Man vingert meisje rukkende mannen

man vingert meisje rukkende mannen

Sie zeigten ihre Beine und Schenkel, sie wanden sich in wunderlichen Stellungen, die von wildem Begehren zeugten, von toller Lust. Sie berührten ihre Brüste und ihren Unterleib, als wollten sie Brüste und Schoß zu mir emporheben.

Ich empfand Schreck und Ekel, aber in meinem Schreck und Abscheu lag doch auch eine gewisse Befriedigung: Immer wieder versuchte ich, den Frauen zuzurufen: Zosjtsjenko was lid van de in opgerichte Serapionbroeders, een literaire groep. Zijn in gedeeltelijk in het tijdschrift Oktjabr verschenen boek Voor zonsondergang leidde ertoe dat hij uit de gratie viel bij de CPSU nadat Andrej Zjdanov het bekritiseerde. Zijn werken mochten niet meer gedrukt worden en vanaf mocht hij helemaal niet meer publiceren.

Pas na de dood van Stalin in werd hij gerehabiliteerd. Hierdoor kon in , twee jaar voor zijn dood, nog een band met verzameld werk worden uitgegeven. Het naamfeest Vertaald door Kristien Warmenhoven.

Ik loop naar huis. Het is een vrouw. Ze is zwaar opgemaakt. Ze draagt een hoed met veer, waaronder een alledaags gezicht schuilgaat met uitstekende jukbeenderen en dikke lippen. Ik kijk haar fronsend aan en wil doorlopen, maar de vrouw zegt met een verlegen glimlach: Ik heb besloten zelf iemand uit te nodigen. Zeg alsjeblieft geen nee. Op tafel een samowar, noten, jam en broodjes.

We drinken thee in stilte. Ik weet niets te zeggen. En zij is verlegen met mijn zwijgen. Ik vind haar niet onaantrekkelijk. Ik kus haar dikke lippen ten afscheid. En zij vraagt me: Ik loop het trapportaal op. Misschien moet ik onthouden waar ze woont. In het donker tel ik hoeveel treden het zijn tot haar deur. Zal ik een lucifer aansteken en kijken wat het huisnummer is?

Nee, het is niet de moeite waard. Ik kom hier nooit meer terug. De Duitse dichter en toneelschrijver August Stramm werd geboren op 29 juli in Münster, Westfalen. Dais is dus vandaag precies tachtig jaar geleden.

Zie ook mijn blog van 28 juli en ook mijn blog van 28 juli en ook mijn blog van 28 juli Het was laat in de avond regen in lamplicht gevangen sloeg neer op het macadam van de Mechelsesteenweg je had een offwhite jurkje aan ik schatte je op vijftien je liep langs de straat waar ook ik overging auto's passeerden remden af reden weer verder je vroeg de weg naar de Muze café waar Ferre optrad Ferre Grignard de zanger van jouw lied zijn stem die op de radio geklonken had en waarheen je nu op weg was 'volg de tramrails maar dan vind je hem vanzelf' en ik onnnozelaar liet je gaan Antwerps meisje dat ik in mijn hart draag wat heb ik toch gedaan met mijn leven.

Elementen voor een gedicht. Zalen vol verkouden moeders bespreken de voordelen van vet. De dikke man, in tabak of textiel, kauwt op zijn sigaar, vloekt op een fietser. De wind, kaal als een geschoren rat, rent langs de huizen, knabbelt aan de kranten, de vuilnisbakken, de rokken van kleine meisjes.

De stad is gelukkig tezamen, sneeuwbal in een jongenshand. Niets hoort bij alles hoort bij niets. Zeven kraaien vliegen in de rijpe winterlucht. In dunne kratten mooie ronde rode appels, in sleetse mouwen van slag geraakte polshorloges.

As op de stoepen, ijs langs de wegen, zeven kraaien in de lucht. Niet te geloven dat ik knaap nog een vers schreef over de zilverwitheid van een berkestam en om mij heen grootse dronkenschap van de bevrijding: Alles zoop en naaide, heel Europa was een groot matras en de hemel het plafond van een derderangshotel. En ik bedeesde jongeling moest nodig de reine berk bezingen en zijn bescheiden bladerpracht.

De Engelse dichter , verhalen- en romanschrijver Malcolm Lowry werd geboren 28 juli in Birkenhead Merseyside. Zie ook mijn blog van 28 juli en ook mijn blog van 28 juli Overlooking one of these valleys, which is dominated by two volcanoes, lies, six thousand feet above sea level, the town of xml: It is situated well south of the Tropic of Cancer, to be exact on the nineteenth parallel, in about the same latitude as the Revillagigedo Islands to the west in the Pacific, or very much further west, the southernmost tip of Hawaii-and as the port of Tzucox to the east on the Atlantic seaboard of Yucatan near the border of British Honduras, or very much further east, the town of Juggernaut, in India, on the Bay of Bengal.

The walls of the town, which is built on a hill, are high, the streets and lanes tortuous and broken, the roads winding. A fine American-style highway leads in from the north but is lost in its narrow streets and comes out a goat track.

Quauhnahuac possesses eighteen churches and fifty-seven cantinas. It also boasts a golf course and no less than four hundred swimming pools, public and private, filled with the water that ceaselessly pours down from the mountains, and many splendid hotels. The Hotel Casino de la Selva stands on a slightly higher hill just outside the town, near the railway station. It is built far back from the main highway and surrounded by gardens and terraces which command a spacious view in every direction.

Palatial, a certain air of desolate splendour pervades it. For it is no longer a Casino. You may not even dice for drinks in the bar. The ghosts of ruined gamblers haunt it. No one ever seems to swim in the magnificent Olympic pool. The springboards stand empty and mournful.

Its jai-alai courts are grass-grown and deserted. Two tennis courts only are kept up in the season. Towards sunset on the Day of the Dead in November, , two men in white flannels sat on the main terrace of the Casino drinking anis. They had been playing tennis, followed by billiards, and their racquets, rainproofed, screwed in their presses-the doctor's triangular, the other's quadrangular-lay on the parapet before them.

As the processions winding from the cemetery down the hillside behind the hotel came closer the plangent sounds of their chanting were borne to the two men; they turned to watch the mourners, a little later to be visible only as the melancholy lights of their candles, circling among the distant, trussed cornstalks. Jacques Laruelle, who now was leaning forward intently. De Iraanse dichter, songwriter en zanger Shahyar Ghanbari werd geboren op 28 juli in Teheran.

Shahyar is de zoon van de Iraanse acteur en zanger Hamid Ghanbari. Hij schrijft en zingt in het Farsi, het Engels en het Frans. Hij woont tegenwoordig in Los Angeles. Blue of the sea is forbidden The desire to see, is forbidden The love between two fish is forbidden Alone and together is forbidden. To have a new love, you should not ask permission To have a new love, you should not ask permission.

Whispering and murmuring is forbidden Dancing of the shadows is forbidden Discovering the stolen kisses, In the middle of your dream is forbidden. To have a new dream, you should not ask permission To have a new dream, you should not ask permission.

In this homely exile Write the simplest poems Say what you have to say Say long live life, Say long live life. To write a new poem, you should not ask permission To write a new poem, you should not ask permission. To write about you, is forbidden Even to complain is forbidden The fragrance of a woman, is forbidden You are forbidden, I am forbidden! To start a new day, you should not ask permission To start a new day, you should not ask permission.

Zij bezocht het gymnasium en studeerde daarna aan een studie letteren die zij echter niet afmaakte. In kreeg zij een beurs waarmee zij aan de University of Iowa kon studeren. Portrait of the Emperor Vertaald door Ursula K. There, nothing of the kind. At the Wedding March. GOD with honour hang your head,. Groom, and grace you, bride, your bed. With lissome scions, sweet scions,. Out of hallowed bodies bred. Déep, déeper than divined,.

Divine charity, dear charity,. Fast you ever, fast bind. Then let the March tread our ears: I to him turn with tears. Who to wedlock, his wonder wedlock,. Déals tríumph and immortal years. LOOK at the stars! O look at all the fire-folk sitting in the air!

The bright boroughs, the circle-citadels there! Down in dim woods the diamond delves! The grey lawns cold where gold, where quickgold lies! Flake-doves sent floating forth at a farmyard scare! March-bloom, like on mealed-with-yellow sallows! These are indeed the barn; withindoors house. This piece-bright paling shuts the spouse. Christ home, Christ and his mother and all his hallows. All day long I like fountain flow. From thy hand out, swayed about.

Mote-like in thy mighty glow. What I know of thee I bless,. As acknowledging thy stress. On my being and as seeing. Something of thy holiness. Once I turned from thee and hid,. Bound on what thou hadst forbid;. Sow the wind I would; I sinned: I repent of what I did. Bad I am, but yet thy child. Father, be thou reconciled. Spare thou me, since I see. With thy might that thou art mild. I have life before me still. And thy purpose to fulfil;. Yea a debt to pay thee yet: Help me, sir, and so I will.

But thou bidst, and just thou art,. Me shew mercy from my heart. Towards my brother, every other. Man my mate and counterpart. De Nederlandse schrijver, columnist, presentator en essayist Stephan Sanders werd geboren in Haarlem op 28 juli Zie ook mijn blog van 28 juli Er is liefde, er is verbondenheid, maar in het aardigste geval wordt de seks plichtmatig en huishoudelijk, in het slechtste een rariteit, iets dat onwezenlijk is en vreemd, juist met degene die je liefhebt.

En ondertussen lezen we in al die flutblaadjes dat het gemiddelde stel het 2,9 maal per week doet, en wordt de schaamte alleen maar groter. Houdt hij wel genoeg van mij? Geef ik wel genoeg om hem? De rationalisten onder ons zeggen tegen zichzelf: We zijn ook niet gebouwd op een fikse verhouding ernaast, want dan steekt toch de jaloezie de kop op.

En ik ken mijn eigen kwalen. Zo geconditioneerd, dat seks en lust voor mij met spanning te maken hebben, met onbekende lichamen op de meest onmogelijke plekken.

Ik ben daar niet trots op, ik beschouw het als mijn luie Zelf. Het moet toch mogelijk zijn om lust en opwinding ook langdurig te combineren met degene met wie je de afwasmachine deelt?

Ik denk er wel eens over die hele afwasser het huis uit te sodemieteren, als het zou helpen, maar de vraag is natuurlijk: De Canadese schrijver Drew Karpyshyn werd geboren op 28 juli in Edmonton. There is only passion.

Through passion, I gain strength. Through strength, I gain power. Through power, I gain victory. Through victory, my chains are broken. He was two meters tall, and his black boots covered the ground in long, sweeping strides, propelling his large, powerfully muscled frame with a sense of urgent purpose. There was an air of menace about him, accentuated by his shaved head, his heavy brow, and the dark intensity of his eyes. This, even more than his forbidding black armor or the sinister hook-handled lightsaber dangling from his belt, marked him as a man of fearsome power: His thick jaw was set in grim determination against the pain that flared up every few minutes at the back of his bare skull.

He had been many kilometers away from the thought bomb when it detonated, but even at that range he had felt its power reverberating through the Force. The aftereffects lingered, sporadic bursts shooting through his brain like a million tiny knives stabbing at the dark recesses of his mind. He had expected these attacks to fade over time, but in the hours since the blast, their frequency and intensity had steadily increased.

De Amerikaanse dichter en schrijver John Ashbery werd geboren op 28 juli in Rochester. What name do I have for you? Certainly there is not name for you. In the sense that the stars have names. That somehow fit them. An object of curiosity to some,. But you are too preoccupied.

By the secret smudge in the back of your soul. To say much and wander around,. Smiling to yourself and others. It gets to be kind of lonely. But at the same time off-putting. Counterproductive, as you realize once again. That the longest way is the most efficient way,.

The one that looped among islands, and. You always seemed to be traveling in a circle. And now that the end is near. The segments of the trip swing open like an orange. There is light in there and mystery and food.

Come not for me but it. But if I am still there, grant that we may see each other. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 juli De Australische schrijver, regisseur en draaiboekauteur Colin Higgins werd geboren op 28 juli in Nouméa, Nieuw Caledonië. In Memoriam   Michaël Zeeman. De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman is maandagavond op jarige leeftijd overleden aan een hersentumor. Zie ook mijn blog van 18 september Voor een uitgebreid herdenkingsartikel zie de Volkskrant.

Tot gisteren waren wij even oud, zij en ik. Nu sta ik hier en ligt zij daar, koud, zij -. Zij lijkt een beetje op een zonnebloem: Zij ligt voor schut; slaap noch diepe rust. Niet stuk, niet beschadigd, niet ziek: Bij alle zinnen moet nu nagedacht, de tijd.

Ik ben al uren ouder. Er verstreek geen week of wij spraken. Ik sprak over lezen en leven,. Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel. Een man stierf op een donderdag in mei,. Zijn lijk lag onderaan. Omstreeks dat trouwe uur. Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,. De wormen die hem slopen.

De Duitse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren in Keulen als Hilde Löwenstein op 27 juli Zie ook mijn blog van 27 juli en ook mijn blog van 27 juli en ook   mijn blog van 27 juli Wir sind Fremde von Insel zu Insel. Aber am Mittag, wenn uns das Meer bis ins Bett steigt und die Vergangenheit wie Kielwasser an unsern Fersen abläuft und das tote Meerkraut am Strand zu goldenen Bäumen wird, dann hält uns kein Netz der Erinnerung mehr, wir gleiten hinaus, und die abgesteckten Meerstraßen der Fischer und die Tiefenkarten gelten nicht für uns.

Wir gehen jeder für sich den schmalen Weg über den Köpfen der Toten - fast ohne Angst - im Takt unsres Herzens, als seien wir beschützt, solange die Liebe nicht aussetzt. So gehen wir zwischen Schmetterlingen und Vögeln in staunendem Gleichgewicht zu einem Morgen von Baumwipfeln - grün, gold und blau - und zu dem Erwachen der geliebten Augen.

Alle meine Schiffe haben die Häfen vergessen und meine Füße den Weg. Es wird nicht gesät und nicht geerntet denn es ist keine Vergangenheit und keine Zukunft, kaum eine Bühne im Tag. Nur der kleine zärtliche Abstand zwischen dir und mir, den du nicht verminderst.

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli in Belfast. Zie ook mijn blog van 27 juli en ook   mijn blog van 27 juli When he found Laertes alone on the tidy terrace, hoeing. Around a vine, disreputable in his garden duds,. Patched and grubby, leather gaiters protecting his shins.

Against brambles, gloves as well, and, to cap it all,. Sure signs of his deep depression, a gostskin duncher,. Odysseus sobbed in the shade of a pear-tree for his father. So old and pathetic that all he wanted then and there.

Was to kiss him and hug him and blurt out the whole story,. But the whole story is one catalogue and then another,. So he waited for images from that formal garden,. Evidence of a childhood spent traipsing after his father. And asking for everything he saw, the thirteen pear-trees,. Ten apple-trees, forty fig-trees, the fifty rows of vines. Ripening at different times for a continuous supply,. Until Laertes recognised his son and, weak at the knees,.

Dizzy, flung his arms around the neck of great Odysseus. Who drew the old man fainting to his breast and held him there. And cradled like driftwood the bones of his dwindling father. Pushing the wedge of his body. Between cromlech and stone circle,. He excavates down mine shafts. And back into the depths of the hill. His path straight and narrow. And not like the fox's zig-zags,. The arc of the hare who leaves.

A silhouette on the sky line. Night's silence around his shoulders,. His face lit by the moon, he. Manages the earth with his paws,. Returns underground to die. But Sister Carrie was a novel, a genre more accessible to the average reader, especially women, who made up the great majority of American readers at the end of the nineteenth century. One of them was allegedly Mrs. Henry returned, too, again leaving Maude and Dottie behind, to resume for the next month or so his residence with the Dreisers, and he either continued or began to write A Princess of Arcady.

De Nederlandse schrijfster en psychologe Marijke Höweler werd geboren in Koog aan de Zaan op 27 juli Zie ook mijn blog van 27 juli Zij droeg een zonnebril, die had ze in het haar gestoken. Hij deed het wagentje op slot, nadat hij uitgestapt was. Van vee zou dus geen sprake zijn. Hoogstens een pony voor het kind. Meer zou er niet van komen.

Ik zag de woelmuizen al scharrelen in het hoge gras, op weg om mijn andijvie op te vreten. Toch trokken ze me wel. Ik had het idee dat die mij veel vertier konden gaan geven. Ik zorgde daarom dat ik wat te doen had op het erf zodra ze weer naar buiten kwamen. Daarna gaf ik zijn vrouw een hand. Maar niet zoals je het opschrijft, ze zei: Het kind had ook een naam. Zodat zij mij wat vragen konden als zij wilden. Dat deden ze ook wel, maar het was heel wat anders dan ik had willen weten als ik in hun plaats geweest was.

Ik wist niet zo gauw wat ik daarop moest zeggen. Ik woon hier al mijn leven lang. Dan kan je moeilijk van bevallen spreken. En ik wees ze de moestuin aan. Ze gaf geen antwoord, dus zo stonden we een tijdje. Ik was wel benieuwd hoeveel hij er opgelegd had nou het om vreemden ging.

Het land hóórt namelijk bij mij. En ook mezelf zou ik niet gauw zo noemen. Toen keek ik weer eens op en zag dat ze nog steeds stonden te wachten.

Het kind was naar het hek gelopen en wees de schapen aan. Het had zijn vingers in zijn mond. Le Rivage des Syrtes. Quelque chose comme une alerte lointaine se glisse jusqu'à nous dans ce vide clair du matin plus rempli de présages que les songes; c'est peut-être le bruit d'un pas isolé sur le pavé des rues, ou le premier cri d'un oiseau parvenu faiblement à travers le dernier sommeil; mais ce bruit de pas éveille dans l'âme une résonance de cathédrale vide, ce cri passe comme sur les espaces du large, et l'oreille se tend dans le silence sur un vide en nous qui soudain n'a pas plus d'écho que la mer.

Notre âme s'est purgée de ses rumeur et du brouhaha de foule qui l'habite; une note fondamentale se réjouit en elle qui en éveille l'exacte capacité. Dans la mesure intime de la vie qui nous est rendue, nous renaissons à notre force et à notre joie, mais parfois cette note est grave et nous surprend comme le pas d'un promeneur qui fait résonner une caverne: Zijne moeder was een Engelsche en keerde na vader's dood, met hem naar Engeland terug.

Een der voorvaderen van Bellocs moeder vocht als officier te Fontenay, vier ooms van zijn vader waren generaals onder Napoleon. Als leerling van de Birmingham Oratory onderging hij den invloed van Kardinaal Neurman.

Hij voldeed aan zijn militaire plichten in Frankrijk en kwam terug om in Oxford te studeren. Hij begon als schrijver met kinderboeken. Zijn studies bundelde hij onder de titel: He was, on the contrary, a jeweller in prose, a man who sat down deliberately to write in a particular way when there was need or opportunity for it, but who, on general occasions, would write as might any other man.

We have a great mass of what he did, in long letters to [Anne] Boleyn, to the King and to [Thomas] Cromwell, careful arguments transcribed at length in his disputations, as in the famous one with [Bishop Stephen] Gardiner on the Real Presence; it is always scholar's work, careful and lucid.

But when he sits down to produce a special effect all changes. He begins to carve with skill and in the hardest material. He is absorbed in a particular task, creative, highly conscious, and to his sense of beauty vastly satisfactory. He was not of those whom a fountain of creation fills and who declaim, as it were, great matter. His art was of the kind which must work very slowly and in secret, isolated; his sentences when he desired to produce his effect must be perfected in detail, polished, lingered over, rearranged, until they had become so that one could them with the finger-nail and find no roughness.

In the darkness below, around the church, he made out the village cemetery in which the old crosses with their outstretched arms seemed to protect the ill-kept graves. Over these bowed here and there a few leafless birch trees. The aromatic odor of young buds, wafted to Mikheyich from below, brought with it a feeling of the melancholy of eternal sleep.

