurtenis sen daarna hadden ze eens aan een stel jonge mariniers gevraagd om in de desa's uit te kijken naar "de dikste meid die je ooit gezien hebt! Baboe was toen gebleven en als ik daar zondags kwam eten dan zat die zelfde baboe oud en grijs tegen de deurpost van de galerij geleund wan neer het jongste kleinkind, Wieteke, even bij de grote mensen mocht zijn.

Ik heb hier later wel aan teruggedacht. Dit was het epos van Oma Soesman I B e i d een ook het epos van Baboe I Beide bescheiden op de achtergrond terwijl het vrolijke en wat luidruchtige gezel schap van gasten en gastvrouwen zich gereedmaakte om aan tafel te gaan. Over al dit soort zaken sprak ik eens met een oude Indische vriendin.

Over wat er in die paar generaties allemaal ontstaan is en tot stand kwam in het oude Indië. Over de romantiek en het manlijke zelfbewustzijn van de men sen. Ook over de tragiek, ook over de gebroken levens en de genezende krachten die er altijd schuilen in ech te menselijke verbondenheid. Erger is, dat het een vrouw soms onmogelijk werd gemaakt haar taak zo te vervullen En met Tante Truus en Paatje, die U steeds persoonlijk ontvangen, bij ieder tafeltje informeren of alles naar wens is en bij het weggaan vragen of het gesmaakt heeft.

Tante Truus en Paatje officieel heten ze de heer en mevrouw van der Capellen kregen deze namen in Bandoeng in de tijd, dat ze er de gaar keuken leidden en de zorg hadden voor zo'n paar duizend mensen. In die tijd speelde Tante Truus het klaar om met een minimum aan geld voor al die hongerige magen een goed en smakelijk maal te bereiden. En dit typeert eigenlijk Tante Truus.

Ze is geen chef-kok, en ook geen kooklerares, die precies weet hoeveel calorieën een mens per dag moet verorberen. Tante Truus is een praktische huismoe der, die de tering naar de nering weet te zetten. Die te horen krijgt: Geen chef-kok, geen diplo ma's, alleen ervaring in de praktijk opgedaan, eerst in haar huishouden, later bij de Vereniging van Huisvrouwen, nog weer later in de gaarkeukens van Bandoeng en nu sedert vijf jaar in haar eigen res- taurantbedrijf, maar vergist U zich niet!

Tante Truus kan het met gemak opnemen tegen iedere chef-kok, dat is onlangs wel gebleken. En in dit internationale mi lieu, want er waren inzendingen uit het buitenland, behaalde Tante Truus een eerste, een tweede èn een derde prijs! Er is aan die prijsuitreiking nog een leuke anecdote verbonden.

Eén van de juryleden, een Oostenrijker, was het er wèl over eens, dat de inzending van Tante Truus lekker smaakte, maar kon niet geloven, dat zoiets zaligs een-twee-drie in een restaurant klaarge maakt kon worden. De volgende dag ging hij dan ook naar restaurant Oud-Indië en bestelde het zelfde. Aan het eind van de maaltijd maakte hij zich bekend als één van de ju ryleden en complimenteerde Tante Truus nog eens extra voor haar kookkunst.

Het waren dus wèl allemaal Indische schotels, die echter meedongen in series, waarvoor inzendingen waren uit alle landen. Tante Truus vertelt zelf: Niet dat ik het erg zou heb ben gevonden om geen prijs te krijgen, maar je inzending moet toch een zeker gehalte hebben in zo'n internationaal milieu! Alleen in Amsterdam is nog een tweede prijs gevallen, ook weer op een inzending van een Indisch restaurant, nl. Ik vertelde al, dat Tant Truus geen enkel diploma heeft.

Maar haar ervaring op kookgebied opge daan dateert al uit de tijd, toen ze nog als Truusje van Amade door het leven ging. Op mijn veertiende jaar verloor ik ook mijn stiefmoeder. Ik zat op de M. We hadden zo'n gezellig ouderwets Indisch huis met een hele boel huisdieren, waaronder ook koeien, varkens en kippen.

In verhuisde de familie van der Capel len naar Kederi, waar ze tot , het jaar waar in Paatje gepensioneerd werd, woonden. En hier verzorgde Tante Truus de feesten in de Sociëteit, maar pas in Bandoeng zou ze haar grote bekend heid krijgen.