Where would he be a year hence? Would he again climb to this height, beneath the brass bell to awaken the slumbering night with its metallic peal, or would he be lying in a dark corner of the graveyard, under a cross? The aged sexton gazed up at the belfry, shading his unsteady, tear-dimmed eyes with his hand, trying to see Mikheyich.

It must be time to ring. What do you say? Both looked at the stars. The fiery Wagoner was above them. He did not need a watch. Not in vain had he spent his life here. Hij was van Iers-Griekse afstamming. In werd hij naar een school in Engeland gestuurd voor zijn opleiding. In betaalde een oudtante voor hem de reis naar de VS. Hij werkte in Cincinnati in een drukkerij, waar hij met het werk van Gustave Flaubert en Charles Baudelaire in aanraking kwam.

In ging hij als journalist werken in New Orleans en begon hij ook uit het Frans en het Spaans te vertalen. In vertrok hij naar Japan.

Hij werkte er als leraar, trouwde met een Japanse en kreeg in een leerstoel aan de Keizerlijke Universiteit van Tokyo. Lafcadio is vooral bekend geworden met zijn boeken over Japan.

Glimpses of Unfamiliar Japan. There is a romance even in the first full consciousness of this rather commonplace fact; but for me this consciousness is transfigured inexpressibly by the divine beauty of the day. There is some charm unutterable in the morning air, cool with the coolness of Japanese spring and wind-waves from the snowy cone of Fuji; a charm perhaps due rather to softest lucidity than to any positive tone—an atmospheric limpidity, extraordinary, with only a suggestion of blue in it, through which the most distant objects appear focused with amazing sharpness.

The sun is only pleasantly warm; the jinrikisha, or kuruma, is the most cosy little vehicle imaginable; and the street-vistas, as seen above the dancing white mushroom-shaped hat of my sandaled runner, have an allurement of which I fancy that I could never weary.

Elfish everything seems; for everything as well as everybody is small, and queer, and mysterious: The illusion is only broken by the occasional passing of a tall foreigner, and by divers shop-signs bearing announcements in absurd attempts at English.

Nevertheless, such discords only serve to emphasize reality; they never materially lessen the fascination of the funny little streets. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 27 juli Zie en ook   mijn blog van 27 juli Zie ook   mijn blog van 27 juli De Franse schrijver Alexandre Dumas fils werd geboren op 27 juli in Parijs.

Zie ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli Aldous Huxley Biografie door   Nicholas Murray. But the wider metaphor is irresistible. His life was a constant search for light, for understanding, of himself and his fellow men and women in the twentieth century.

This intellectual ambition -- not unknown but rare in English novelists -- sent him far beyond the confines of prose fiction into history, philosophy, science, politics, mysticism, psychic exploration. He offered as his personal motto the legend hung around the neck of a ragged scarecrow of a man in a painting by Goya: I am still learning.

Grandson of the great Victorian scientist Thomas Henry Huxley -- ' Darwin 's bulldog' -- he had a lifelong passion for truth, artistic and scientific.

His field of interest, declared Isaiah Berlin after his death, was nothing less than 'the condition of men in the twentieth century'. Like an eighteenth century philosophe, a modern Voltaire -- though in truth he found that historical epoch lacking in depth and resonance -- he took the whole world as his province, and like those urbane thinkers he did it with consummate clarity and grace, was frequently iconoclastic, and struck many of his contemporaries in the early decades of the twentieth century as a liberator and a herald of the modern age of secular enlightenment and scientific progress.

He was also an often disturbingly accurate prophet who became steadily more disillusioned with the uses to which science was being put in his time. Portret door Vanessa Bell. De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli Zie ook mijn blog van 26 juli Die avond, waarop alles in een nieuw licht kwam te staan, zou ik zoals alle donderdagen eigenlijk dineren met mijnheer Jamieson, een groothandelaar in huiden en tabak, en misschien daarna samen wat gaan dansen.

Alleen omdat zijn jicht hem overvallen had en de goede man moest afzeggen, besloot ik mijn loge in de opera op te zoeken. Begrijp me niet verkeerd, ik heb altijd sober geleefd.

Vanaf het moment dat het onheil toesloeg en ik door het leven werd voortgejaagd was ik spaarzaam. Ik moest wel, omdat ik lange tijd niet wist wat de volgende dag mij zou brengen.

Of ik te eten zou hebben. Of er voor mij zou worden gezorgd. Of ik aangevallen zou worden en verder opgejaagd. Ook toen ik dan uiteindelijk in Amsterdam een zekere positie had verworven heb ik mij nooit meer aangemeten dan de uitdossing die de kringen waarin ik verkeerde van mij verwachtten en natuurlijk zaken die ik nodig had voor de uitoefening van mijn vak. Buitenissigheden heb ik mij nooit veroorloofd. Ik heb er ook niet naar getaald. Dit stond ik mijzelf de laatste jaren echter wel toe: Daarheen was ik die avond, half oktober, dus op weg.

Ik had zoals ik gewend was een bootsman met een kleine, maar propere sloep gehuurd. De kou op de grachten is in Amsterdam anders dan in Venetië. Hij begint maanden vroeger, dringt het lichaam sneller en scherper binnen en nestelt zich eerder in de botten dan in de longen.

Toch ga ik liever met de boot dan met een rijtuig. De mensen op de kade slaan geen acht op wie voorbijvaart. Zij gaan op in hun gesprekken.

De Vlaamse schrijfster Anne Provoost werd geboren in Poperinge op 26 juli Provoost groeide op in Woesten, in de Belgische Westhoek. Ze begon met schrijven toen ze vier was. Omdat ze toen technisch nog niet kon schrijven, dicteerde ze verhalen aan haar moeder.

Later schreef ze boeken die ze zelf illustreerde. Toen ze literatuur ging studeren aan de universiteit in Kortrijk en Leuven, nam ze zich voor om niet meer te schrijven. Toen ze tijdens haar laatste jaar Germaanse Talen ziek in bed lag, schreef ze een verhaal. Tot haar grote verbazing won ze daarmee een wedstrijd.

Anne Provoost schrijft gelaagde actuele en historische romans. Bekende titels van haar hand zijn: De roos en het zwijn, De arkvaarders, In de zon kijken en Beminde ongelovigen. Haar boeken kregen talrijke prijzen en werden herhaaldelijk vertaald. Haar roman Vallen werd in verfilmd door Hans Herbots. De roos en het zwijn.

Het was schemerdonker, en wat opviel waren de walmende fakkels van ricinushout die de ruiters droegen, waardoor hun gezicht er grimmig en hun wapenuitrusting er vervaarlijk uitzagen.

Ter hoogte van het huis van Orlinde hielden ze stil. Ze bleven een ogenblik staan beraadslagen en wezen naar het raampje van waaruit Orlinde ongetwijfeld stond te kijken.

Op een teken van de eerste ruiter gaven ze hun paard de sporen en kwamen in galop in mijn richting. Het schrille geschreeuw en het licht van de fakkels deden de koe schrikachtig trappelen en met haar poten slaan, en in een snelle reflex schoof ik de halfvolle emmer melk achteruit. Ik liep naar het pad om te zien wat er gebeurde. Ze waren opvallend zwaar bewapend.

De eerste die mijn aandacht trok herkende ik ogenblikkelijk aan zijn ronde, bijna aantrekkelijke gezicht waarop een vriendelijkheid lag die in tegenspraak was met de manier waarop hij op zijn paard zat, schreeuwde en er nors probeerde uit te zien. Het was de man die me ooit onder bedreiging met een scherp mes het bos in gesleurd had en gezegd had dat hij gekomen was om heel diep in me te gaan.

Over zijn linkeroog droeg hij een donkere lap. Door wat er toen gebeurd was, had ik het gevoel dat ik elk onderdeel van zijn lichaam en elk aspect van zijn karakter kende. Hij was de jongste en de kleinste van het gezelschap, maar duidelijk de gevaarlijkste. De Engelse schrijver Nicholas Evans werd geboren op 26 juli in Bromsgrove. Zie ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli Their breath made clouds of the chill air and their boots crunched on the congealed gravel of the motel parking lot.

The old station wagon was the only car there, its roof and hood veneered with a dim refracting frost. The boy fixed their skis to the roof while his father stowed their packs then walked around to remove the newspaper pinned by the wipers to the windshield.

It was stiff with ice and crackled in his hands as he balled it. Before they climbed into the car they lingered a moment, just stood there listening to the silence and gazing west at the mountains silhouetted by stars. The little town had yet to wake and they drove quietly north along Main Street , past the courthouse and the gas station and the old movie theater, through pale pools of light cast by the street lamps, the car's reflection gliding the darkened windows of the stores.

And the sole witness to their leaving was a grizzled dog who stood watch at the edge of town, its head lowered, its eyes ghost-green in the headlights. It was the last day of March and a vestige of plowed snow lay gray along the highway's edge.

Heading west across the plains the previous afternoon, there had been a first whisper of green among the bleached grass. Before sunset they had strolled out from the motel along a dirt road and heard a meadowlark whistling as if winter had gone for good. But beyond the rolling ranch land, the Rocky Mountain Front, a wall of ancient limestone a hundred miles long, was still encrusted with white and the boy's father said they would surely still find good spring snow.

De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren op 26 juli In a dentist's operating room on a fine August morning in Not the usual tiny xml: The operating chair, with a gas pump and cylinder beside it, is half way between the centre of the room and one of the corners.

If you look into the room through the window which lights it, you will see the fireplace in the middle of the wall opposite you, with the door beside it to your left; an M. Near this bench stands a slender machine like a whip provided with a stand, a pedal, and an exaggerated winch.

Recognising this as a dental drill, you shudder and look away to your left, where you can see another window, underneath which stands a writing table, with a blotter and a diary on it, and a chair. Next the writing table, towards the door, is a leather covered sofa.

The opposite wall, close on your right, is occupied mostly by a bookcase. The operating chair is under your nose, facing you, with the cabinet of instruments handy to it on your left. You observe that the professional furniture and apparatus are new, and that the wall paper, designed, with the taste of an undertaker, in festoons and urns, the carpet with its symmetrical plans of rich, cabbagy nosegays, the glass gasalier with lustres; the ornamental gilt rimmed blue candlesticks on the ends of the mantelshelf, also glass-draped with lustres, and the ormolu clock under a glass-cover in the middle between them, its uselessness emphasized by a cheap American clock disrespectfully placed beside it and now indicating 12 o'clock noon, all combine with the black marble which gives the fireplace the air of a miniature family vault, to suggest early Victorian commercial respectability, belief in money, Bible fetichism, fear of hell always at war with fear of poverty, instinctive horror of the passionate character of art, love and Roman Catholic religion, and all the first fruits of plutocracy in the early generations of the industrial revolution.

De Franse dichter en essayist Claude Esteban werd geboren op 26 juli in Parijs. Zie en ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli La mort à distance. Sans même nous concerter, nous obéissions à un rituel immuable. Nous le reconnaissions de loin, dominant de toute sa masse l'entrelacs tortueux des pins, et nous marchions vers lui, soudain silencieux, délivrés du bruit du monde. La jeune femme s'approchait la première, elle souriait un peu, s'assurait que personne ne risquait de la surprendre, puis très vite, elle étreignait l'arbre de tout son corps, les bras ouverts en serrant le tronc énorme, la tête contre l'écorce, les yeux clos.

Je faisais mine de m'impatienter, je me moquais dou­cement de cette étrange façon de saluer notre ami, de le séduire, mais quand elle se retournait, je lisais dans son regard le bon­heur qu'elle venait de vivre. Elle avait entendu, me disait-elle, battre le coeur de l'arbre, elle avait senti sous ses doigts la sève lente qui montait, qui lui communiquait de sa force.

La jeune femme rayonnait, elle voulait que je suive son exemple, et moi, si pudibond, je m'enhardissais, et j'effleurais d'une main furtive cette monstrueuse patte posée là pour toujours sur la pelouse. C'était un soir, c'était un matin, et depuis tant d'années. Pour­quoi a-t-il fallu qu'une tempête s'interpose entre l'arbre et nous, que la foudre le blesse, que se réveillent les mauvais démons? Nous n'avons pas cédé, l'arbre est intact dans notre mémoire. C'est à nous, maintenant, qu'il appartient de veiller sur lui, de l'enraciner dans ce temps que nous inventons ensemble.

De Franse schrijver André Maurois eig. Emile Salomon Wilhelm Herzog werd geboren op 26 juli in Elbeuf. Gide Vertaald door Carl Morse. This recit contains the essence of the "tidings" of Les Nourritures.

First a negative doctrine: Gide himself suffered so much from "snug homes" that he harped on its dangers all his life. Then a positive doctrine: Love is dangerous, but that is yet another reason for loving, even if it means risking one's happiness, especially if it means losing one's happiness. For happiness makes man less. With his good hand Rhayader spread on of its immense white pinions.

The end was beautifully tipped with black. Rhayader looked and marvelled, and said: What — what is it, sir? But how in all heaven came it here? Her deep violet eyes, shining out of the dirt on her thin face, were fixed with concern on the injured bird. Come, you shall help me.

Her leg is broken, and the wing tip! See, we will clip her primaries, so that we can bandage it, but in the spring the feathers will grow and she will be able to fly again. Hills of silver plate,. Rosenau , Siebenbürgen ofwel Transsylvanië, Roemenië. Wenn die Adler kommen. Doch das ist freie Erfindung des Dubliners. Denn der einzige Mächtige dieser Landstriche, dessen Namen je mit dem Teufel - mit "dracul" wie dieser im Rumänischen heißt - in Verbindung zu bringen ist, war Vlald der Pfähler.

Von bis Herrscher der Walachei in der Donautiefebene, hielt er sich nachweislich niemals in den Ostkarpaten auf. Hingegen tat er es in den Südkarpaten, eben auf Schloss Törzburg, wo er mit seinem Gefolge inmitten bei lebendigem Leibe auf Pfähle gespießten schwangerer Frauen und Kinder zechte und so zu einer der fragwürdigsten Kultfiguren des westeuropäischen Literaturpublikums wurde.

Bram Stoker gehört damit zu jenen Landfremden, die bis in unsere Tage herauf mit schludrigen Nachforschungen Durcheinander in das Bild bringen, das die Welt draußen von diesem Siebenbürgen hat. Hätte sich sonst denn die geschiedene Helena an den Sommerabenden auf dem nahe am Königstein gelegenen Schloss so köstlich amüsiert?

De Indonesische dichter Chairil Anwar werd geboren op 26 juli in Medan. The Seized and the Severed. I put my room in order, and myself as well, in the chance that you might come. De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren in Hij studeerde natuurkunde en wiskunde in Aken.

Hij promoveerde in de theoretische natuurkunde aan het Max-Planck-Institut in Potsdam. Breidenich publiceerde in tijdschriften o. Krautgarten, Poetenladen Magazin , lauter niemand, außer. Hij woont en werkt in M ü nchen. Ko k o n Von Glück sagen konnten wir nur. Dass es morgens war. An Lamellen vorüber die Hinterhofsonne.

In Vogel- nestern und Weinblattmauern. Ein Hängen an Steppdeckengrün. Matratzen mit weichen Kernen befüllt.

Waren Drachenbaum liebende Palmwedel- hüter. In Bettlakenhöhlen zu Haus. Zie ook mijn blog van 25 juli Zie ook mijn blog van 25 juli en ook mijn blog van 25 juli Sein Haus war höher als die meisten in Downshire Hill. Es hatte drei Stockwerke, die meisten andern nur zwei.

Es war aber schmal wie die andern alle. In jedem Stock waren höchstens ein oder zwei Zimmer. Sie waren von Menschen erfüllt, die tranken und tanzten. Sie standen mit den Gläsern in der Hand da, wie es hier Sitte war, aber mit ausdrucksvollen Gesichtern, was hier gegen die Sitte ging. Es waren manche junge Offiziere in Uniform darunter, lebhaft, ja beinah lebenslustig, von lauten Sätzen überquellend, die man gehört hätte, wenn sie in der Musik nicht untergegangen wären.

Die Tanzenden, besonders die Frauen, hatten etwas Aufgerissenes und genossen ihre Bewegungen wie die des Partners. Die Atmosphäre war dicht und heiß, und niemand kümmerte sich darum, daß man Bomben-Einschläge hörte, eine furchtlose und dabei sehr lebendige Gesellschaft. Ich hatte im obersten Stock begonnen, ich traute kaum meinen Augen und ich ging in den zweiten hinunter und traute ihnen noch weniger.

Jeder Raum schien feuriger als der, in dem man sich vorher umgetan hatte. In den tieferen Räumen sonderte man sich etwas mehr ab, Pärchen saßen und hielten einander umarmt, die Musik durchdrang uns heiß von oben bis unten, man gab sich mit Umarmungen und Küssen zufrieden, nichts wirkte lasziv, im Basement, wie man hier das Untergeschoß nannte, geschah das Erstaunlichste. Die Türe nach außen wurde aufgerissen, Männer in Feuerwehrhelmen griffen nach Kübeln mit Sand, die sie im Schweiß ihres Angesichts in größter Geschwindigkeit hinaustrugen.

Sie achteten auf nichts, das sie im Raum vor sich sahen, in ihrer Eile, die brennenden Häuser in der Nachbarschaft zu schützen, griffen sie wie blind nach den sandgefüllten Kübeln. De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli in Würzburg. Das Heu liegt tot am Wege. Die Luft ist voll Kommen und Gehen. In zijn geboortestad studeerde hij ook algemene en vergelijkende literatuurwetenschap. Tasevski — Eternijan werkt in de Nationale Universiteitsbibliotheek.

Behalve gedichten schrijft hij ook kritieken en is hij als vertaler werkzaam. HERE WE ARE We crumble the night on a golden plate and spatter the milky rhythm of the spirit Shall we find it Shall we remove the root The moon peers at us The sticky strands tie our frail arteries in a knot Bitter are the shadows of the barbarian key when the sieve that bears us decays This dark onrush will not settle in our nucleus We rage!

Vertaald door Marija Girevska. De Duitse schrijfster Annette Pehnt werd geboren op 25 juli in Keulen. Zie ook mijn blog van 25 juli   en ook mijn blog van 25 juli Die Inseln damals und heute. Das Heute war lange her, auf den neueren Inselfotos hatten die Autos noch gerundete Kühlerhauben, und Eselskarren verstopften die schlammigen Dorfstraßen, aber vielleicht ist es ja dort immer noch so, dachte ich, blätterte zurück und kam zu den älteren Aufnahmen, bräunlichen, leicht verwischten Bildern, auf denen sich Leute mit strengen Mienen zu ordentlichen Grüppchen aufgestellt hatten.

Manche hielten feuchte Fische in die Kamera, andere hatten Ziegen oder Schafe neben sich in die Reihe gezerrt und legten ihre Hände besitzergreifend auf Tierhälse und Hörner. Einer hielt eine Art sperrigen Dudelsack mit krummen Pfeifen unter dem Ellbogen.

Die Kinder waren glattgebürstet und hatten eckige Köpfe. Ich wendete langsam die Seiten um, nicht ganz bei der Sache, weil gerade die Klimaanlage der Schule anfing zu brausen, wie immer um Viertel nach vier, als mich von einer halb herausgelösten Seite ein Kind direkt anschaute.

Es hatte weit aufgerissene Augen, Grübchen in den Backen, obwohl es nicht lächelte, und geradegewachsene Augenbrauen, die sich über seiner Nase trafen, noch nie hatte ich bei einem Kind solche Augenbrauen gesehen.

Die Augen schaute ich mir genauer an, beugte mich dicht über das wolkige Papier, bis sich der beharrliche, versunkene Blick auflöste in Kratzer und Punkte. So will ich auch aussehen, dachte ich und zog meine Augenbrauen zusammen, aber sie berührten sich nicht. Der macht, was er will. De Nederlandse journalist en schrijver Sytze van der Zee werd geboren op 25 juli in Hilversum. We mogen volgens ons angstige moeder geen slapende honden wakker maken en dus moet de indruk gewekt worden gewekt alsof Potgieterlaan 7 niet meer bewoond is.

Slechts het hatelijke plakkaat op het voorkamerraam ontbreekt. Buiten spelen doen we al helemaal niet meer. We leven, hokken met ons vieren wekenlang in de keuken, op een gerafelde, mossige mat van drie bij drie meter, tussen het aanrecht en de keukentafel, waaraan we eten en spelen.

Heel vaak moeten Henri en ik met een aluminium pan zonder handvatten, die zijn afgebroken, naar Ons Gebouw aan de Havenstraat, naar de gaarkeuken. We hoeven er niet meer in de rij te staan, zoals in de laatste weken van de oorlog. Wie nu nog naar de gaarkeuken komt, is arm en verdacht. Proces-verbaal, maar 'k heb 'nen verkeerden naam gegeven!

De Sooi zijnen cooed kwam terug ; zijn borst zwol op ; hij gooide zijnen kop fier achterover, als een felle vechtersbaas en hij begon to roepen, dat de scheldnamen priemden door de lucht ; de Pad hielp hem en ze riepen overhands, om ter meest: Kom af, dikke lorias, kom af, tegen mij alleen, kom hier, als ge durft, en ik breek u in twee! Maar daar ging zijn zware kluppel omhoog en cirkelde dreigend rond ; met zijn logzware pooten ging de veldwachter aan 't loopen, de schavuiten achterna Maar dan was 't haastig rechts-om ; hun rappe beenen schoten in gang en hun voeten klits-kletsten tegen den harden grond der dreef ; ze stoven vooruit en wipten over een gracht, het bosch in, het kreupelhout-door, als eekhoornkes zoo vlug En zij renden de hei-in, nieuwe avonturen to gemoet!

Sooike moest to biechten gaan, want 's anderendaags moest hij zijn eerste communie doen. Het was voor Sooike en voor al de kinderen, die zooals hij flu elf jaar oud geworden waren, de grootste en gewichtigste gebeurtenis uit heel hun leven. Ze gingen to zamen sedert maanden nu al, regelmatig naar de leering in de kerk en ze zaten, iederen dag, bravekes to luisteren naar de wijze raadgevingen en het zoete vermaan van den goeden priester. Aan wild ravotten en rakkeren in veld en bosch dacht niemand meer, en uit was het nu, uit en gedaan, met kwade poetsen en perten.

Sooike leerde zorgzaam-naarstig zijn catechismuslessen en kende zijn boekje heelemaal van buiten, met vragen en antwoorden, want hij had ze honderden keeren gehoord en herhaald to huis, waar moeder hem opvroeg, wat hij iederen dag in de kerk had geleerd. Zoo leefde hij flu in stille braafheid, in een gestadig, steeds groeiend verlangen naar derv gewichtigen, heiligen dag, waartoe hij zoo zorgzaam werd voorbereid door den pastoor der parochie in de kerk en door moeder to huis.

Ze zaten flu allemaal to wachten, de meisjes rechts, de jongens links, op twee lange roten, langs weerskanten der biechtstoelen geschaard.

Ze zaten daar nu,. Sooike zat bij pastoor Verhaege, bijna op 't einde van de rij. De kinderen trokken overhand den biechtstoel in, links en rechts, en de wachtende meisjes en knapen schoven aan, van 't eene stoeltje op 't andere ; ze zagen den priester in zijn witte koorhemd, door de spleetjes van 't groene gordijntje leunen, nu hier, dan daar, en ze hoorden rezzekes zijn fluisterstem, onverstaanbaar berispen en vermanen.

Sooike onderzocht zijn geweten naarstig-zorgvuldig. Hij moest een algemeene biecht spreken van heel zijn levers, want alles moest vergeven en uitgewischt worden en hij oogee in 't verleden, zoo ver hij maar oogen kon, zoo diep zijn kindergeheugen reikte ; hij speurde de minste vlekjes op, die er smettend kleefden op zijn zieltje ; want daar mocht geen stof je vuil haperen blijven voor de groote gebeurtenis, die aanstaande was en waar ze zich zoo lang tot voorbereiden.

Sooike herinnerde zich zijn allereerste boosdoen en ongehoorzaam zijn aan vader. Tante Mie was bij hen gekomen en ze had een schooners tros schoone blauwe druiven meegebracht voor hear petekind. Maar Sooike moest van vader eerst zijn kunde laten zien, een kruiske makers, eer hij druiven kreeg. Sooike wou echter eerst de druiven. Vader hield vol en werd boos ; toen had hij den koppigen jongen bedreigd, vingerloerend en hem eindelijk in den hoek gezet.

Dan had hij Sooike zijn rechterpolleke vastgepakt en het onvriendelijk tegen zijn voorhoofd geduwd ; en om hem in gang to steken, sprak hij hem voor: Zeg na, zeg ik u! In den naam des Vaders Ongehoorzaam geweest aan vader en moeder, 't was zijn eerste puntje. Toen hij zeven jaar was en voor den eersten keen to biechten ging, had hij het al eens opgebiecht, maar nu moest hij nog eens overzeggen, al zijn zonden, klein en groot.

Ten tweede, leelijke woorden gesproken, gevloekt, afgeleerd van 't werkvolk, op de straat, of van zijn makkers ; hij dierf de vloeken niet herhalen met zijnen mond ; straks zou hij 't moeten doen, voor den priester, maar dan was 't geen zonde meet ; hij zag ze duidelijk staan en leven voor zijn oogen ; en hij herinnerde zich hoe en waar het was gebeurd ; hij kon ze tellen op zijn vingers ; zeven keeren.

De Pad Verboven, zijn kameraad, kwam uit den biechtstoel, met gebogen hoofd, en ging in 't midden der kerk zijn penitentie bidden. Ze schoven allemaal dichter en Sooike zat daar weer, zijn twee ellebogen. En hij tuurde maar voort, het verleden in, op zoek naar zwarte vlekken en zonden.

Over 't kerkmuurtje geklommen en peren gepikt uit den koster zxjn hof ; belleken-trek gedaan,'s avonds na de teekenschool ; vuurpijlen afgestoken op de straat, om de menschen bang to maken ; de lantaren uitgedraaid aan den hoek van 't Kluizevestje ; eieren gestolen bij den boer ; vogels geroofd in 't Gielsbosch, leelijke namen geroepen en met steenen gesmeten naar den boschwachter ; centen gepikt uit de offerschaal na 't lof.

Twee keeren had kromme Pol het hem voorgedaan, in 't Gasthuiskerkske. Dan kroop de bengel tusschen de menschen, die na 't lof, in dichte drommen opeengepakt voor de communiebank, de relikwie gingen eeren en een centje offerden in de schaal ; de kromme deed of hij ook ging offeren ; klein verscholen, van achter, tusschen breedgerokte vrouwen, stak hij reikhalzend zijn koppeken uit en kuste de gezegende gele schijf ; zijn deugnietenarm piepte plots vooruit, vlugen zeker, en voor 't iemand had bemerkt, ritste de vlegel een handsvol centen en nikkels uit de schaal en pikkelde weg, tusschen de stoelen door, de kerk uit.

Maar toen Sooike het nadeed, den derden Zondag, had een missendienaar hem beetgepakt bij zijnen kraag en hem een goeie rammeling gegeven, buiten de kerk, terwijl kromme Pol, achter 't muurke, hem uit stond to lachen, kraaiend van 't plezier. Hij zou het nog eens biechten: Sooike telde nog eens na op zijn vingers, al zijn biechtpuntjes, en schoof weeral dichter ; hij moest zich gaan haasten, want seffens was 't zijnen toer. Och ja, gelogen, last zien, vier keeren per week, min of meer ; en o, God!

Verlejen zomer waxen ze gaan zwemmen in Boone's yen, zonder zwembroek! Sooike had het toch niet met opzet gedaan, want thuis had hij een rooden zakdoek weggefoefeld van zijn vader, den grootsten dien hij had kunnen vinden ; hij had het roode ding rond zijn lijf geknoopt, wegbergend zoo goed als 't ging, zijn leelijke naaktheid, voor hij zijn vlaggelend hemd uitstroopte, maar in 't water schoof de roode zakdoek af, zwaarglimmend van 't nat ; en uit vrees van hem to verliezen door zijn beenengespartel had hij hem afgedaan en hem neergesmeten bij zijn kleeren, die daar lagen op een hoopke op den boord van 't yen.

Heel zoet, half onbewust voelde Sooike nog het deugdelijk streelen van 't lauwe water en het vage wenschen van flog to doen, en goed to leeren zwemmen, om al zijn makkers to overbluffen, maar flu begon zijn mondeken ijverig to bidden zijn vier aktes en bijzonderlijk de akte van berouw en hij zei tegen zich zelven, met duidelijk roerende lippen, dat hij het nooit of nooit meer doen wou en dat hij altijd, altijd braaf en goed zou zijn. Hij zat op het harde bankske in den biechtstoel, en 't schuifke gleed open.

Achter 't getraliede vensterke leunde de witte pastoor en sloeg een kruis in de lucht, breed-gewichtig. Sooike duwde zijn gezicht tegen de tralies en zijn mondeke lispte, een voor een, stil zuchtend, zijn vele zonden ; en hij voelde bescheelijk hoe zijn pakske lichter werd en zonniger zijn hartje, naarmate hij sprak ; hij volgde op zijn vingers al zijn punt jes ; of hij toch niets vergeten zou, want alles moest hij zeggen, niets mocht er blijven vlekken om morgen een heilige eerste communie to doen.

En voor uw penitentie leest ge nu nog tien vaderonzen en tien weesgegroeten voor het Heilig Hart van Jezus en verwek nu akte van berouw. Dan leunde de goeie vent nog eens voorover naar Sooikes oor en zei ; Proficiat!

Daarna moest hij van zijn moeder nog eens den kruisweg doen, rond het koor en hij knielde neer voor al de staties en bad devotelijk in zijn dunne kerkboekje, rood op snee, met prentjes in. Toen hij voor de veertiende statie kwam, stak hij zijn armen uit, gekruist in de lucht en onderwijl bad hij nog vijf vaderonzen en vijf weesgegroeten voor de vijf glorieuse Wonden van ons Heer. Zoo licht als een engeltje, op onzichtbare vleugels, kwam Sooike de kerk uitgezweefd.

Het avondde reeds en de stille duisternis zijpelde neer uit den hemel en doezelde wattig de hoeken en lijnen weg. Hier en daar sterde reeds een straatlantaren open, geelgroenig vlekkend, licht purper omkranst, triestig in het stervend daglicht. Sooike trippelde vlugbeenig naar huffs, met een. Geen smetje kleefde erop ; 't was alles zoo zonnig en puur, zoo overdadig-goed en hij begon reeds bescheelijk to proeven het groote geluk, dat stil-aan werd geboren, waar hij morgen in zou baden, en dat hij dan handtastelijk zou bevoelen met gelukkige vingers op dien eersten grooten dag, den schoonsten dag van heel zijn leven!

Hoe overgelukkig was hij, hoe godzalig, Jezuke-lief to mogen ontvangen in zijn pure zieltje. Sooike kwam in 't nauwe poortje waar hij woonde en werd geluk gewenscht door zijn moeder, die seffens vroeg of hij toch niets vergeten had en alles wel rechtuit gebiecht.

Ja, moe, 'k heb niks vergeten. Verlies uw centen niet, zulie, jongen! Seffens keerde hij weerom, met het warm geurende brood onder den arm, op een drafke, zonder een oogenblik maar to denken aan ravotten of rakkeren. Hij trippelde lichtjes over de keien en zag de steenen vluchten onder hem. Hij wipte den hoek om, maar toen! Hij plofte vlak op het lijf van scheelen Toon en zijn brood danste bolderend over de straat.

Sooike sprong het achterna, maar Toon, eene kleine, rappe vechtersbaas, stoof Sooike tegen,. Gij, stommen aap, waarom loopte mij omver? Probeer het nog eens, snotneus! Toon, een eerste straatbengel, wat jonger en kleiner dan Sooike, voelde zijn overmacht en het bange toegeven van zijn vijand.

Hij duwde hem tegen den muur, en stiet hem voort met schouderschokken, tergend-uitdagend. Last me gerust," zei Sooike, last me door! Ge durft niet, he! Krachtiger, nijdiger klonk het: Ga uit mijnen weg, snotter! Da zegde niet meet!

Daar plofte een muilpeer pletsend open op Sooikes kaak. Ze grepen elkander vast, als stuivende hanen, ze wrongen lenig buigend, krochend en boksend daartusschen, vallens-gereed: Sooikes woede brak los, zijn bloed gulpte omhoog ; maar hij voelde almeteens hoe hij achterover stuikte, struikelend over Toones dwarsgezette been, en in dolle razernij wrong hij het uit zijnen mond: Hij had gevloekt, gevloekt! Een sterke arm rukte hem los van den huilenden jongen, die daar lag, met zijn aangezicht naar den grond, kapot, vermorzeld door het ontzettende dat er was gebeurd.

De groote vent hielp Sooike recht en duwde hem zijn brood in zijn hand. Ga maar rap naar huffs, ventje ; hij zal u niets meer doen. Leelijke sloeber, mask u weg of Sooike beende naar huffs, strompelend, met vuil betraand gelaat, niet voelend de slagen, die nog brandden op zijnen rug, verplet door 't geweldige, door 't woord dat hij zelf had gesproken en dat nu tergend sarde, voor zijn oogen, in groote vurige letters en dat nog altijd trillend na-klonk in zijn ooren.

Hij moest naar huffs, en hij ging ; hij kon nog niet denken wat of er nu gebeuren zou met hem. Een groote zonde, een dood-zonde had hij nu gedaan! En morgen zou hij een slechte eerste communie doen! Snakkend kwam hij thuis en viel op een stoel, met het hoofd op de tafel, uitschreeuwend in wild getraan zijn geweldige wee, waar hij geen uitkomst aan zag en daar hij zich nu liggen wist in een zwart-duisteren poel, begraven onder grenzelooze smart.

Wat is er, ventje? Ze troostten hem, ze beurden hem op met lieve woordjes en streelende handen en zijn eerste overweldigende wee werd kalmer ; maar dan begon hij in to zien, klaarder nog, het afgrijselijke dat hij had gedaan en wat hem nu to wachten stond!

Hoe kon hij nu zijn eerste communie doen! En toch, hij moest ze doen! Het zou dus zijn een slechte Dat rampzalig woord, dat zoo ineens het groote, witte geluk van morgen vernietigen kwam, en dien reinen, oppersten dag veranderen deed in een zwarten dag van matelooze ellende, nooit to vergeten of uit to wisschen, al leefde hij nog zoo Tang, onherstelbaar, onherroepelijk!

En in zijn wanhoop ontstond er bij hem in eens een vreemd-wreede wensch, dat hij dezen nacht in zijn bed, gedurende zijnen slaap, maar zachtekes sterven mocht Wat moest hij toch doen!

Wie zou hem toch helpen! Maar het was veel to last, hij geraakte niet meer buiten, en voorzeker, op dit late uur was de Pastoor reeds lang uit den biechtstoel weg en naar huffs, Aan moeder vragen wat hij doen moest en zeggen, bekennen dat hij gevloekt had?

Zou hij het durven? En hij probeerde de woordekes to zeggen, die hij daarvoor luidop spreken moest, en zijn lippen vergingen, onhoorbaar: Het kon i iet! Dus onherroepelijk en vast, een slechte communie! En ze welden weer op, verduisterend zijn oogen in nevels van wee, versche tranen van versche ellende. Doet het nog zeer, Sooike ; sloeg hij zoo hard?

Zijde niet goed, ventje? Ga maar liever seffens naar uw bed ; kom, ik zal u wegbrengen, en slaap dan maar goed ; dan is 't allemaal vergeten ; en morgen is 't dan de schoone, blije dag. Sooike verstond heur niet en liet rich gewillig naar boven leiden ; moeder kleedde hem uit, als een klein ziek kindje, en hij liet heur betijen. Wat was Sooi toch braaf geworden, in de laatste tijden, vond moeder, en ze dekte hem schoonekes onder, goed-warm toestoppend de Barges achter zijnen rug ; ze teekende op zijn voorhoofd een kruiske met heuren duim: Slapenl Het ventje lag rusteloos to woelen in zijn beddeke, om en weer, to zuchten zware, langgerekte zuchten uit diepe borst en angstig to blikken door 't zwart-stille kamerke naar 't schemerende venster, waar wemelende lichtglanzen over speelden van lantarenvlam.

Buiten roerde nog stil avondleven: Sooike lag daar, alleenig, ongeweten van iedereen, zijnen geest of to beulen in bang-beklemmende vrees voor wat gebeuren ging, voor wat hij niet vermijden kon. Had hij het maar niet gezegd, dat leelijke woord! Zie, daar stond het weer, in vurige letters, duidelijkklaar in den zwarten nacht.

Sooike wendde zijn hoofd om en kroop onder 't deksel ; hij wou het niet zien om het niet ongewild, stil uit to spreken en alzoo nog meerder kwaad to doen. Maar al kroop hij weg, vastsluitend zijn oogen, daar stond het weerom, in plagend gesar. Sooike verjoeg het, maar het dook weer omhoog uit ongekende diepten en nu hoorde hij het klinken, duidelijk-sterk, in zijn ooren, hardnekkig-tergend.

Het rommelde rond in zijn hoofd en Sooike gevoelde dat het de duivel was, die flu meester was in hem, die huisde in zijn zieltje en die hem bekoren kwam en verleiden tot verder kwaad. Wat moest hij toch doen? Wat kon hij toch doen? Hij zou maar bidden, al-door maar bidden den heelen nacht, en de hulp inroepen van zijnen Engelbewaarder, opdat die verdrijven zou den boozen plager. Wat had hij toch spijt, oneindige spijt! Maar zonder biechten was 't nooit vergeven ; daarvoor moest hij hebben volkomen berouw.

Volkomen, wat was dat? Hij wist alleen dat het was uiterst moeilijk, bijna nooit to bereiken en dat een mensch nooit weten kon of zijn berouw wet oprecht volkomen was. Werktuigelijk ging hij aan 't prevelen zijn akte van berouw, maar hij stokte in de helft, want hij wist dat het alleen niet helpen kon, en geen absolutie gaf ; dat lion slechts de priester, met zijn hoogere macht.

Was hij maar gaan loopen en had hij diep leelijken aap maar laten staan! Bidden dan maar, altijd-door De reeksen woorden volgden elkaar in lange roten en altijd nieuwe einden schoven aan ; ze liepen sours verward ineen, in zijn weg-ijlende gedachten, maar dan snokte hij zich weer op, uit komenden slaap, en dwong zijn gepeinzen samen en reide opnieuw heelder reeksen aaneen, onvermoeid van her beginnend, in vaag bewustzijn van het onherstelbare en van het vreeselijke dat hem nog to wachten.

Hij besefte 't ineens en een koud-nijpende schrik sloeg hem rood den nek en schroefde zijn koel toe, met ijzeren klem. Hij viel, hij rees neer, in duizelende diepte, altijd omlaag en lager, zonder steun, al klauwde hij woest uit zijn wild-grijpende armen ; hij tuimelde achterover, hals-over-kop, in den afgrond neer.

Hij wend naar beneden geslingerd, omlaag gesmakt in de hel. En bescheelijk zag hij, in neerstortende vaart, heel diep onder hem, uit donkere zwartheid opspoken gloeiende vuurtongen, hoog opkrinkelend naar hem ; en duidelijk voelde hij de stijgende hitte branden en verzengen zijnen rug! Met een luiden gil schokte hij wakker uit zijn akeligen.

Daar schemerden flauw de purperen vensters door Zijn kamerdeurken draaide open en zijn moeder stond daar, opgeschrikt door zijn bange gillen, om to vragen wat hem scheelde. De tijd kroop voorbij in afmartelend gepeins en stijgende vrees voor wat er onvermijdelijk komen moest, het morgenlicht, de Bag, de gang naar de kerk en de eerste communie.