Tot de mobilisatie in toe, toen de C. Centrale Organisatie Vrouwen in Mobilisatie werd opgericht en Tante Truus aan gezocht werd cursussen te geven voor het koken in het groot. En ook deze taak pakte Tante Truus weer op de haar eigen originele manier aan. Ze kreeg de aula van het Lyceum voor haar cursus aangeboden, maar ze vroeg de keuken van de resi dentswoning en richtte daar op het 3 meter lange aanrecht een complete tentoonstelling in van bij de Europeanen vrijwel onbekende of niet geliefde in heemse producten.

Voorts had Tante Truus een maaltijd bereid bestaande uit een voor gerecht, soep, hoofdschotel en toetje. Onder de eer ste groep dames bevond zich ook de echtgenote van Generaal Berenschot.

De eerste, die een aanmer king maakte was Mevrouw Berenschot: Dat hoeft U ons echt niet meer te leren! En zo ging het verder: Tante Truus heeft altijd met de producten van het land gewerkt en kon hoofdzakelijk daardoor zo goedkoop een lek ker maal bereiden.

Ze kookte toen voor 85 jongens en mocht per persoon niet meer uitgegeven dan 0,05! Het werd zo'n succes Tante Truus en Paatje in de gaarkeukentijd, toen ze de zorg hadden «. Iedere dag werd een ton groente verwerkt. Links ziet U Tante Truus en Paatje temidden van enkelen vn hun helpsters en helpers, vlak nadat de langganans hun voorraden hadden afgeleverd.

Met de bakoel n de hand isLcika Tompcssi. Deze gaarkeuken bestond eigenlijk uit niet veel meer dan een afdakje tegen een muur aangebouwd heel primitief dus maar. Hechts een kijkje in die ruimte, waar iedere dag weer die enorme hoeveelheden werden verwerkt. Later kreeg Tante Truus een betere outillage, eenspeciaal voor haar in T-vorm gebouwde keuken.

In de korte poot van de T bevonden zich de kantoren, waar Paatje zetelde en de voorraadkamers, terwijl Tante Truus de scepter zwaaide over de keukens, die in de lange poot van de T waren aangebracht. De vorm van de verzen is heel eenvoudig, bijna steeds de strofe van vier regels, met een rijm zo eenvoudig als het maar kan. De woordkeuze is bijna eentonig, zo nu en dan is de realistische tekening niet zonder symboliek en steeds zit er het persoonlijke heimwee achter, ook het eigen hart vindt aan het hart van Friesland geen durende rust.

Benauwde nachten ver van 't vaderland, van moeders kluis, Ontsteken in 't Friese hart een felle brand, Heimwee naar huis. Bij dag slaat- hem de onrust in het bloed De vreemde verten lokken: Ook als hij aan de vrachtrijder denkt Yüe't '35 voelt hij zich zelf buitenstaander.

De retorische uiting kan de pijnlijke dis tantie niet bemantelen, als hij eindigt: Rijd rustig door bij 't ruischen van de tuinden, Waar eenzaam in de nacht de boereplaatsen staan: Want 's levens zuivere geluk te vinden In 's levens simpel pad te gaan. En mogen als bewijs ten overvloede de eerste en laatste strofe van het eerlijk zelf portret "Balling" Y. Wij vonden wilde ruiters op de kust In Vaders huis noch Frieslands velden rust: En roekeloos met eigen lot en dagen namen de vlucht als keus en luien land en magen.

Dit is allemaal geen zuivere dichtkunst en toch zal niemand zeggen pose, aanstellerij. Het werk overtuigt, het bloed slaat wild door de gebrekkige vormgeving heen. Haitsma wist van gespletenheid, verscheurd heid. Ook zijn geloof liet hem geen rust, maar daagde hem uit. Alle kontakt van de kant der mensen was verspeeld. De vloek, de bede, de kreet van het moderne hart Haitsma wist er van. Wanneer hij zijn jeugd vaarwel toeroept in "Tritich" in in "In us eigen tael" zegt hij daarover: Wij leven op het keerpunt van de tijden: De onrust van de wereld doet ons lijden, waarin de duivel zelf het leven drijft.

De dynamiek van het demonische houdt natuur en de mens in zijn macht. Haitsma schildert een onweersbui op een broeierige middag, maar geen lieflijk voorjaarsbeeld. De herfst vol heimwee, bij tijden regent het fel, maar de stekende zon blijft weg.