Hij zag zich zitten tusschen zijn makkers, schoon gekleed, neergeknield op de communiebank, openvouwend hun hand jes onder het ragfijne witte kleed. Hij zag hoe nevens hem de diep neergezonken hoofdjes langzaam rezen omhoog, zooals zij 't gisteren nog hadden geleerd, en hoe hun open mondje ontving, op eerbiedig aangeboden tong, de Heilige Hostie! Daar stond de witte priester vlak voor hem, biddend en opheffend onzen Lieven Heer, en hij, met zijn zwarte zonde Hij voelde in eens zoo goed dat er dan jets afschuwelijks zou gebeuren, ze zouden het zien aan zijn gezicht, ze zouden het lezen op zijn voorhoofd, waar een zwarte kruis op zou verschijnen ; ze zouden 't weten en hij zou niet kunnen ontvangen in hem het Heilige Lichaam en Bloed!

Nooit zou dat kunnen! Daar moest jets ellendigs gebeuren ; ze zouden hem rukken en sleuren van de communiebank en hem toonen, met misprijzende vingeren ; hij wilt eigenlijk niet wat, maar hij gevoelde dat het zou zijn, ontzettendgeweldig Bidden dan maar, altijd bidden, het eenige dat hij vermocht in zijn hopelooze onmacht.

Weer prevelden zijn lipkes trillend de reeksen woordekes af, altijd van her, altijd van her Z'n moeder tikte hem wakker, 's morgens heel vroeg, en hij rees uit diepen sluimer op, tot het droeve bewustzijn weer. Het flauwe morgenlicht schemerde in 't arme kamerke, en seffens stond, met een kilkouden schrik, weer voor zijn oog, de vreeselijke zonde, die van dezen rijk-belovenden dag maken zou een dag van ellende en rouw, van onuitsprekelijk, diep verborgen wee. Hij wipte uit zijn beddeke en wreef in zijn flauwe slaapoogen ; klaarder zag hij weer verschijnen voor zijn toegedrukte oogen, opspokend uit zwarten met f ijne lichtpuntjes beprikten achtergrond, in bloedvlammende letters, het rampzalige tergende woord Hij rukte zijn oogen open en keek in 't licht om het vreeselijke beeld to verjagen.

Hij rude op zijn beenen en voelde om zijn hart hoe hij flauw was en ziek van angst. En hij mocht het niet weten of toonen ; hij moest zich kloek en sterk. Ons Sooike ziet er zoo bleek uit," meende zij, terwijl ze volop in de weer was om hem aan to kleeden, properkes en net, zijn kostelijk schoone kleeden, waar zoo lang voor gezorgd en gespaard was.

Want schoon moest hij zijn, op dien hoogen dag, zoo als een kind van rijke menschen. Sooike liet ze maar betijen aan zijn lijf, zijn schoentjes vastrijgen, zijn halsboordje ombinden door zenuwachtige vingeren, zijn haar fijn kammen in een schoon rechte streep, zich afborstelen tot het laatste stof je verdwenen was ; en dan nog de witte satijnen strik om zijnen arm en zijn bolhoed je op ; hij kreeg van vader nog een zegenend kruisje op zijn voorhoofd en toen was hij heelemaal klaar. Vader bleef thuis en zou de kleinere kinderen in orde brengen en Tist, den ouden sukkelaar, helpen kleeden, zoodat alles gereed zou zijn om to feesten tegen dat moeder en Sooi zouden terugkeeren uit de kerk.

Moeder stond to pronken in heur beste kleed, fonkelnieuw. Rap nog een plooike fijn getrokken en een stof je weggeknipt, want buiten hoorden ze de rijtuigen al ratelen, waarmee de rijke kinders ter kerke trokken. Ze waren op weg nu en buiten zag moeder beter nog hoe bleek heur Sooike zag, met blauwe vegen die donkerkringden om zijn oogen. Ze beurde het zwijgende ventje op en sprak hem van straks, als ze terug thuis zouden komen en dat het volop kermis zou zijn.

Sooike sprak niet ; hij ging daarheen, en voelde niet de frisch-prikkelende morgenlucht en de feestelijke stemming der kinders, die rijk gedost ter kerke trokken, en der rijtuigen, die vroolijk bolden over de keien, en droegen wit-wolkige meisjes, die even piepten door. Hij ging met lamme beentjes, en gebroken wil, zonder cooed nog tegen to spartelen, veroordeeld tot een ongekende wreede straf ; en hij voelde enkel de groeiende zekerheid van ijselijk gebeuren in de kerk, op de communiebank.

Van alle kanten roffelden gestadig rijtuigen aan ; uit zijstraatjes kwamen arme meisjes en jongens, met ouders of tanten, sierlijk opgesmukt, licht trippelend in het vroolijke lentezonneke. Heel de kerk zat bijna vol ; in de middel-beuk, Tangs den eenen kant, de jongens, zwarte schaar met wit roerende gezichtjes, deemoedig neergeknield en ijverig biddend voor het heilige dat op handen was. Tangs de andere zij, de meisjes, witte wolk, vol kanten gevlinder en luchtig beweeg.

Rondom, de ouders, loerend naar hun kinderen, aangedaan en fier. Vlak voor, omgeven door groene, weelderige planten, de lange communiebank, rood bekleed met een spierwit, fijnkanten overdoek, en daar boven op, aan de twee uiteinden, een gevleugelde Engel, in wit gewaad, met opengespreide armen, uitnoodigend de jeugdige schaar ter heilige Nutting. Bezijden, overschouwend het heele tooneel, priestess, naarstig lezend in lijvige kerkboeken, met rappe lippen.

Sooike zat to midden in, verloren op zijn. Hij kon niet meer denken met zijn afgetobd hoofdje, en hij liet maar begaan en komen den tijd, overmeesterd, willoos, met het enkele bewustzijn van iets ontzaggelijks dat er gebeuren moest als hij nutten ging de Heilige Hostie. Wat zou het wel zijn? Zou hij niet verstikken en sterven, of neergesmakt worden op den grond? Zou de aarde niet openscheuren onder zijn voeten? Hij wist niet wat hem to wachten stond, en 't vreemd-.

En hij probeerde opnieuw to beginners, zijn gebeden voor de communie ; maar de woorden schemerden voor zijn oogen, de letters dansten wippelend dooreen en hij lei zijn boekske neer voor hem en vouwde zijn kil-koude handjes. Flauw benauwend kroop wierookgeur in zijn neusje op en hij hoorde in zijn hoofd alles duizelend roezemoezen ondereen, verward-ver, zoo vreemd en aardig. Hij hoorde spreken, zingers en orgelmuziek ; de jongens roerden zachtjes op hun stoelen ; de menschen kuchten en 't smolt alles verward ineen in zijn soezelend kopje.

Al met eens een vieze schok! Daar stand de eerste rij communiekanten op en Sooike zag nag, heel ver, door wazigen mist, de jongens optrekken, handers plat samengelegd op hun borst, met opspitsende vingeren, hoofden eerbiedig-gebroken voorovergeknakt, opstappen, geruischloos, naar het Heilige Maal. Een tweede rij stand op am neer to knielen, achter de eerste Daar was het zijne beurt am op to staan.

De saamgeperste angst barstte open en zijn hartje brak. Tat was er nu? Hij began to rillen, knikkend op zijn knieen. En hij voelde dat hetgeen hij zoo lang al had gevreesd, dat het ontzettende nu aan 't gebeuren was met hem: Hij hoorde vage geruchten vreemd koken en soezelend huilen in zijn ijle hoofd heel ver, hij stierf en hij wou nag verwekken een akte van berouw ; en zijn gedachten grepen nag naar stukken woorden die verwaterden in zijn hoofd, wegsmeltend in 't niet ; een warme gulp joeg omhoog.

Daar was een kort rumoer in de kerk. De verschrikte jongens sprongen op zij ; een priester stond reeds daar en tilde den gevallen knaap op in zijnn sterke armen, hij droeg hem weg in de sacristy door uiteenwijkende menschen ; Sooikes moeder kwam toegeschoten, met jammerend gesnik om heur kind, dat daar hing met stiff-uitgestrekte leden, vertrokken mond en gesloten, blauw omkringelde oogen, in 's priestess armen.

Ze haalden water en azijn en wreven en leschten zijn hoofd, zijn slapen en zijn polsen ; hij kreunde zacht en een tees-roode kleur schemerde f lauwkes door op zijn mat gele kaken ; maar het duurde nog een heele pons eer hij zijn oogen open trok, wild-starend in ongekende verte. Een lange zucht blies zacht uit zijn benauwde borst en toen tees hij op, met wilden schrik in zijn oogen, Sooike zocht rond en keek in de ongekende, vreemde plaats. Sooike, manneke, zijde bekomen? Het ventje stak zijn armkes uit, en begon to schreien zachtekes, ongelukkig.

Zoet schemerden zijn gedachten op, uit nmen droom, steeds klaar en klaarder. En hij had zijn eerste communie nog niet gedaan! En hij mocht wachten, en kon biechten, kon biechten die leelijke zonde, die hij nooit of nooit, van heel zijn leven niet meet bedrijven zou!

Hij glimlachte f lauwkes en keek zijn moeke aan, zijn moeke, dat hem to streelen stond, over wangen en haar. Meester Van TruiJfen stond voor zijjn jongens, op het verhoog ; en zijn breed openwaaierende, rosharige baard knabbelbabbelde, wippelend op en neer over zijn stijfwitte borsthemd, mee dansend op mast van het knappen, open en toe, van zijnen sprekenden mond ; en zijn stekelige, roodverroeste snor dreigde sours, heur koperdraadjes puntend omhoog of schuinweg, in zenuwachtig gesnok, als de meester zijn lippen samenkneep en opeenwrong, boosdoend tegen verstrooide of spelende bengels.

En met het wenden en verwikken van zijn hoof d, nu eens naar de stil rumoerende klas, dan weer terug naar de gekleurde landkaart, die voor 't bord hing, of even sours door 't raam weg, de lucht in, waar de schroeiende zomerzon goudsprankelend vuurde, ketsten en flitsten lustige lichtstraaltjes zilverend uit zijn gouden brilleke, dat op zijn grooten tomatenneus stond en dat vroolijk trilbibberend aan 't leven ging, telkens als de saff raanbaard zich boos maakte tegen ondeugend lawaaiende jongens.

Sooi, de Pad Verboven, Tuurke Vercammen, en nog andere bengels zaten daar, verstrooid to luisteren Ze hadden voor een paar maanden bravekes hun eerste communie gedaan, maar ze waxen, -- nu ze niet meer iederen dag de zoete vermaningen van den priester in. Ze zaten allemaal stil, vaag verlangend dat er eens jets gebeuren zou, jets plezierigs, overwachts, dat het loomsuffe weg zou jagen uit de klas en de jongens aan 't lachen brengen, vroolijk en luid ; ze zaten stil, zoo maar geduldig to wachten en to verlangen naar het einde van de les, naar de bel, die straks zilveren zou, to midden der stilte, en hun armen en beenen en oogen weer wakker en levendig maken, en, met heur sidderend getril, de vaak en de loomheid zou jagen uit de dofferig slapende klas.

Sooi Van Mierlo zat achter de Pad Verboven, zijn rug half verborgen, luisterend naar wat de meester zei, maar onderwijl zinnend, als gewoonte, op mogelijk kattekwaad.

En de eerste van allemaal had de Sooi het toch weeral gezien, met zijn vlugge kijkers: Hij scheerde langs de zoldering, in zoevend gebrom, pijlde door de klas en ging, aan den overkant, hoofdig botsen tegen de ruiten, in steeds korter gesnok ; en nu loerden de jongens er heen, de eene voor, de andere na, en al de koppen keken links, weg van 't bord en de schoone kaart, en ze draaiden mee, omhoog en rechts en naar achter, de zwaar brommende vlieg achterna, die kruiste en streepte in grillig geweef, op en neer, en dan weer winkelhaakte in plotsen zwenk om terug naar 't venster to keeren en aan 't botsen to gaan, dwaaskoppig, nijdig, tegen 't heldere, zinderende glas.

Wie nog omziet krijgt straf! Moet ik het nag eens herhalen, Serneels? Het vliegske hoorde, wat de Sooi vroeg en wenschte, en juist op 't ribbeke van de matte ruit bleef het een oogenblik zitten dubben en keerde dan om, met zijn koppeke omlaag.

Dat was de gast! De vroolijkste klepper, de plezierigste sloeber uit heel de school, karosser, karottentrekker, 'ne viezen apostel, vlug en verstandig. Als er maar jets to doen was, van spitsvilderij of kwade perten of poetsen to bakken, den Saffraan to treiteren of to judassen, dan was hij er bij of omtrent.

Maar'twas 'ne f ijne,'ne vos,'ne sleebus, de kleine rakker! Met het onnoozelste snullengezicht van eenen, wien g'ons Heer zoudt geven zonder biechten, wilt hij het spelleke in gang to steken, maar hij voelde rot waar hij gaan mocht, en wanneer alles overhoop stond en dat het gevaarlijk werd, ritste hij uit de litsen en was weg, als de anderen zich beet lieten pakken, als dwaze kiekens zonder kop.

En het schoonste van al, Meester Van Truijen zag den Sooi geerne! Maar de andere jongens wisten wel dat de Sooi bedrog deed en afschreef in de prijskampen op 't einde van iederen trimester. Op kleine snipperkes papier, zorgvuldig geborgen in zijn kousen of schoenen, stond de leerstof gekribbeld, die hij niet kende ; en als 't wedstrijd was, dan schreef hij af,, achter Verboven zijnen rug, stout weg, zonder bang zijn of vies-ongewoon doen, zeker van zijn stuk!

Als de andere knapen hem na wouen. Toch dierven z' het niet overbrieven, van Sooikes bedrog ; want verraad en overdragerij, dat ging er niet in ; en daarbij de Sooi was sterk en ze zagen hem gaarne! Want als er to lachen viel in de klas, was het de Sooi toch die het ding beredderen moest. Als er meikevers vlogen, of datmeester Saff raan tusschen de banken wandelde, met een kwispelvlaggelend papierke Tangs achter aan den knop van zijnen jas, of dat er een zwierelend ventje aan de zoldering hing, met kromme beenen en stiff uitgestoken armen, of dat er een dikke bol gekauwd papier nevens den Meester zijn hoofd lijnde, witmalsch openkwakkend op 't zwarte bord, dan wisten de jongens wel van waar het weer kwam.

Maar dan lachte de Sooi mee, luidkeels mee met al de jongens en hij keek rond, links en rechts, verwonderd, om to zien van waar de deugnieterij nu toch weer komen kon ; en hij deed het zoo natuurlijk dat de jongens zelf aan het twijfelen gingen, en dat meester of knapen er niet meer wijs uit werden!

Kom, vliegske, kom, dolleke! Wat zouen ze lachen, als 't lukte! De bengel voelde de vreugde en 't plezier al kriewelend kittelen in zijn handen en beenen. Bromzoevend vloog de groote dol van 't raam weg, slierde schuin of Tangs Van Truijen zijn ooren, hoekte omhoog en ging dan weer al aan 't botssnokken tegen het venster, aan de overzij.

Land van Waas, de Polderstreek, het Meetjesland Van waar was die dol zoo plotseling gekomen? Dat had de Sooi niet gezien ; even maar was hij hem kwijtgeraakt, heel even maar ; en toch, nu zat hij daar, maar zoo echt en echt, daar, vlak voor de Sooi, op zijn lessenaarblad ; de groote, vetlijvige, donkerblauw glanzende dol, die daar juist nog omzoefde, zigzaggend door de klas, zat daar nu, in 't bereik van den Sooi zijn hand, en kuischte, vlug pootelend en schurend, zijn gazige vlerkjes.

Heel voorzichtig gleed de Sooi zijn half toegekrulde hand over de bank, naar het bedrijvig pootelend dolleke toe, en, eer zijn makkers het hadden gezien, vliegensvlug ritste zijn handje over 't hout, toeknappend, en het beestje zat kiks gevangen, lekkerkes gevangen in de Sooi zijnen pol!

Hij voelde 't kriewelen in zijn vuist en wringen en wroetelen met zijn pootjes. Als hij zijn bovenste toegekneukelde vingerke even loste, voelde hij 't vliegske kruipen en hooger opwerken om vrij to geraken, en, door het kleine spleetje loerend, zag hij het zwarte koppeke, met twee glinsterende pareloogjes, bloedrandig omkranst.

Zie voor u, stommen aap! Dinant, I Jvoir, Namen, Andenne Maar opeens was 't er mee uit! Luid joelen en lachen schaterden proestend dooreen ; de koppen wemelden, de ruggen golfden en wendden links en rechts en op ; en ondeugende schelmoogen volgden het dol dwaze vliegske dat rondkringelde boven de hoofden, met een vroolijk wapperend papierke, dat gekvlaggelde aan een garen draadje, het vluchtende dolleke achter-.

Juist stroomde meester Saffraan Hoei voorbij en blikte naar Luik heen, en in een oogwenk was 't gebeurd, het angstige beestje, wild snokkend en hoekend boven de koppen, in een oogwenk, zonder dat de meester gezien had, vanwaar of hoe!

En nu streepte het vliegske rond, omhoog, omlaag, verschrikt door 't ongewone gefladder daar achter zijn lijf, wild aanbotsend tegen 't glas, terugstuikend en schurend voorbij den news van Van Truijen, die wild armend naar 't gekvleugelend papierke sloeg, dat voortvluchtte over de koppen heen der jongens, die rechtsprongen en op en neer wipten in hun bank, elkaar ophitsend in luider gekraai en geproest, en nu ook uitarmden, klauwend naar 't lollige vliegske, wel zorgend het toch niet to raken en het plezier to doen duren ; tot eindelijk de Pad Verboven, rechtstaand boven op zijn bank, uitstekend boven het wiegelend gegolf zijner makkers, er naar smeet met zijn klak, die opvloog zwart ploffend tegen 't plafond, onder 't luider uitkressend gejoel van de jongens, en dan terug neerkwakte op den news van Juleke Bloks.

Maar de meester had Verboven zien smijten en sprong naar hem toe, roepend en dreigtierend op den dwazen loebas ; en hij sleurde hem van zijn bank, door de jongens heen, schuddend geweldig zijn armen en rug ; en zoo viel eindelijk de schrik den knapen in 't lijf, bij 't zien van 't bang betetterde gelaat van Verboven en de stilte kwam weerom ; en dan, nog eens schuchterkes loerend omhoog of opzij, zagen ze 't alien ; de dol was verdwenen, ergens neergevallen in een hoekske misschien of buiten geraakt en weg door 't openstaande venster, zonder dat iemand het wilt.

Dikke Verboven stond in den hoek, met zijn gezicht naar den muur en kreeg nog honderd regels straf of. En ze vezelden geheimzinnig dat het de Sooi weeral was geweest, die het den meester had gelapt.

En Verboven had straf, de stommerik, voor dat smijten met zijn klak. Ze bewonderden den Sooi, die alles dierf waren, altijd wat nieuws, en die altijd ontsnapte! Maar ze twijfelden al gauw weer, want 't was zoo'n gelukszak, die Sooi! Om half vijf moesten de grooten terug zijn voor de avondstudie, na de klas.

Ze liepen naar huffs, om hun boterhammen op to smullen, met koffie erbij ; en seffens waren ze terug om samen to kunnen spelen op de koer. Ze stonden in een rondeke getroept en telden of om to zien wier er eerst kiezen mocht voor 't barrespel. En op de mast van het lied trippelde Sooike Van Mierlo zijn polleke rond. Ziegezage manneke, Boter in het panneke ; Boter in den pot, Is dat manneke nog niet zot.

Tuurke Vercammen mocht kiezen en ze waren weldra in twee kampen verdeeld met Tuurke en Sooi als aanleiders ; ze stonden tegenover elkaar, aan beide zijden der koer ; en nu liepen ze om en weer, en stormden elkander achterna. Ze slingerslangden over 't. Het rammelde half vijf op den toren ; de portier belde en het joelen bedaarde en viel stil. Meester Saffraan deed de studie. De jongens stonden in twee rijen geschaard voor den ingang en Van Truijen wandelde to midden in, met zijnen koperbaard breed uiteenwaaierend op zijn borst.

De jongens trokken binnen, blazend en zweetend van 't geweldige spelen. Ze zaten aan 't werk. De koppen hingen voorover gebukt over de boeken ; de pennen wemelden krabbelend over 't papier ; de jongens leerden. Op en neer gingen de borsten en de asems gleden geruischloos door opene lippen. Hobbelsobbelend, klabodderend ritsratelde een marbel over den vloer, botsbolderend tegen den muur, schuin pletsend tegen een bank, afketsend en voortbolderend in kortere schokjes en sprongetjes, heel de lange studiezaal door, verloren bollend onder de jongens hun voeten.

Van Truijen rees recht en uit zijn brilleke gensterden booze lichtstraaltjes en de jongens, hun lachen bedwingend, keken terug neer, bang voor den leelijk oogdreigenden meester. Verlaat de studie,zeg ik u! Dan werd het weer stil en de knapen blokten hun lessen of penden hun schooltaak af, voor den volgenden dag. Van Truijen loerde rond, achterdochtig, over zijn brilleke. En hij hoorde nog Verboven, die anders zoo bloo was, zich nu verzetten tegen zijn straf.

Zou 'k mis geweest zijn? Ik had hem zijn zakken moeten omkeeren, om zeker to zijn. Wie kon het anders wel zijn? Joske Bouwens, met zijn schijnheilig gezicht, die nevens Verboven zat, was er ook wel toe in staat!

Of Gustje Meulestee, dat vlugge kapoentje? Sooi van Mierlo dan? Maar die hing daar zoo vlijtig to blokken over zijn boeken! Van Truijen las weer, keek nog wel eens op, heel eventjes op, in rappe vleugeling over de gebogen hoofden ; en rustig ging het voort, heel rustigjes voort, en langzaam. Toen was het er weer! Maar veel erger nog dan.

Acht, tien, twaalf marbels ineens, een voile handgreep, ratelden, roefelden, tikkelden, bikkelden, dansten rond, walsten en schrankelden vender, in klitskletterend geweld, springend en huppelend in wilder getikkel en doller gekets, rammelend, rommelend, klaterend, beukend tegen de muren, schurend onder de banken door, ritsratsend over den vloer, lang nadreunend en uitrollend tot heelemaal van voor, onder Van Truijen zijnen stoel.

Maar de meester veerde op, even maar merkend een vlugge, verdachte beweging van Sooike's arm, en het lawaaiend joelen en schetteren den jongens overhelmend, klonk het: Van Mierlo, uit uw bank! Maar de bengel moest zijn zakken omschudden en, al was het flu juist het seizoen niet van 't marbelspel, toch kwamen er nog heelder handsvollen lekker malsch uitgeboid, en het kereltje vloog den hoek in, achter in de studie!

En kreeg een geweldige straf! Alle dagen, een week lang, bakken na de studie en honderd regels afschrijven, uit zijn boekje van geschiedenis, met daarbij, het ergste van a1, -- vaders handteeken er op!

Dat zou hem leeren, den dwazen jongen, met zijn kwade perten Als de studie uit was, verlieten de jongens hun banken en zetten zich twee aan twee gerijd, vertrekkensgereed, in den gang. De Sooi moest terug komen op zijn plaats en begon zijn straf to kribbelen uit zijn geschiedenis-. Nu hadden z' hem toch ook eens, peinsden de jongens ; en voor een goei! Nu was hij geknipt!

En hij moest het betalen, voor al zijn deugnietenstreken van vroeger! En zij vroegen zich af, of hij nu geleerd zou zijn, met al zijn kwade poetsen en perten! En of hij het ooit nog wagen zou? Hij had moeten bakken tot zeven uren ; en moeder had zijn straf onderteekend, met vaders naam, en vader zelf, die wist er niks van, niemendalle!

Spijtig maar, dat het zoo lang nog moest duren. Zou 't waar zijn? De Sooi zou zich koes houden, en goed zijn lessen leeren en dan zou meester Van Truijen, die zoo braaf was, de straf wel verkorten. De Sooi hoopte, want hij wist wel dat hij er gewoonlijk goed van afkwam, dat hij een gelukszak was! Als vader er maar niets van to weten geraakte! Dan gaf hij er niks om, rats niemendalle!

De knapen zaten in de klas, op hun banken, vlijtig to luisteren, toen opeens, heel onverwachts, de deur opendraaide, en daar stond, plechtig en groot, witgebaard, de schoolopziener in de klas, omwaaid met ontzag. Van Truijen verschoot door dit onverwachte bezoek en de jongens stonden eerbiedig op, in hun bank.

Ze moesten onderhoord worden over wat ze zoo al kenden en wat Van Truijen hun had geleerd. Dan dwaalden ze rond op een blinde kaart van Belgie, verloren hunnen weg, legden Brugge op de Schelde, Namen in Brabant en spoorden per trein Tangs een vaartlijn. Verboven stond recht en hij hakkelde alles dooreen ; van Merwigs met lange Karen, van Cesar en Ambiorix en Karel den Groote. Maar onderwijl zat de Sooi daar, recht op, hoog op, met zijn wijsvingerke in de lucht, om to mogen antwoorden, ongeduldig, smeekend kijkend naar den opziener, of hij antwoorden mocht.

Of hij 't kende, van Clovis! Gisteren afgepend, nettekes afgepend voor zijn straf ; en nu zat het allemaal nog zoo schoonekes en versch in zijn geheugen! En terwijl Verboven dwazen onzin aaneenflanste had de Sooi den tijd gehad om het nog allemaal eens to overdenken ; en zijn wijsvingerke puntte omhoog en zachtekes drin-.

Ga maar zitten, jongen! Weet gij er wat meet van, manneke? Hij wilt er den al van, van Clovis, wanneer hij geboren wend en op den beukelaar verheven en welke plannen hij koesterde ; en hij vertelde van de kostelijke schaal van Soissons, en van Tolbiac, waar de Alemanen wanorde brachten in 't Frankische leger, tot Clovis eindelijk de hulp inriep van den God van Clotildis ; en van Clovis' doop in de Kerk van Reims, waar hij zweren moest to verbranden wat hij aanbeden had en to aanbidden wat hij had verbrand.

Hij kende den al en babbelde voort. Van Truijen knikte aanmoedigend met zijn hoofd, en hij keek, liefelijk glimlachend naar den opziener toe, die behagelijk luisterde naar den vlug pratenden jongen. De andere knapen in de klas begrepen er niets van ; want daar was geen bedrog bij to zien of omtrent, dees rein!

De Sooi zijn boekske lag niet open, achter Verbovens rug, zooals 't wel meet gebeurde, als hij zijn les moest opzeggen voor meester Saffraan. Ze begrepen er niets van!

De opziener knikte tevreden. Hoe is uw naam, vriendje? Ge zijt zeker wel tevreden over Sooi, niet waar, Mijnheer Van Truijen? Hij ging en hij zei nog, dat hij heel tevreden was over zijn bezoek en de jongens kregen allemaal, voor hun belooning, dezen namiddag een halven dag vrij!

De meester leidde den schoolopziener buiten en de jongens, die recht stonden nevens hun bank, wreven in hun vuisten en lachten tegen elkaar.

Dat had de Sooi hem weer gelapt! Dat was toch de kerel! De Meester kwam terug voor de klas ; de jongens mochten gaan zitten en ze keken nieuwsgierig naar Van Truijen zijnen mond, wat of hij wel zeggen zou. Van Truijen keek vriendelijk door zijn brilleke heen, blijgezind. Hij kuchte, greep een stuk krijt, brak er een stukje of dat hij neerlei op zijnen lessenaarrand, overkeek nog eens heel de wachtende klas, en dan was het, langzaam, gewichtig: Jongens, 't is goed geweest ; ik ben ook tevreden over uw antwoorden ; en Pas had Peerke Melis, die in 't zelfde zijpoortje woonde als de Van Mierlo's en de Verboven's, zijn eten door de keel of hij sprong van tafel op en wipte den achterbuur in, waar zijn weefgetouw stond.

Zonder talmen of treuzelen viel hij terug aan 't werk. Hij liet Trees, zijn vrouw, maar betijen met de jongens, die nog voort bleven stekken, gulzig happend de bloemige, witgele aardappels met azijnsaus overgoten. Peerke had haastig zijn pijpke aangepaft, dapper smekkend en hij blies den rook voor zich heen en onderwijl zat hij op zijn houten bankske, tertend en snokkend aan 't getouw. Binnen in de keuken begon het lawaaien van zijn rumoerige bengels en meisjes, die rondstoeiden op den vloer en samen speelden, luidruchtig, en seffens aan 't krakeelen geraakten, snaterbekkend, taterend en kakelend als een troep vechtende kiekens, terwijl moeder, vruchteloos kijvend en bedreigend, den etensboel aan 't opruimen en 't afwasschen ging.

Straks moesten de grootsten naar school, en dan zou 't wel rustiger worden, peinsde de vent, als de kleinste. Peerke zat flu lustig to trappen met zijn voeten en to snokken aan zijnen trekker met zijn rechterhand.

En, terwijl hij den rook wegblies, die opkrulde uit zijn pijpke, keken zijn oogen zorgvuldig het werk na, het ingewikkelde werk, dat zijn behendige handen en voeten in roering brachten. En zijn mond telde mee, viermaal wit en tweemaal blauw. En, met iederen tert van zijn voeten klommen of daalden de kammen voor hem, bij paren, to gelijk ; en de draden der schering, die afgelijnd kwamen van den boom, aan 't eind van zijn getouw, en die staken door de spleetjes van de kammen, in eindeloos getal, regelmatig nevenseen gerijd, wit en blauw ; de tallooze draden der schering, die bij paren op- of neergetrokken werden met de kammen, gehoorzamend aan de geterden van den wever, ze kruisten en gaapten open ; en, na iederen trap van zijn voeten, snokte Peerke aan zijnen trekker, die zijlings vast zat, met een koord, aan den houten jager, en klits!

De tijk ontstond op den buikboom, langzaam, gestadig, draadje voor draad je, met iederen tert van zijn voeten, met iederen ruk aan den trekker ; en regelmatig schoot de spoel om en weer, en kletste luid zingend tegen den houten jager aan de overzij. Toen Peerke zijn geweef een oogenblik stillei, om een stukgesprongen draadje to vangen, en geduldig, maar behendig en vlug, met zijn hevelhaakje door de tanden van 't net to halen, toen hoorde hij dat zijn rumoerige jongens al weg waren near school, en dat de kleintjes nu veel rustiger speelden in de keuken.

Ze babbelden lustig ondereen, kindergebrabbel uit onbehendigen mond, hun eigen teal, die ze zoo goed verstonden, en moeders stem smeet er sours wet woordekes tusschen our 't al in orde to houden. Peerke knoopte zijn draadje vast, knipte met zijn fijn scheerke de eindekes weg en weer begon hij to trappen en to snokken, haastig en vlug, want hij had nagemeten wet hem nog over bleef en hij rekende er vast op, dat hij zijn stuk nog of zou krijgen vandaag.

Ruim drie weken had hij eraan gewerkt ; nog een zestal meters en de boom was af. Hij had al lang uitgecijferd wet hij er voor trekken zou en 't geld was al allemaal schoonekes verpast en bestemd, want het wou wet zeggen, zoo'n huishouden recht to houden, met zooveel kinderen en geen schulden to maken!

Zijn hoofd stale vol zorgen. Zoo'n heele hoop bengels, dat verslijt wet aan kleeren ; en het eten den, den ganschen dag door, want die monden stonden niet stil. Gelukkiglijk had Peerke een heel stukje akkerland, achter zijn woontje, en zie eens, door 't venster, hoe schoon ze dear stonden, zijn aardappelen, royaal vijftien roei, zoo weelderig en malsch, in de bloem al.

Die kleppers, met hun gezonde magen, wet ze daarbij nog verslonden aan brood, 't was niet our to gelooven. In 't begin van de week Jeugd. Peerke wroette, van 's morgens vroeg, voor dag en dauw, tot 's avonds last, bij 't arme schijnsel van zijn olielampke, dat boven hem, aan de zoldering hing.

Zijn vrouw had hear paart! Trees slaafde mee en had hoofd en handers ruimschoots vol met den last van 't huishouden en den onderhoud van kleeren en ondergoed, met de zorgen daar nog bij, voor Mieke, hun geit. Ja, ja, hun geit, dat was hun rijkdom, dat was hun weelde!

Ze hadden ze nu al een jaar of twee en dank aan Mieke mochten hun jongens toch hun buikje volsmullen, aan lekkere, gezonde melk, versch en vet. En daarbij, Trees verkocht nog menigen liter aan de buren, daar het beestje overvloedig gaf, vooral na 't lammeren. En van onderhoud kostte zoo'n beestje heelemaal niets: En al wat Trees dagelijks verkocht aan melk, 't was louter profijt! Peerke's getouw klikklakte lustig ; de spoel schoot vlug en snel door de draden der schering, die openkruisten, bij beurten, omlaag en omhoog.

Tot de boel plots stil viel, als een spoel of was. Dan greep Peerke een versche spoel uit den bak, en hij zoog, met behendige lippen het eindeke garen door het holleke, aan den kop van de spoel en maakte het uiteinde vast aan den vorigen draad, met een wevers-knoop of een wribbel, al naar 't hem inviel ; en weer ging hij aan 't trappers en 't snokken, rusteloos voort, viermaal wit, tweemaal blauw. Vlug verplaatste hij sours den houten tempel, een lange, platte lat, vlak voor zijn hand, our de draden evenwijdig op afstand to houden ;.

Nu zaten z'er toch op hun ergste voor, zoo heelemaal in de kleine kinderen ; tot over hun ooren in den last. Als hij eens terugdacht aan zijn vorige jaren, aan zijn schoone jonkheid, die lustige jaren, die zoo zorgeloos-blij waren heengesneld! En hij vergeleek dan met nu, dat hij daar zat, van 's morgens tot 's avonds, in eendere doening, met dat eeuwig getik en getak om zijn ooren en zijn hoofd vol knellende zorgen om den kost to verdienen voor zijn vrouw en zijn jongens.

Ze zaten er erg voor, 't is waar ; maar toch zou hij zijnen kop niet laten hangen, want inwendig toch gevoelde hij zich blij en gelukkig: Dat was al wat hij vroeg! Zijn jongens groeiden malsch op en waren nooit ziek of zuchtig. Ze waren kloek to been en vlug van verstand, Maar 't waren ook kleppers, vooral zijn twee oudsten. Wit zagen ze nooit! Als ze 's morgens duchtig waren gewasschen en geschrobd, dan vlogen ze seffens naar buiten en lagen to kruifelen en to ravotten in zand en moor ; en, al kijfde r~noeder van uit de keuken, al bedreigde vader van achter zijn getouw, trommelend met rappe vingeren op de vensterruit, het hielp allemaal niets en geen ommezien bleven ze proper en wit.

Maar 't zou wel veranderen, moedigde Peerke zich aan ; binnen enkele maanden kon de oudste al wat mee gaan verdienen, en dan zou 't rap beteren, van dag tot dag. En Peerke trapte moedig voort, altijd voort, en keek naar buiten, zijn hofke in, waar zijn aardappels rijkelijk bloeiden. Trees stak even maar heuren kop door 't spleetje van de deur en riep luide, den achterbuur in ; Peer, ge zoudt met de geit naar Vereecke's moeten ; 't mag niet meet uitgesteld worden ; 't is hoog tijd.

Dat trof nu eens slecht! En het stuk dat of moest, wat daar mee gedaan! Zoo geraakte hij niet gereed, als hij nu nog moest verletten, en kon hij zijn stuk niet meet inleveren vandaag! Zijn vrouw kon er ook niet mee gaan, want dan moest hij-zelf zijn kleinste gasten gadeslaan, en zoo zijn tijd vermorsen. Dan ging hij al even gaarne zelf. Morgen, Zondag, dat ging niet. En wachten tot Maandag! Dan was het allicht wat to last, en daarbij, wanneer moest hij dan den nieuwen boom opzetten en klaarmaken our zijn versch stuk to beginners?

En toch, hij had er zoo op gerekend, dezen keer. Wat had hij het getroffen met dees geit, die zoo goed en overvloedig gaf, jaar in, jaar uit, ten minste drie liters per dag, de tijden niet geteld, dat ze ging tot vijf! Zijn vroegere geit stond droog, sours weken aan een stuk. En stellig de jongen, die hij eruit winners zou, moesten goed zijn en zouden hunnen prijs wel gaan. Denk eens na, zoo het er eens drie waxen, of vier zelfs, zooals 't sours wel eens gebeurde.

Maar drie was misschien nog beter ; vier was ruim veel our groot to krijgen. Binnen negen weken zou hij 't al weten. Dat was tegen kermis. Zijn jongens, die zouden het leventje hebben! Ze zouden er mee spelen en hij zag ze al ravotten, met de huppelende geitjes, in hunnen hof, of Tangs de wegen in 't veld, grazend Tangs de grachtkanten, waar het malsche voeder stond.

Ze waren zoo grillig, zoo wild, zoo'n jonge geitjes. Wat zou het een vreugde zijn, voor zijn gasten! Maar toch, hij zou ze verkoopen, als ze goed opwilden ; en dat zou wel! Ja, als het maar jets wat mee wou gaan, was er een schooners cent mee to verdienen! Ja, ja, 't moest gebeuren, vandaag nog. Peerke overpeinsde het allemaal schoonekes en het kwam zoo natuurlijk en hij zei het bij zijn eigen: Om vier uren klonk de bel over de koer, en in al de klassen helmde 't rond, blij lustig verkondend dat het uit was met leeren en stil zijn voor vandaag.

De jongens, die zaten to kribbelen op hun leien of verstrooid luisterden naar den meester zijn stem, werden wakker geschud en gingen vroolijk aan 't rumoeren. De grif f els tikkelden neer, de leien klabetterden en schoven kletterend weg in de lessenaars. De boeken vlogen toe en ritsten de bankers in, waar ze flu rustig en roerloos mochten liggen tot de volgende week. Dan kwamen de jongens recht-op, wachtend naar stilte en naar 't gebed om de klas to sluiten.

De meester, op 't verhoog voor zijn jongens, had zijn stukske krijt kostelijk neergelegd in 't houten bakske, onder aan 't bord. Hij knipte wat stof van zijn mouwen en nu stond hij het al to overkijken, tot bet rustig zou zijn.

Jan sloeg een kruis en bad voor, luid op ; en terwijl. En in zijn vlug biddend mondje proefde Jan het genot, dat hem to wachten stond, na 't lange stil zitten en het blokken, tusschen dees vier witte muren. Ze kloeften naar buiten, bortelend uit de banken, de gang door, de koer op, waar ze zich rijden Tangs den muur, twee aan twee, Jan met Mieleke, zijn broerke, uit de lagere afdeeling, naast hem.

Ze trappelden van ongeduld op de steenen. De Meester gaf het teeken en al de jongens beenden flu de poort uit, de straat op. Luid klepperden hun voetjes en hun taterende mondjes snaterden plezierige dingen, al snaaksche plannen en deugnieterij voor straks en voor morgen. Hun oogen tintelden, vol levensgenot, en hun koppen wemelden, om en om, nu naar de vensterramen van bakkers en koekwinkels, dan weer naar menschen, die voorbij moesten, of naar een hondje, dat over de straat kwam getrippeld en naar dikke meiden, met opgestroopte mouwen en roode, struische armen, die aan 't borstelen waren en aan 't schrobben om straat en stoep schoon proper to krijgen voor morgen.

Een onvoorzichtige gaper schopte tegen een halfvollen emmer, die op den stoeprand stond en liep hem omver en 't water stroelde schuimend over de keien, bemorsend en bekladderend de schoenen en de broek van den opzijstuikenden bengel.

En de jongens vielen luid aan 't giechelen tot de meester kwam om de orde to herstellen, met booze. Tot op de markt! Dan vleugelden ze uiteen, in kleinere troepkes, de zijstraten in, ieder Tangs zijnen kant.