Het "Oude jaar" inspireert hem, als "de ver scheurde wolken door de lucht jagen en met sneeuw en water smijten zonder end. De "Kerk" is niet een plek van vrede en blijdschap: En "de onderwijzer" Yüet '39 43 is niet de levensblije pedagoog, maar de onbegrepene in de dorpsidylle, die door duivelse visioenen gekweld wordt en ten slotte in het gesticht in Franeker terecht komt.

Nog aan het begin van de oorlog stierf als "tawanan" in Tjilatjap de Fries Nyckle Haisma. In dit artikel tekent J. Piebenga inmiddels overle den op een wijze, die alleen wij, Indischgasten, volmaakt begrijpen kunnen, hoe Heimwee een mens kan bouwen tot een nieuwe grootte. Al was Haisma's heimwee "in omge keerde richting", hij denkt, voelt en leeft precies als wij. Het artikel was oorspronkelijk ge schreven in het Fries we kregen het toegestuurd van de immer waakzame Mevr.

Assendelft-Teunissen en op eerste oproep reageerde we derom een vrouw: O Heuvel- Swierstra bij Tong Tong blijven de meisjes nummer één! Heuvel is van s. Djèwèng bij Djombang, een nog steeds actieve, studerende vrouw, houdt van dieren hondje: Brandall , was lite- ratuur-resencente van het A. Toen we haar vroegen wat met "de vrachtrijder" bedoeld werd zie het eerste gedicht , verklaarde ze heel gewoontjes: Dat is onze Pesuratan! Eens, telefo nerend met een professor in de taal wetenschappen, onderbrak deze het gesprek en vroeg: Ik merk het aan Uw uitspraak!

Ook dat hoor ik aan Uw uitspraak! Ach, wat een charmante "spekkoek" is mevrouw Heuvel: En wat óns betreft: In kwam Haisma met studieverlof in Nederland en ging in Leeuwarden wonen, met het doel om hier te blijven, zo dit lukken wilde.

Maar hoe langer hij hier ver blijft, hoe meer hij naar het tropische land verlangt. Hij haalt de akte Engels M. ULO school en in verhuist hij naar Bandoeng voor de gezondheid van beide kinderen. Hier maken ze de oorlog met Japan mee en al spoedig komt Haisma in een krijgs gevangen kamp terecht, eerst in Bandoeng dan in Tjilatjap, hij sluit zich aan bij een kleine groep Friezen en zet zich weer aan het schrijven. Bloembergen die met hem in dit kamp verbleef, heeft ervan ver teld in "Frysk en Fry" van 20 december hij schrijft: Een typerend beeld dat ik nooit vergeten zal wil ik daarvan weergeven.

Haisma lag met veel van zijn dienstkame- raden in een lokaal, al hun slaapzakken lagen op de grond dicht tegen elkaar aan. Zijn slaapplaats was wel de meest nette van allemaal en te midden van het grootste lawaai kon men dan onze dichter en schrij ver plat op de grond vol overgave en ge- noegelijk bezig zien. Met een stukje potlood in de hand en een schrift voor zich, werkte hij aan zijn novellen en gedichten waar hij toen aan bezig was.

Een stukje rust, ernst en aandacht in de triviale sfeer van het kamp dat hem wel leek te inspireren. Hais ma is heel gelukkig geweest met deze gave. In vier dagen gezond en weg. Op 22 februari is hij ter ruste gegaan, vijfendertig jaar oud en door zijn kamp- vrienden is hij begraven in den vreemde, maar tegelijk zijn tweede vaderland. De novelle Zomer die hij in in het kamp geschreven had, met wat gedichten kwam nog als nalatenschap het is allemaal op genomen in de "Tsjerne" jaargang , maar de beide handschriften van een Friese roman, waar hij al lang mee bezig was ge weest en die hij uit het kamp naar zijn vrouw wist te krijgen, zijn verloren geraakt.

Wij die met alles al blij zijn, die nooit van rijkdom van Friese kunst-schepping hebben kunnen spreken, moesten ook deze bewij zen van Haisma's geest missen, wie weet of het niet zijn beste werk was.

Haisma was geen dichter, maar een proza schrijver, zijn beide jongensboeken, "Zo merdagen" en "De Kar" verschenen in en , maar al voor zijn Indische tijd geschreven bewijzen dit duidelijk, kin derboeken zijn het feitelijk niet eens, mo gelijk dat de ouderen ze nog liever lezen dan de jongeren, die de fijne sfeer teke ning, de stille humor en de bijna weemoedi ge gedachten die uit de woorden spreekt, maar al te vaak ontgaan.

Friesland van zich af schrijven en tegelijk naar zich toehalen, dat deed hij ook al in deze boeken. Hij heeft niet veel snaren op zijn viool, maar hij weet er een diepe toon uit te halen, die niet mis te verstaan is en die men uit honderd andere herkent. In kostelijke staaltjes van vertel- en beschrij vingskunst is "De reis naar Beppe" in "For I I I 1 9 3 6 e e n s e r i e b u n d e l t j e sit Frijske Folk" III een serie bundeltjes volkslectuur van het Christelijk Fries Ge zelschap, waar hij trouw aan meewerkte.

Als Fries schrijver is Haisma onder het volk het bekendst geworden door zijn romans "Paed oer 't Hiem", en "Paed nei eigen Hoornleger", en tesamen in een deel onder de titel "Peke Donia de koloniaal", uitgegeven.

Eindelijk wat anders, meer nog van stijl en Lees verder volg. Hij is de eerste geweest, die het enor me belang dezer gegevens voor latere generaties in gezien heeft, deze vrijwel zonder hulp of financiële steun heeft bijeengebracht en door de druk voor een ieder toegankelijk gemaakt.

Bij ons onderzoek naar de familie Hamard de la Brethonière misten we de laatste rustplaats van de vrouw van Pierre Junior, die niet op hun fami liekerkhof te Salatiga is bijgezet, doch die we aan troffen op een ander particulier kerkhof, op het vroegere land Peterongang in de kampong Wono- dri Djomblang, tegenover de Passar te Semarang.

Dit zijn de nakomelingen van een Hollandse scheepskapitein, uit de Ie helft der 19e eeuw, die bij zijn terugkeer naar Patria, twee dochters en een zoon achterliet. Mijntje, gehuwd met Henri Theo- bald Nagel, geb. Uit hem sproot een uitgebreid nageslacht, 9 kinderen waarvan wij noemen: Remeeus te Klatèn, zélf weer vader van 16 kinderen, J. Remeeus, stalmeester van den Sultan te Jogja, Carl A. Remeeus, ambtenaar aan de Kra- ton ald.

Laurens Nagel, ambtenaar N. Ten tweede hebben we Goenocng Mlaja of de Johanncsheuvcl, ten Z. Uit de verte gezien lijkt deze op een soort imitatie van de Acropolis, een gewelfd stenen dak rustende op 8 zuilen. Helaas schijnen in het begin der 30er jaren all marmeren grafstenen uit de monumenten gelicht te zijn.

Deze Armenier, had een enorm fortuin bijeenge- kregen door het pachten van de transportdienst van Semarang naar Kedoe, niet zozeer door het vervoer van de gouvernementsprodukten als koffie en zout, maar meer door 't clandestien overbrengen van allerlei zaken voor particulieren. Wegens de af te leggen grote afstanden, konden de paar den slechts licht worden bepakt, weshalve Johan nes een proef ham met kamelen, die hij liet uitkomen met verzorgers.

Deze proef mislukte ech ter, daar de kamelen holle hoeven kregen en kreu pel werden. Later werd Johannes pachter van de opiumhan- del, hij woonde in het grote huis, waarin later de Neutrale School aan het Wilhelminaplein te Boe- loe gevestigd is. Als hij zorgen had, beklom hij de vanuit zijn huis zichtbare heuvel, van welks top hij de zee kon zien.

Hij verwierf de eigendomsrechten, en wenste dit plekje als laatste rustplaats voor hem en zijn naaste familie te gebruiken, daar hij niet op de Israëlitische begraafplaats op de Bergotta- heuvel, waar ook een deel voor de Armeniers was afgezonderd, wilde rusten. D, Johannes gehuwd met C. Manuel, waarover hieronder uitvoeriger, de man zelf of een nakomeling van hem was, en of er onder de lange lijsten Johannes'sen in Kleian's adresboek nog afstammelingen van hem voorkomen, bleek niet uit te maken.

Onder de naamdragers Johannes zijn ongetwijfeld vele Armenen, die zich niet meer met de opium- pacht, maar meer met bioscoop-exploitatie occu peren. In Soerabaja leefde in de 30er jaren een familie van dien naam, die van zuiver Armeense afstamming was, maar niet recht wist of zij nu kleinkinderen of achterneven van de grote Johan nes waren.

Voorzover wij dit konden nagaan, was de afstamming als volgt: Amirgan Johannes te Ispahan, gehuwd met Martha Paulus. Een inspecteur van de S.

prive ontvangst lelystad club jacqueline loon op zand

Monica Swearengin  
Betsey Simonson