Jan, Mieleke en Jefke, hun andere broerke, die wat verderop stond in den rang, met Sooike van Mierlo, Pol, Toon en Lowieke, allemaal jongens uit hunne buurt, ze trokken to zamen de Mechelstraat in. Recht naar de vitrien van Fien Savelkoel, die een snoepwinkeltje hield. Ze stonden opeengedromd een pooske to gapen voor 't raam en ze overzagen het seffens allemaal: En op het tafeltje, achter het venster, chocolade en suikergedoe, allerhande en veel ; ook wafeltjes en lekker gebak, en mandjes vol kersen en krieken, waar 't sap in bloedde, in 't zonnelicht.

Maar, hun aandacht roepend, heel vreemd en ongewoon, - Jan had het seffens gepiept met zijn vlugge kijkers, en het getoond, met zijn wijsvinger er naar puntend, tippend tegen 't glas, daar zie! Dat was nu vuurwerk, sissers en pijlen, viervogels, die hier flu zoo almeteens to koop lagen, ongewoon, de begeerte der jongens prikkelend met vreemd verboden vermaak. Sooi van Mierlo zei het aan zijn makkers en stiet met zijn ellebogen in hunnen rug. Sooike en Pol liepen al weg, voorop ; de anderen beenden flu seffens achterna.

Jan Melis keek nog eens goed naar het plezierig lokkende spel, en toen wipte hij voort. Nu ging het, allemaal samen, op een drafke, de straat uit. Ze liepen, en stampten sours, in de vlucht en van verre, schuin uitsmijtend hun vlugge beenen, naar een hond, die in een bakkerskarke stond, of ze armden eens uit, rukkend aan een huisbel, die vroolijk aan 't tingelen ging ; dan liepen ze wat vlugger en zoo waren ze seffens de brag over, en een eindeke de stad uit, waar een heele rij lage werkmanshuisjes stonden, daar z' allemaal in woonden.

Van verre hoorden ze vaders getouw lustig klikklakken en ze begonnen to zingen, allemaal ondereen ; Daar zat 'ne wever op zijn getouw, Hij wist niet wat hij weven wou, Hij weefde 'n al dit, hij weefde 'n al dat Hij weefde zijn hemdslip van zijn gatl Zoo kwamen ze thuis. Ze snokten de dear open en stormden binnen. Nu zaten ze seffens aan de kof f ietafel, Jan, met zijn broertjes en zusjes, smullend en happend tot over hun ooren, in hun boterhammen, drie voor ieder, juist geteld, dik gesneden, en dunnekes met vet besmeerd.

Ze loerden naar elkaar, slurpend aan hunnen kof f ie, hopend dat de kleintjes hun deel niet op zouden krijgen en dat de grooten het overschot onder elkander zouden mogen paarten.

Toen viel opeens het weef getouw stil en ze hoorden seffens de ongewone stilte ; ze keken op en vader kwam, uit den achterbuur. Jan," zei de vent tot zijn oudsten jongen, luister. Ge moet er eens naar toe gaan, met de geit ; sef f ens als ge gedaan hebt met kof f iedrinken. Zeg maar aan den bass dat ik u gestuurd heb, met de geit. En bier zijn de centen. Draag er goed zorg voor. Steek ze goed weg.

Die geef t ge maar. Pas op voor uw centen ; verlies ze maar niet," vermaande Peerke nog eens. Ja, maar, als ge hem dan eens vandoen hebt, onder weg?

Mogen we meegaan, moe? Neen, neen," zei moeder ; om samen to ravotten onder weg! Jan, sef fens terug en niet lanterf anten, hoorde 't jongen?

De jongens uit de buurt lagen al to stoeien in 't warme zand van de baan of Tangs de grachtkanten, wat verder op.

.

Geilste kutjes kut negerin

Ik sprak over lezen en leven,. Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel. Een man stierf op een donderdag in mei,. Zijn lijk lag onderaan. Omstreeks dat trouwe uur. Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,. De wormen die hem slopen. De Duitse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren in Keulen als Hilde Löwenstein op 27 juli Zie ook mijn blog van 27 juli en ook mijn blog van 27 juli en ook   mijn blog van 27 juli Wir sind Fremde von Insel zu Insel.

Aber am Mittag, wenn uns das Meer bis ins Bett steigt und die Vergangenheit wie Kielwasser an unsern Fersen abläuft und das tote Meerkraut am Strand zu goldenen Bäumen wird, dann hält uns kein Netz der Erinnerung mehr, wir gleiten hinaus, und die abgesteckten Meerstraßen der Fischer und die Tiefenkarten gelten nicht für uns. Wir gehen jeder für sich den schmalen Weg über den Köpfen der Toten - fast ohne Angst - im Takt unsres Herzens, als seien wir beschützt, solange die Liebe nicht aussetzt.

So gehen wir zwischen Schmetterlingen und Vögeln in staunendem Gleichgewicht zu einem Morgen von Baumwipfeln - grün, gold und blau - und zu dem Erwachen der geliebten Augen. Alle meine Schiffe haben die Häfen vergessen und meine Füße den Weg. Es wird nicht gesät und nicht geerntet denn es ist keine Vergangenheit und keine Zukunft, kaum eine Bühne im Tag. Nur der kleine zärtliche Abstand zwischen dir und mir, den du nicht verminderst.

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli in Belfast. Zie ook mijn blog van 27 juli en ook   mijn blog van 27 juli When he found Laertes alone on the tidy terrace, hoeing. Around a vine, disreputable in his garden duds,.

Patched and grubby, leather gaiters protecting his shins. Against brambles, gloves as well, and, to cap it all,. Sure signs of his deep depression, a gostskin duncher,. Odysseus sobbed in the shade of a pear-tree for his father.

So old and pathetic that all he wanted then and there. Was to kiss him and hug him and blurt out the whole story,. But the whole story is one catalogue and then another,. So he waited for images from that formal garden,. Evidence of a childhood spent traipsing after his father. And asking for everything he saw, the thirteen pear-trees,. Ten apple-trees, forty fig-trees, the fifty rows of vines. Ripening at different times for a continuous supply,.

Until Laertes recognised his son and, weak at the knees,. Dizzy, flung his arms around the neck of great Odysseus. Who drew the old man fainting to his breast and held him there.

And cradled like driftwood the bones of his dwindling father. Pushing the wedge of his body. Between cromlech and stone circle,. He excavates down mine shafts. And back into the depths of the hill. His path straight and narrow. And not like the fox's zig-zags,. The arc of the hare who leaves. A silhouette on the sky line. Night's silence around his shoulders,. His face lit by the moon, he.

Manages the earth with his paws,. Returns underground to die. But Sister Carrie was a novel, a genre more accessible to the average reader, especially women, who made up the great majority of American readers at the end of the nineteenth century.

One of them was allegedly Mrs. Henry returned, too, again leaving Maude and Dottie behind, to resume for the next month or so his residence with the Dreisers, and he either continued or began to write A Princess of Arcady. De Nederlandse schrijfster en psychologe Marijke Höweler werd geboren in Koog aan de Zaan op 27 juli Zie ook mijn blog van 27 juli Zij droeg een zonnebril, die had ze in het haar gestoken.

Hij deed het wagentje op slot, nadat hij uitgestapt was. Van vee zou dus geen sprake zijn. Hoogstens een pony voor het kind. Meer zou er niet van komen. Ik zag de woelmuizen al scharrelen in het hoge gras, op weg om mijn andijvie op te vreten. Toch trokken ze me wel. Ik had het idee dat die mij veel vertier konden gaan geven. Ik zorgde daarom dat ik wat te doen had op het erf zodra ze weer naar buiten kwamen.

Daarna gaf ik zijn vrouw een hand. Maar niet zoals je het opschrijft, ze zei: Het kind had ook een naam. Zodat zij mij wat vragen konden als zij wilden. Dat deden ze ook wel, maar het was heel wat anders dan ik had willen weten als ik in hun plaats geweest was. Ik wist niet zo gauw wat ik daarop moest zeggen.

Ik woon hier al mijn leven lang. Dan kan je moeilijk van bevallen spreken. En ik wees ze de moestuin aan. Ze gaf geen antwoord, dus zo stonden we een tijdje. Ik was wel benieuwd hoeveel hij er opgelegd had nou het om vreemden ging. Het land hóórt namelijk bij mij. En ook mezelf zou ik niet gauw zo noemen. Toen keek ik weer eens op en zag dat ze nog steeds stonden te wachten. Het kind was naar het hek gelopen en wees de schapen aan. Het had zijn vingers in zijn mond.

Le Rivage des Syrtes. Quelque chose comme une alerte lointaine se glisse jusqu'à nous dans ce vide clair du matin plus rempli de présages que les songes; c'est peut-être le bruit d'un pas isolé sur le pavé des rues, ou le premier cri d'un oiseau parvenu faiblement à travers le dernier sommeil; mais ce bruit de pas éveille dans l'âme une résonance de cathédrale vide, ce cri passe comme sur les espaces du large, et l'oreille se tend dans le silence sur un vide en nous qui soudain n'a pas plus d'écho que la mer.

Notre âme s'est purgée de ses rumeur et du brouhaha de foule qui l'habite; une note fondamentale se réjouit en elle qui en éveille l'exacte capacité.

Dans la mesure intime de la vie qui nous est rendue, nous renaissons à notre force et à notre joie, mais parfois cette note est grave et nous surprend comme le pas d'un promeneur qui fait résonner une caverne: Zijne moeder was een Engelsche en keerde na vader's dood, met hem naar Engeland terug.

Een der voorvaderen van Bellocs moeder vocht als officier te Fontenay, vier ooms van zijn vader waren generaals onder Napoleon. Als leerling van de Birmingham Oratory onderging hij den invloed van Kardinaal Neurman. Hij voldeed aan zijn militaire plichten in Frankrijk en kwam terug om in Oxford te studeren. Hij begon als schrijver met kinderboeken. Zijn studies bundelde hij onder de titel: He was, on the contrary, a jeweller in prose, a man who sat down deliberately to write in a particular way when there was need or opportunity for it, but who, on general occasions, would write as might any other man.

We have a great mass of what he did, in long letters to [Anne] Boleyn, to the King and to [Thomas] Cromwell, careful arguments transcribed at length in his disputations, as in the famous one with [Bishop Stephen] Gardiner on the Real Presence; it is always scholar's work, careful and lucid.

But when he sits down to produce a special effect all changes. He begins to carve with skill and in the hardest material. He is absorbed in a particular task, creative, highly conscious, and to his sense of beauty vastly satisfactory.

He was not of those whom a fountain of creation fills and who declaim, as it were, great matter. His art was of the kind which must work very slowly and in secret, isolated; his sentences when he desired to produce his effect must be perfected in detail, polished, lingered over, rearranged, until they had become so that one could them with the finger-nail and find no roughness.

In the darkness below, around the church, he made out the village cemetery in which the old crosses with their outstretched arms seemed to protect the ill-kept graves. Over these bowed here and there a few leafless birch trees. The aromatic odor of young buds, wafted to Mikheyich from below, brought with it a feeling of the melancholy of eternal sleep. Where would he be a year hence? Would he again climb to this height, beneath the brass bell to awaken the slumbering night with its metallic peal, or would he be lying in a dark corner of the graveyard, under a cross?

The aged sexton gazed up at the belfry, shading his unsteady, tear-dimmed eyes with his hand, trying to see Mikheyich. It must be time to ring. What do you say? Both looked at the stars. The fiery Wagoner was above them.

He did not need a watch. Not in vain had he spent his life here. Hij was van Iers-Griekse afstamming. In werd hij naar een school in Engeland gestuurd voor zijn opleiding. In betaalde een oudtante voor hem de reis naar de VS.

Hij werkte in Cincinnati in een drukkerij, waar hij met het werk van Gustave Flaubert en Charles Baudelaire in aanraking kwam. In ging hij als journalist werken in New Orleans en begon hij ook uit het Frans en het Spaans te vertalen.

In vertrok hij naar Japan. Hij werkte er als leraar, trouwde met een Japanse en kreeg in een leerstoel aan de Keizerlijke Universiteit van Tokyo. Lafcadio is vooral bekend geworden met zijn boeken over Japan.

Glimpses of Unfamiliar Japan. There is a romance even in the first full consciousness of this rather commonplace fact; but for me this consciousness is transfigured inexpressibly by the divine beauty of the day. There is some charm unutterable in the morning air, cool with the coolness of Japanese spring and wind-waves from the snowy cone of Fuji; a charm perhaps due rather to softest lucidity than to any positive tone—an atmospheric limpidity, extraordinary, with only a suggestion of blue in it, through which the most distant objects appear focused with amazing sharpness.

The sun is only pleasantly warm; the jinrikisha, or kuruma, is the most cosy little vehicle imaginable; and the street-vistas, as seen above the dancing white mushroom-shaped hat of my sandaled runner, have an allurement of which I fancy that I could never weary. Elfish everything seems; for everything as well as everybody is small, and queer, and mysterious: The illusion is only broken by the occasional passing of a tall foreigner, and by divers shop-signs bearing announcements in absurd attempts at English.

Nevertheless, such discords only serve to emphasize reality; they never materially lessen the fascination of the funny little streets. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 27 juli Zie en ook   mijn blog van 27 juli Zie ook   mijn blog van 27 juli De Franse schrijver Alexandre Dumas fils werd geboren op 27 juli in Parijs. Zie ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli Aldous Huxley Biografie door   Nicholas Murray.

But the wider metaphor is irresistible. His life was a constant search for light, for understanding, of himself and his fellow men and women in the twentieth century. This intellectual ambition -- not unknown but rare in English novelists -- sent him far beyond the confines of prose fiction into history, philosophy, science, politics, mysticism, psychic exploration.

He offered as his personal motto the legend hung around the neck of a ragged scarecrow of a man in a painting by Goya: I am still learning. Grandson of the great Victorian scientist Thomas Henry Huxley -- ' Darwin 's bulldog' -- he had a lifelong passion for truth, artistic and scientific.

His field of interest, declared Isaiah Berlin after his death, was nothing less than 'the condition of men in the twentieth century'. Like an eighteenth century philosophe, a modern Voltaire -- though in truth he found that historical epoch lacking in depth and resonance -- he took the whole world as his province, and like those urbane thinkers he did it with consummate clarity and grace, was frequently iconoclastic, and struck many of his contemporaries in the early decades of the twentieth century as a liberator and a herald of the modern age of secular enlightenment and scientific progress.

He was also an often disturbingly accurate prophet who became steadily more disillusioned with the uses to which science was being put in his time. Portret door Vanessa Bell. De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli Zie ook mijn blog van 26 juli Die avond, waarop alles in een nieuw licht kwam te staan, zou ik zoals alle donderdagen eigenlijk dineren met mijnheer Jamieson, een groothandelaar in huiden en tabak, en misschien daarna samen wat gaan dansen.

Alleen omdat zijn jicht hem overvallen had en de goede man moest afzeggen, besloot ik mijn loge in de opera op te zoeken. Begrijp me niet verkeerd, ik heb altijd sober geleefd. Vanaf het moment dat het onheil toesloeg en ik door het leven werd voortgejaagd was ik spaarzaam. Ik moest wel, omdat ik lange tijd niet wist wat de volgende dag mij zou brengen. Of ik te eten zou hebben. Of er voor mij zou worden gezorgd. Of ik aangevallen zou worden en verder opgejaagd.

Ook toen ik dan uiteindelijk in Amsterdam een zekere positie had verworven heb ik mij nooit meer aangemeten dan de uitdossing die de kringen waarin ik verkeerde van mij verwachtten en natuurlijk zaken die ik nodig had voor de uitoefening van mijn vak. Buitenissigheden heb ik mij nooit veroorloofd. Ik heb er ook niet naar getaald. Dit stond ik mijzelf de laatste jaren echter wel toe: Daarheen was ik die avond, half oktober, dus op weg.

Ik had zoals ik gewend was een bootsman met een kleine, maar propere sloep gehuurd. De kou op de grachten is in Amsterdam anders dan in Venetië. Hij begint maanden vroeger, dringt het lichaam sneller en scherper binnen en nestelt zich eerder in de botten dan in de longen. Toch ga ik liever met de boot dan met een rijtuig.

De mensen op de kade slaan geen acht op wie voorbijvaart. Zij gaan op in hun gesprekken. De Vlaamse schrijfster Anne Provoost werd geboren in Poperinge op 26 juli Provoost groeide op in Woesten, in de Belgische Westhoek.

Ze begon met schrijven toen ze vier was. Omdat ze toen technisch nog niet kon schrijven, dicteerde ze verhalen aan haar moeder. Later schreef ze boeken die ze zelf illustreerde. Toen ze literatuur ging studeren aan de universiteit in Kortrijk en Leuven, nam ze zich voor om niet meer te schrijven.

Toen ze tijdens haar laatste jaar Germaanse Talen ziek in bed lag, schreef ze een verhaal. Tot haar grote verbazing won ze daarmee een wedstrijd. Anne Provoost schrijft gelaagde actuele en historische romans. Bekende titels van haar hand zijn: De roos en het zwijn, De arkvaarders, In de zon kijken en Beminde ongelovigen.

Haar boeken kregen talrijke prijzen en werden herhaaldelijk vertaald. Haar roman Vallen werd in verfilmd door Hans Herbots.

De roos en het zwijn. Het was schemerdonker, en wat opviel waren de walmende fakkels van ricinushout die de ruiters droegen, waardoor hun gezicht er grimmig en hun wapenuitrusting er vervaarlijk uitzagen.

Ter hoogte van het huis van Orlinde hielden ze stil. Ze bleven een ogenblik staan beraadslagen en wezen naar het raampje van waaruit Orlinde ongetwijfeld stond te kijken. Op een teken van de eerste ruiter gaven ze hun paard de sporen en kwamen in galop in mijn richting. Het schrille geschreeuw en het licht van de fakkels deden de koe schrikachtig trappelen en met haar poten slaan, en in een snelle reflex schoof ik de halfvolle emmer melk achteruit.

Ik liep naar het pad om te zien wat er gebeurde. Ze waren opvallend zwaar bewapend. De eerste die mijn aandacht trok herkende ik ogenblikkelijk aan zijn ronde, bijna aantrekkelijke gezicht waarop een vriendelijkheid lag die in tegenspraak was met de manier waarop hij op zijn paard zat, schreeuwde en er nors probeerde uit te zien. Het was de man die me ooit onder bedreiging met een scherp mes het bos in gesleurd had en gezegd had dat hij gekomen was om heel diep in me te gaan.

Over zijn linkeroog droeg hij een donkere lap. Door wat er toen gebeurd was, had ik het gevoel dat ik elk onderdeel van zijn lichaam en elk aspect van zijn karakter kende. Hij was de jongste en de kleinste van het gezelschap, maar duidelijk de gevaarlijkste.

De Engelse schrijver Nicholas Evans werd geboren op 26 juli in Bromsgrove. Zie ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli Their breath made clouds of the chill air and their boots crunched on the congealed gravel of the motel parking lot. The old station wagon was the only car there, its roof and hood veneered with a dim refracting frost. The boy fixed their skis to the roof while his father stowed their packs then walked around to remove the newspaper pinned by the wipers to the windshield.

It was stiff with ice and crackled in his hands as he balled it. Before they climbed into the car they lingered a moment, just stood there listening to the silence and gazing west at the mountains silhouetted by stars. The little town had yet to wake and they drove quietly north along Main Street , past the courthouse and the gas station and the old movie theater, through pale pools of light cast by the street lamps, the car's reflection gliding the darkened windows of the stores.

And the sole witness to their leaving was a grizzled dog who stood watch at the edge of town, its head lowered, its eyes ghost-green in the headlights. It was the last day of March and a vestige of plowed snow lay gray along the highway's edge. Heading west across the plains the previous afternoon, there had been a first whisper of green among the bleached grass.

Before sunset they had strolled out from the motel along a dirt road and heard a meadowlark whistling as if winter had gone for good. But beyond the rolling ranch land, the Rocky Mountain Front, a wall of ancient limestone a hundred miles long, was still encrusted with white and the boy's father said they would surely still find good spring snow. De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren op 26 juli In a dentist's operating room on a fine August morning in Not the usual tiny xml: The operating chair, with a gas pump and cylinder beside it, is half way between the centre of the room and one of the corners.

If you look into the room through the window which lights it, you will see the fireplace in the middle of the wall opposite you, with the door beside it to your left; an M. Near this bench stands a slender machine like a whip provided with a stand, a pedal, and an exaggerated winch.

Recognising this as a dental drill, you shudder and look away to your left, where you can see another window, underneath which stands a writing table, with a blotter and a diary on it, and a chair. Next the writing table, towards the door, is a leather covered sofa. The opposite wall, close on your right, is occupied mostly by a bookcase.

The operating chair is under your nose, facing you, with the cabinet of instruments handy to it on your left. You observe that the professional furniture and apparatus are new, and that the wall paper, designed, with the taste of an undertaker, in festoons and urns, the carpet with its symmetrical plans of rich, cabbagy nosegays, the glass gasalier with lustres; the ornamental gilt rimmed blue candlesticks on the ends of the mantelshelf, also glass-draped with lustres, and the ormolu clock under a glass-cover in the middle between them, its uselessness emphasized by a cheap American clock disrespectfully placed beside it and now indicating 12 o'clock noon, all combine with the black marble which gives the fireplace the air of a miniature family vault, to suggest early Victorian commercial respectability, belief in money, Bible fetichism, fear of hell always at war with fear of poverty, instinctive horror of the passionate character of art, love and Roman Catholic religion, and all the first fruits of plutocracy in the early generations of the industrial revolution.

De Franse dichter en essayist Claude Esteban werd geboren op 26 juli in Parijs. Zie en ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli La mort à distance.

Sans même nous concerter, nous obéissions à un rituel immuable. Nous le reconnaissions de loin, dominant de toute sa masse l'entrelacs tortueux des pins, et nous marchions vers lui, soudain silencieux, délivrés du bruit du monde. La jeune femme s'approchait la première, elle souriait un peu, s'assurait que personne ne risquait de la surprendre, puis très vite, elle étreignait l'arbre de tout son corps, les bras ouverts en serrant le tronc énorme, la tête contre l'écorce, les yeux clos.

Je faisais mine de m'impatienter, je me moquais dou­cement de cette étrange façon de saluer notre ami, de le séduire, mais quand elle se retournait, je lisais dans son regard le bon­heur qu'elle venait de vivre. Elle avait entendu, me disait-elle, battre le coeur de l'arbre, elle avait senti sous ses doigts la sève lente qui montait, qui lui communiquait de sa force. La jeune femme rayonnait, elle voulait que je suive son exemple, et moi, si pudibond, je m'enhardissais, et j'effleurais d'une main furtive cette monstrueuse patte posée là pour toujours sur la pelouse.

C'était un soir, c'était un matin, et depuis tant d'années. Pour­quoi a-t-il fallu qu'une tempête s'interpose entre l'arbre et nous, que la foudre le blesse, que se réveillent les mauvais démons? Nous n'avons pas cédé, l'arbre est intact dans notre mémoire.

C'est à nous, maintenant, qu'il appartient de veiller sur lui, de l'enraciner dans ce temps que nous inventons ensemble. De Franse schrijver André Maurois eig. Emile Salomon Wilhelm Herzog werd geboren op 26 juli in Elbeuf. Gide Vertaald door Carl Morse.

This recit contains the essence of the "tidings" of Les Nourritures. First a negative doctrine: Gide himself suffered so much from "snug homes" that he harped on its dangers all his life. Then a positive doctrine: Love is dangerous, but that is yet another reason for loving, even if it means risking one's happiness, especially if it means losing one's happiness.

For happiness makes man less. With his good hand Rhayader spread on of its immense white pinions. The end was beautifully tipped with black. Rhayader looked and marvelled, and said: What — what is it, sir? But how in all heaven came it here? Her deep violet eyes, shining out of the dirt on her thin face, were fixed with concern on the injured bird.

Come, you shall help me. Her leg is broken, and the wing tip! See, we will clip her primaries, so that we can bandage it, but in the spring the feathers will grow and she will be able to fly again. Hills of silver plate,. Rosenau , Siebenbürgen ofwel Transsylvanië, Roemenië. Wenn die Adler kommen. Doch das ist freie Erfindung des Dubliners.

Denn der einzige Mächtige dieser Landstriche, dessen Namen je mit dem Teufel - mit "dracul" wie dieser im Rumänischen heißt - in Verbindung zu bringen ist, war Vlald der Pfähler.

Von bis Herrscher der Walachei in der Donautiefebene, hielt er sich nachweislich niemals in den Ostkarpaten auf. Hingegen tat er es in den Südkarpaten, eben auf Schloss Törzburg, wo er mit seinem Gefolge inmitten bei lebendigem Leibe auf Pfähle gespießten schwangerer Frauen und Kinder zechte und so zu einer der fragwürdigsten Kultfiguren des westeuropäischen Literaturpublikums wurde.

Bram Stoker gehört damit zu jenen Landfremden, die bis in unsere Tage herauf mit schludrigen Nachforschungen Durcheinander in das Bild bringen, das die Welt draußen von diesem Siebenbürgen hat. Hätte sich sonst denn die geschiedene Helena an den Sommerabenden auf dem nahe am Königstein gelegenen Schloss so köstlich amüsiert?

De Indonesische dichter Chairil Anwar werd geboren op 26 juli in Medan. The Seized and the Severed. I put my room in order, and myself as well, in the chance that you might come. De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren in Hij studeerde natuurkunde en wiskunde in Aken.

Hij promoveerde in de theoretische natuurkunde aan het Max-Planck-Institut in Potsdam. Breidenich publiceerde in tijdschriften o. Krautgarten, Poetenladen Magazin , lauter niemand, außer.

Hij woont en werkt in M ü nchen. Ko k o n Von Glück sagen konnten wir nur. Dass es morgens war. An Lamellen vorüber die Hinterhofsonne. In Vogel- nestern und Weinblattmauern.

Ein Hängen an Steppdeckengrün. Matratzen mit weichen Kernen befüllt. Waren Drachenbaum liebende Palmwedel- hüter. In Bettlakenhöhlen zu Haus. Zie ook mijn blog van 25 juli Zie ook mijn blog van 25 juli en ook mijn blog van 25 juli Sein Haus war höher als die meisten in Downshire Hill.

Es hatte drei Stockwerke, die meisten andern nur zwei. Es war aber schmal wie die andern alle. In jedem Stock waren höchstens ein oder zwei Zimmer. Sie waren von Menschen erfüllt, die tranken und tanzten. Sie standen mit den Gläsern in der Hand da, wie es hier Sitte war, aber mit ausdrucksvollen Gesichtern, was hier gegen die Sitte ging. Es waren manche junge Offiziere in Uniform darunter, lebhaft, ja beinah lebenslustig, von lauten Sätzen überquellend, die man gehört hätte, wenn sie in der Musik nicht untergegangen wären.

Die Tanzenden, besonders die Frauen, hatten etwas Aufgerissenes und genossen ihre Bewegungen wie die des Partners. Die Atmosphäre war dicht und heiß, und niemand kümmerte sich darum, daß man Bomben-Einschläge hörte, eine furchtlose und dabei sehr lebendige Gesellschaft. Ich hatte im obersten Stock begonnen, ich traute kaum meinen Augen und ich ging in den zweiten hinunter und traute ihnen noch weniger.

Jeder Raum schien feuriger als der, in dem man sich vorher umgetan hatte. In den tieferen Räumen sonderte man sich etwas mehr ab, Pärchen saßen und hielten einander umarmt, die Musik durchdrang uns heiß von oben bis unten, man gab sich mit Umarmungen und Küssen zufrieden, nichts wirkte lasziv, im Basement, wie man hier das Untergeschoß nannte, geschah das Erstaunlichste.

Die Türe nach außen wurde aufgerissen, Männer in Feuerwehrhelmen griffen nach Kübeln mit Sand, die sie im Schweiß ihres Angesichts in größter Geschwindigkeit hinaustrugen.

Sie achteten auf nichts, das sie im Raum vor sich sahen, in ihrer Eile, die brennenden Häuser in der Nachbarschaft zu schützen, griffen sie wie blind nach den sandgefüllten Kübeln. De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli in Würzburg. Das Heu liegt tot am Wege. Die Luft ist voll Kommen und Gehen. In zijn geboortestad studeerde hij ook algemene en vergelijkende literatuurwetenschap. Tasevski — Eternijan werkt in de Nationale Universiteitsbibliotheek. Behalve gedichten schrijft hij ook kritieken en is hij als vertaler werkzaam.

HERE WE ARE We crumble the night on a golden plate and spatter the milky rhythm of the spirit Shall we find it Shall we remove the root The moon peers at us The sticky strands tie our frail arteries in a knot Bitter are the shadows of the barbarian key when the sieve that bears us decays This dark onrush will not settle in our nucleus We rage!

Vertaald door Marija Girevska. De Duitse schrijfster Annette Pehnt werd geboren op 25 juli in Keulen. Zie ook mijn blog van 25 juli   en ook mijn blog van 25 juli Die Inseln damals und heute. Das Heute war lange her, auf den neueren Inselfotos hatten die Autos noch gerundete Kühlerhauben, und Eselskarren verstopften die schlammigen Dorfstraßen, aber vielleicht ist es ja dort immer noch so, dachte ich, blätterte zurück und kam zu den älteren Aufnahmen, bräunlichen, leicht verwischten Bildern, auf denen sich Leute mit strengen Mienen zu ordentlichen Grüppchen aufgestellt hatten.

Manche hielten feuchte Fische in die Kamera, andere hatten Ziegen oder Schafe neben sich in die Reihe gezerrt und legten ihre Hände besitzergreifend auf Tierhälse und Hörner.

Einer hielt eine Art sperrigen Dudelsack mit krummen Pfeifen unter dem Ellbogen. Die Kinder waren glattgebürstet und hatten eckige Köpfe. Ich wendete langsam die Seiten um, nicht ganz bei der Sache, weil gerade die Klimaanlage der Schule anfing zu brausen, wie immer um Viertel nach vier, als mich von einer halb herausgelösten Seite ein Kind direkt anschaute.

Es hatte weit aufgerissene Augen, Grübchen in den Backen, obwohl es nicht lächelte, und geradegewachsene Augenbrauen, die sich über seiner Nase trafen, noch nie hatte ich bei einem Kind solche Augenbrauen gesehen.

Die Augen schaute ich mir genauer an, beugte mich dicht über das wolkige Papier, bis sich der beharrliche, versunkene Blick auflöste in Kratzer und Punkte.

So will ich auch aussehen, dachte ich und zog meine Augenbrauen zusammen, aber sie berührten sich nicht. Der macht, was er will. De Nederlandse journalist en schrijver Sytze van der Zee werd geboren op 25 juli in Hilversum. We mogen volgens ons angstige moeder geen slapende honden wakker maken en dus moet de indruk gewekt worden gewekt alsof Potgieterlaan 7 niet meer bewoond is. Slechts het hatelijke plakkaat op het voorkamerraam ontbreekt. Buiten spelen doen we al helemaal niet meer.

We leven, hokken met ons vieren wekenlang in de keuken, op een gerafelde, mossige mat van drie bij drie meter, tussen het aanrecht en de keukentafel, waaraan we eten en spelen. Heel vaak moeten Henri en ik met een aluminium pan zonder handvatten, die zijn afgebroken, naar Ons Gebouw aan de Havenstraat, naar de gaarkeuken.

We hoeven er niet meer in de rij te staan, zoals in de laatste weken van de oorlog. Wie nu nog naar de gaarkeuken komt, is arm en verdacht. Normale mensen koken, zo goed en zo kwaad als het gaat, hun eigen potje. De Duitse dominee en dichter Albert Knapp werd geboren op 25 juli in Tübingen. Aber du lebst und bist Alles in allen: Siehe mein Los, es ist Lieblich gefallen. Jesus, ich lebe dir, Bis ich dir sterbe; Rufst du von hinnen mir, Bin ich dein Erbe.

Lichtbäumchen, Spielzeug, bunte Massen. Das Kind blieb traumverloren stehn. Aufseufzt die Brust, die leidgepresste, Die Wimpern sinken tränenschwer. Ein freudlos Kind am Weihnachtsfeste- Ich weiß kein Leid, das tiefer wär. Das Schönste hat sie längst, das Beste, Ihr Herz ist satt und wünscht nichts mehr. Das ärmste von euch beiden Bist du, du armes reiches Kind.

De Duitse dichteres en schrijfster Angela Kreuz werd geboren   in Ingolstadt in Zij studeerde filosofie en psychologie in Dresden en Konstanz. Werk van haar verscheen in literaire tijdschriften en bloemlezingen.

Zij schrijft gedichten, verhalen, short stories en romans. Zij debuteerde in met Der Engländer und weitere kurzgefasste Geschichten.

In verscheen lyrische städtereisen, in haar debuutroman Warunee. Scattery Island , Monastery of St. Längst hat die Klosterruine ihr Dach verworfen,. Mauersteine von ockerbraunen Flechten überzogen -. Schwalben umschwirren das Abbey,. Zie ook mijn blog van 24 juli en ook mijn blog van 24 juli Ik Claudius Vertaald door Lodewijck W.

Dit is beslist niet mijn eerste boek. Integendeel; literatuur, en in het bijzonder de geschiedschrijving — die ik hier in Rome als jongeman onder de beste hedendaagse meesters heb gestudeerd — vormde tot aan het moment van de verandering gedurende meer dan vijfendertig jaar mijn enige professie.

Mijn lezers hoeven zich dan ook niet te verbazen over mijn breedvoerige stijl: In dit werk, dat zweer ik bij alle goden, ben ik mijn eigen secretaris en mijn eigen biograaf: Ik kan hier overigens nog aan toevoegen dat dit niet de eerste levensgeschiedenis is die ik op schrift stel.

Ik heb er al eerder een gemaakt, in acht delen, als een bijdrage aan het stadsarchief. Het was een saai boekwerk en uitsluitend geschreven om te voldoen aan verzoeken uit het volk.

Zelf hecht ik er weinig waarde aan. Om eerlijk te zijn, was ik tijdens het schrijven ervan, twee jaar geleden, erg druk met andere zaken. De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw Adwaita werd   geboren op 24 juli in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli en ook mijn blog van 24 juli en ook mijn blog van 24 juli Wit hing en stil Wit hing en stil de dauw over de weiden. Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,. En op die heuvel, op die bank van ons,. Boven de dauw, zaten we als op een eiland;.

Leek stilte; en de stilte was als dons. Boven de wereld zaten we; en we schrokken,. Als om ons in besliste vaart een tor. Een kromme draad trok van donker gesnor,. Wegbuigend in dempende nevelvlokken. Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,. En deed mijn handen en mijn lippen branden.

Op jou, die ik het diepst heb liefgehad. En één ding weet ik: Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,. MIJ staat te wachten in onwerelds licht. Het hele perk was vol: De paarsen leken ernstige oude heertjes,. De bruinen glanzend-moll'ge, goed'ge beertjes,. De gelen pluimen van een goudfazant;.

En massa's witten stonden om de rand,. Zo wit als vlinders of als duivenveertjes,. Net roomse kindertjes in Pinksterkleertjes,. Die om iets heiligs heen staan, hand in hand.

Verwilderd is 't, deels plat, deels uitgeschoten,. Zodat ik - 'k zie ze nog - die mooie groten. In de verschrompelden nauw'lijks herken;. Maar even lang als toen sta ik te kijken: Ze deden goed hun best; 't mag nu niet lijken,. Alsof 'k voor 't vroeger moois ondankbaar ben. De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli inTokyo.

Zie ook mijn blog van 24 juli   en ook mijn blog van 24 juli Kitchen Vertaald door Megan Backus. Three days after the funeral I was still in a daze. Steeped in a sadness so great I could barely cry, shuffling softly in gentle drowsiness, I pulled my futon into the deathly silent, gleaming kitchen. Wrapped in a blanket, like Linus, I slept. The hum of the refrigerator kept me from thinking of my loneliness.

There, the long night came on in perfect peace, and morning came. I just wanted to sleep under the stars. I wanted to wake up in the morning light. Aside from that, I just drifted, listless. I couldn't exist like that. I thought of the money my grandmother had left me-just enough. The place was too big, too expensive, for one person.

I had to look for another apartment. There was no way around it. I thumbed through the listings, but when I saw so many places all the same lined up like that, it made my head swim. Moving takes a lot of time and trouble. I had no strength; my joints ached from sleeping in the kitchen day and night. When I realized how much effort moving would require-I'd have to pull myself together and go look at places. Get a phone installed-I lay around instead, sleeping, in despair.

It was then that a miracle, a godsend, came calling one afternoon. I remember it well. Suddenly the doorbell rang. It was a somewhat cloudy spring afternoon. I was intently involved in tying up old magazines with string while glancing at the apartment listings with half an eye but no interest, wondering how I was going to move. Flustered, looking like I'd just gotten out of bed, I ran out and without thinking undid the latch and opened the door.

Thank god it wasn't a robber. There stood Yuichi Tanabe. He was a nice young man, a year younger than me, who had helped out a lot at the funeral. I think he'd said he went to the same university I did. I was taking time off.

De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli in Jena. Na haar gymnasiumopleiding werkte zij als freelance journaliste. Tegenwoordig woont zij als zelfstandig schrijfster in Berlijn. Zij schrijft voornamelijk historische romans, zoals bijvoorbeeld over Paracelsus, Johannes Kepler en Michelangelo.

In der Mühle des Teufels. Aber der lange Tag mit dem Streit, dem Hunger, dem Gestank, dem Durst, der Ungewißheit, ob die im Schloß ausbrechen würden, hatte sie müde gemacht. Die meisten von ihnen waren Bauern, sie waren eine strenge Tagesregel gewohnt.

Jetzt, da sie keinen schnellen Erfolg sahen, wünschten sie, sie wären zu Hause. Der Befehl, einen Graben auszuheben, erschien ihnen sinnlos. Wer nicht lesen konnte, dem wurde vorgelesen: Mai das Gebiet von Schloß Frankenburg im Umkreis von zwanzig Meilen nicht verlassen hat, wird erschossen. Geht unverzüglich nach Hause! Wer einen Rädelsführer angibt oder ausliefert, kann belohnt werden.

Wer glaubt, irgendeine Beschwerde zu haben, kann sie beim Statthalter mündlich oder schriftlich einbringen. Es wird nach Möglichkeit Abhilfe geschaffen. Wer mit einer Waffe außer Haus angetroffen wird, wird erschossen. Sein Besitz wird eingezogen. Gezeichnet Graf Adam von Herbersdorff, Statthalter.

Sie erklärten, wenn der Feind schon so eine drohende Sprache führe, dann müsse er sehr unsicher sein. Es war weniger die Angst, die ihren Abzug veranlaßte, als die Unzufriedenheit über die ergebnislose Belagerung, die sie, die Bauern, mehr anstrengte und plagte als die Herren Kommissäre im Schlosse. Und auch ihre Uneinigkeit war zu groß. Sie gingen nach Hause in ihre Dörfer. Es heißt, er reitet auf Frankenburg zu, so geh ich ihm entgegen. De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli Tanizaki kwam uit een welgestelde familie van zakenlieden uit het stadsdeel Nihonbashi in Tokio.

Zijn vader was eigenaar van een drukkerij die door zijn grootvader was opgericht. In zijn Yosho jidai "Kinderjaren", schrijft Tanizaki dat hij een zorgeloze jeugd heeft gehad. Tanizaki studeerde literatuur aan de Keizerlijke Universiteit van Tokio, maar moest in zijn studie staken bij gebrek aan geld. Tanizaki's literaire carrière begon in Hij schreef een toneelstuk in één bedrijf dat werd gepubliceerd in een literair tijdschrift dat hij zelf had helpen oprichten.

Hij liet zich in deze periode inspireren door het Westen en modernismen. In verhuisde hij zelfs naar Yokohama, waar een grote groep buitenlanders woonde, woonde korte tijd in een huis in Westerse stijl en leefde als een bohemien.

Tanizaki werd bekend met de publicatie van zijn korte verhaal Shisei "De tatoeëerder", In dit verhaal zet de tatoeëerder een reusachtige "prostitueespin" op het lichaam van een mooie jonge vrouw. Daarna krijgt de schoonheid van de vrouw een demonische macht waarbij erotiek wordt gecombineerd met sadomasochisme.

Het thema van de femme fatale komt vaker voor in de eerdere werken van Tanizaki, zoals Shonen "De kinderen", , Himitsu "Het geheim," en Akuma "Duivel", Tanizaki's andere werk uit de Taishōperiode zijn onder andere de deels biografische werken Shindo and Oni no men Tanizak is nog steeds een van de populairste literaire schrijvers in Japan.

Makioka Sisters Vertaald door Edward G. Seeing in the mirror that Taeko had come up behind her, Sachiko stopped powdering her back and held out the puff to her sister. Her eyes were still on the mirror, appraising the face as if it belonged to someone else. The long under-kimono, pulled high at the throat, stood out stiffly behind to reveal her back and shoulders. Both sisters spoke in the quiet, unhurried Osaka dialect. Taeko was the youngest in the family, and in Osaka the youngest girl is always "Koi-san," "small daughter.

They could hear the piano downstairs. Yukiko had finished dressing early, and young Etsuko always wanted someone beside her when she practiced. She never objected when her mother went out, provided that Yukiko was left to keep her company. Today, with her mother and Yukiko and Taeko all dressing to go out, she was rebellious.

She very grudgingly gave her permission when they promised that Yukiko at least would start back as soon as the concert was over--it began at two--and would be with Etsuko for dinner. The bright puff moved from Sachiko's neck down over her back and shoulders. Sachiko was by no means round-shouldered, and yet the rich, swelling flesh of the neck and back somehow gave a suggestion of a stoop. The warm glow of the skin in the clear autumn sunlight made it hard to believe that she was in her thirties.

Chemical Industries, Itani says. De Engelse schrijver E. Benson werd geboren in Berkshire op 24 juli Hij was het vijfde kind van de rector van Wellington College. Hij schreefd meer dan negentig boeken. Quantock, in fact, who, like everybody else at Riseholme, had sent a neat little note of condolence to Mrs.

Lucas, had, without using the actual words "happy release," certainly implied it or its close equivalent. She was hoping that there would be a reply to it, for though she had said in her note that her dear Lucia mustn't dream of answering it, that was a mere figure of speech, and she had instructed her parlour-maid who took it across to 'The Hurst' immediately after lunch to say that she didn't know if there was an answer, and would wait to see, for Mrs.

Lucas might perhaps give a little hint ever so vaguely about what the expectations were concerning which everybody was dying to get information. While she waited for this, Daisy Quantock was busy, like everybody else in the village on this beautiful afternoon of spring, with her garden, hacking about with a small but destructive fork in her flower-beds.

She was a gardener of the ruthless type, and went for any small green thing that incautiously showed a timid spike above the earth, suspecting it of being a weed.

She had had a slight difference with the professional gardener who had hitherto worked for her on three afternoons during the week, and had told him that his services were no longer required. Nous venons, seigneur, vers votre royale majesté, de la part de ce peuple orphelin, vous crier grâce et merci! Au nom de la Passion , que Notre-Seigneur Jésus-Christ a soufferte sur la croix pour le genre humain, ayez pitié de ce malheureux peuple ; daignez le secourir, l'encourager, l'arracher à la douleur et à l'esclavage auxquels il est réduit.

Et vous le devez le faire, seigneur, par trois raisons: Or, la Sicile est veuve par la perte qu'elle a faite d'un aussi bon seigneur que le roi Manfred ; or, les peuples sont orphelins parce qu'ils n'ont ni père ni mère qui les puissent défendre, si Dieu, vous et les vôtres, ne venez à leur aide.

Ainsi donc, saint seigneur, ayez pitié de nous, et venez prendre possession d'un royaume qui vous appartient à vous et à vos enfants, et, tout ainsi que Dieu a protégé Israël en lui envoyant Moïse, venez de la part de Dieu tirer ce pauvre peuple des mains du plus cruel Pharaon qui ait jamais existé ; car, nous vous le disons, seigneur, il n'est pas de maîtres plus cruels que ces Français pour les pauvres gens qui ont le malheur de tomber en leur pouvoir.

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff eig. Elizabeth Bekker werd geboren in Vlissingen op 24 juli Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Ge-eerde heer, zeer ge-achte voogd! Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd. Waarlyk, ik heb geschreid, ziende hoe veel belang gy in my naamt: Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan.

Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? Ik ben niet alleen de slavin van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt. De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw van een fatsoen-. Eene myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en pryst de Juffrouw heel zeer.

Daar zyn nog twee andere Dames ook. Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat berispelyk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary wil verlagen, eene ondeugd, die allerasschuwlykst voor my is; en waar aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.

Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.

Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! Ik zing al in voorraad. Wat zal die fraai zyn; Mooglyk is er wel van Rousseau's Compositie by? Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken van een Pypje, voor te spelen.

Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag, en ik heb zulke mooije Cantata's.

Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het Pakje aan Tantes huis niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur: Was fällt Ihnen spontan ein, wenn Sie an Ihre Großmutter denken? Thuis vertelden we het aan de vader van mijn vriendin.

Hij ging meteen op de fiets kijken of die man er nog was maar hij reed al weg in een blauwe auto. Er kwam toevallig een politieauto langs gereden. We hebben een melding gemaakt en op Facebook een waarschuwing geplaatst. Minder aangiftes tegen 'rennende rukkers'. Toen ik achter hem langs liep, zag ik dat hij heftig rukkend met een glimlach op zijn gezicht mij zat aan te kijken… Ik was net wakker en normaal ben ik assertief genoeg, maar ik kon even niets uitbrengen.

In verwarring vervolgde ik mijn weg. Ik heb er dus niets aan gedaan. In een park stond hij opeens voor me. Ik heb zo hard gelachen en gezegd: Ik heb enkel gezegd: Ik heb mijn kinderen gepakt en ben gaan rennen, riep om hulp en belde Ik dacht dat hij een van mijn kinderen wilde pakken. Hij filmde ook alles. Hij is niet gepakt, omdat het geen heterdaad was. We moesten boodschappen halen voor de klas en liepen over een pad door het bos. Daar stond hij dan: We lieten de boodschappen van schrik op de grond vallen en hebben hem recht in zijn gezicht uitgelachen.

Oh, we kwamen niet meer bij!


man vingert meisje rukkende mannen

Sie zeigten ihre Beine und Schenkel, sie wanden sich in wunderlichen Stellungen, die von wildem Begehren zeugten, von toller Lust. Sie berührten ihre Brüste und ihren Unterleib, als wollten sie Brüste und Schoß zu mir emporheben. Ich empfand Schreck und Ekel, aber in meinem Schreck und Abscheu lag doch auch eine gewisse Befriedigung: Immer wieder versuchte ich, den Frauen zuzurufen: Zosjtsjenko was lid van de in opgerichte Serapionbroeders, een literaire groep.

Zijn in gedeeltelijk in het tijdschrift Oktjabr verschenen boek Voor zonsondergang leidde ertoe dat hij uit de gratie viel bij de CPSU nadat Andrej Zjdanov het bekritiseerde. Zijn werken mochten niet meer gedrukt worden en vanaf mocht hij helemaal niet meer publiceren. Pas na de dood van Stalin in werd hij gerehabiliteerd. Hierdoor kon in , twee jaar voor zijn dood, nog een band met verzameld werk worden uitgegeven. Het naamfeest Vertaald door Kristien Warmenhoven.

Ik loop naar huis. Het is een vrouw. Ze is zwaar opgemaakt. Ze draagt een hoed met veer, waaronder een alledaags gezicht schuilgaat met uitstekende jukbeenderen en dikke lippen. Ik kijk haar fronsend aan en wil doorlopen, maar de vrouw zegt met een verlegen glimlach: Ik heb besloten zelf iemand uit te nodigen.

Zeg alsjeblieft geen nee. Op tafel een samowar, noten, jam en broodjes. We drinken thee in stilte. Ik weet niets te zeggen. En zij is verlegen met mijn zwijgen. Ik vind haar niet onaantrekkelijk. Ik kus haar dikke lippen ten afscheid. En zij vraagt me: Ik loop het trapportaal op.

Misschien moet ik onthouden waar ze woont. In het donker tel ik hoeveel treden het zijn tot haar deur. Zal ik een lucifer aansteken en kijken wat het huisnummer is? Nee, het is niet de moeite waard. Ik kom hier nooit meer terug. De Duitse dichter en toneelschrijver August Stramm werd geboren op 29 juli in Münster, Westfalen. Dais is dus vandaag precies tachtig jaar geleden. Zie ook mijn blog van 28 juli en ook mijn blog van 28 juli en ook mijn blog van 28 juli Het was laat in de avond regen in lamplicht gevangen sloeg neer op het macadam van de Mechelsesteenweg je had een offwhite jurkje aan ik schatte je op vijftien je liep langs de straat waar ook ik overging auto's passeerden remden af reden weer verder je vroeg de weg naar de Muze café waar Ferre optrad Ferre Grignard de zanger van jouw lied zijn stem die op de radio geklonken had en waarheen je nu op weg was 'volg de tramrails maar dan vind je hem vanzelf' en ik onnnozelaar liet je gaan Antwerps meisje dat ik in mijn hart draag wat heb ik toch gedaan met mijn leven.

Elementen voor een gedicht. Zalen vol verkouden moeders bespreken de voordelen van vet. De dikke man, in tabak of textiel, kauwt op zijn sigaar, vloekt op een fietser. De wind, kaal als een geschoren rat, rent langs de huizen, knabbelt aan de kranten, de vuilnisbakken, de rokken van kleine meisjes. De stad is gelukkig tezamen, sneeuwbal in een jongenshand. Niets hoort bij alles hoort bij niets.

Zeven kraaien vliegen in de rijpe winterlucht. In dunne kratten mooie ronde rode appels, in sleetse mouwen van slag geraakte polshorloges. As op de stoepen, ijs langs de wegen, zeven kraaien in de lucht. Niet te geloven dat ik knaap nog een vers schreef over de zilverwitheid van een berkestam en om mij heen grootse dronkenschap van de bevrijding: Alles zoop en naaide, heel Europa was een groot matras en de hemel het plafond van een derderangshotel.

En ik bedeesde jongeling moest nodig de reine berk bezingen en zijn bescheiden bladerpracht. De Engelse dichter , verhalen- en romanschrijver Malcolm Lowry werd geboren 28 juli in Birkenhead Merseyside. Zie ook mijn blog van 28 juli en ook mijn blog van 28 juli Overlooking one of these valleys, which is dominated by two volcanoes, lies, six thousand feet above sea level, the town of xml: It is situated well south of the Tropic of Cancer, to be exact on the nineteenth parallel, in about the same latitude as the Revillagigedo Islands to the west in the Pacific, or very much further west, the southernmost tip of Hawaii-and as the port of Tzucox to the east on the Atlantic seaboard of Yucatan near the border of British Honduras, or very much further east, the town of Juggernaut, in India, on the Bay of Bengal.

The walls of the town, which is built on a hill, are high, the streets and lanes tortuous and broken, the roads winding. A fine American-style highway leads in from the north but is lost in its narrow streets and comes out a goat track. Quauhnahuac possesses eighteen churches and fifty-seven cantinas.

It also boasts a golf course and no less than four hundred swimming pools, public and private, filled with the water that ceaselessly pours down from the mountains, and many splendid hotels. The Hotel Casino de la Selva stands on a slightly higher hill just outside the town, near the railway station. It is built far back from the main highway and surrounded by gardens and terraces which command a spacious view in every direction.

Palatial, a certain air of desolate splendour pervades it. For it is no longer a Casino. You may not even dice for drinks in the bar. The ghosts of ruined gamblers haunt it. No one ever seems to swim in the magnificent Olympic pool. The springboards stand empty and mournful.

Its jai-alai courts are grass-grown and deserted. Two tennis courts only are kept up in the season. Towards sunset on the Day of the Dead in November, , two men in white flannels sat on the main terrace of the Casino drinking anis. They had been playing tennis, followed by billiards, and their racquets, rainproofed, screwed in their presses-the doctor's triangular, the other's quadrangular-lay on the parapet before them.

As the processions winding from the cemetery down the hillside behind the hotel came closer the plangent sounds of their chanting were borne to the two men; they turned to watch the mourners, a little later to be visible only as the melancholy lights of their candles, circling among the distant, trussed cornstalks.

Jacques Laruelle, who now was leaning forward intently. De Iraanse dichter, songwriter en zanger Shahyar Ghanbari werd geboren op 28 juli in Teheran. Shahyar is de zoon van de Iraanse acteur en zanger Hamid Ghanbari. Hij schrijft en zingt in het Farsi, het Engels en het Frans. Hij woont tegenwoordig in Los Angeles. Blue of the sea is forbidden The desire to see, is forbidden The love between two fish is forbidden Alone and together is forbidden.

To have a new love, you should not ask permission To have a new love, you should not ask permission. Whispering and murmuring is forbidden Dancing of the shadows is forbidden Discovering the stolen kisses, In the middle of your dream is forbidden.

To have a new dream, you should not ask permission To have a new dream, you should not ask permission. In this homely exile Write the simplest poems Say what you have to say Say long live life, Say long live life. To write a new poem, you should not ask permission To write a new poem, you should not ask permission. To write about you, is forbidden Even to complain is forbidden The fragrance of a woman, is forbidden You are forbidden, I am forbidden!

To start a new day, you should not ask permission To start a new day, you should not ask permission. Zij bezocht het gymnasium en studeerde daarna aan een studie letteren die zij echter niet afmaakte.

In kreeg zij een beurs waarmee zij aan de University of Iowa kon studeren. Portrait of the Emperor Vertaald door Ursula K. There, nothing of the kind. At the Wedding March.

GOD with honour hang your head,. Groom, and grace you, bride, your bed. With lissome scions, sweet scions,. Out of hallowed bodies bred. Déep, déeper than divined,. Divine charity, dear charity,. Fast you ever, fast bind.

Then let the March tread our ears: I to him turn with tears. Who to wedlock, his wonder wedlock,. Déals tríumph and immortal years. LOOK at the stars! O look at all the fire-folk sitting in the air! The bright boroughs, the circle-citadels there! Down in dim woods the diamond delves! The grey lawns cold where gold, where quickgold lies! Flake-doves sent floating forth at a farmyard scare! March-bloom, like on mealed-with-yellow sallows!

These are indeed the barn; withindoors house. This piece-bright paling shuts the spouse. Christ home, Christ and his mother and all his hallows. All day long I like fountain flow. From thy hand out, swayed about. Mote-like in thy mighty glow. What I know of thee I bless,. As acknowledging thy stress. On my being and as seeing.

Something of thy holiness. Once I turned from thee and hid,. Bound on what thou hadst forbid;. Sow the wind I would; I sinned: I repent of what I did.

Bad I am, but yet thy child. Father, be thou reconciled. Spare thou me, since I see. With thy might that thou art mild. I have life before me still.

And thy purpose to fulfil;. Yea a debt to pay thee yet: Help me, sir, and so I will. But thou bidst, and just thou art,. Me shew mercy from my heart. Towards my brother, every other. Man my mate and counterpart. De Nederlandse schrijver, columnist, presentator en essayist Stephan Sanders werd geboren in Haarlem op 28 juli Zie ook mijn blog van 28 juli Er is liefde, er is verbondenheid, maar in het aardigste geval wordt de seks plichtmatig en huishoudelijk, in het slechtste een rariteit, iets dat onwezenlijk is en vreemd, juist met degene die je liefhebt.

En ondertussen lezen we in al die flutblaadjes dat het gemiddelde stel het 2,9 maal per week doet, en wordt de schaamte alleen maar groter. Houdt hij wel genoeg van mij? Geef ik wel genoeg om hem? De rationalisten onder ons zeggen tegen zichzelf: We zijn ook niet gebouwd op een fikse verhouding ernaast, want dan steekt toch de jaloezie de kop op.

En ik ken mijn eigen kwalen. Zo geconditioneerd, dat seks en lust voor mij met spanning te maken hebben, met onbekende lichamen op de meest onmogelijke plekken. Ik ben daar niet trots op, ik beschouw het als mijn luie Zelf. Het moet toch mogelijk zijn om lust en opwinding ook langdurig te combineren met degene met wie je de afwasmachine deelt?

Ik denk er wel eens over die hele afwasser het huis uit te sodemieteren, als het zou helpen, maar de vraag is natuurlijk: De Canadese schrijver Drew Karpyshyn werd geboren op 28 juli in Edmonton. There is only passion. Through passion, I gain strength.

Through strength, I gain power. Through power, I gain victory. Through victory, my chains are broken. He was two meters tall, and his black boots covered the ground in long, sweeping strides, propelling his large, powerfully muscled frame with a sense of urgent purpose.

There was an air of menace about him, accentuated by his shaved head, his heavy brow, and the dark intensity of his eyes. This, even more than his forbidding black armor or the sinister hook-handled lightsaber dangling from his belt, marked him as a man of fearsome power: His thick jaw was set in grim determination against the pain that flared up every few minutes at the back of his bare skull.

He had been many kilometers away from the thought bomb when it detonated, but even at that range he had felt its power reverberating through the Force. The aftereffects lingered, sporadic bursts shooting through his brain like a million tiny knives stabbing at the dark recesses of his mind.

He had expected these attacks to fade over time, but in the hours since the blast, their frequency and intensity had steadily increased. De Amerikaanse dichter en schrijver John Ashbery werd geboren op 28 juli in Rochester. What name do I have for you? Certainly there is not name for you. In the sense that the stars have names. That somehow fit them. An object of curiosity to some,. But you are too preoccupied. By the secret smudge in the back of your soul.

To say much and wander around,. Smiling to yourself and others. It gets to be kind of lonely. But at the same time off-putting. Counterproductive, as you realize once again.

That the longest way is the most efficient way,. The one that looped among islands, and. You always seemed to be traveling in a circle. And now that the end is near. The segments of the trip swing open like an orange. There is light in there and mystery and food.

Come not for me but it. But if I am still there, grant that we may see each other. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 juli De Australische schrijver, regisseur en draaiboekauteur Colin Higgins werd geboren op 28 juli in Nouméa, Nieuw Caledonië.

In Memoriam   Michaël Zeeman. De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman is maandagavond op jarige leeftijd overleden aan een hersentumor. Zie ook mijn blog van 18 september Voor een uitgebreid herdenkingsartikel zie de Volkskrant. Tot gisteren waren wij even oud, zij en ik. Nu sta ik hier en ligt zij daar, koud, zij -. Zij lijkt een beetje op een zonnebloem: Zij ligt voor schut; slaap noch diepe rust.

Niet stuk, niet beschadigd, niet ziek: Bij alle zinnen moet nu nagedacht, de tijd. Ik ben al uren ouder. Er verstreek geen week of wij spraken.

Ik sprak over lezen en leven,. Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel. Een man stierf op een donderdag in mei,. Zijn lijk lag onderaan.

Omstreeks dat trouwe uur. Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,. De wormen die hem slopen. De Duitse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren in Keulen als Hilde Löwenstein op 27 juli Zie ook mijn blog van 27 juli en ook mijn blog van 27 juli en ook   mijn blog van 27 juli Wir sind Fremde von Insel zu Insel.

Aber am Mittag, wenn uns das Meer bis ins Bett steigt und die Vergangenheit wie Kielwasser an unsern Fersen abläuft und das tote Meerkraut am Strand zu goldenen Bäumen wird, dann hält uns kein Netz der Erinnerung mehr, wir gleiten hinaus, und die abgesteckten Meerstraßen der Fischer und die Tiefenkarten gelten nicht für uns.

Wir gehen jeder für sich den schmalen Weg über den Köpfen der Toten - fast ohne Angst - im Takt unsres Herzens, als seien wir beschützt, solange die Liebe nicht aussetzt. So gehen wir zwischen Schmetterlingen und Vögeln in staunendem Gleichgewicht zu einem Morgen von Baumwipfeln - grün, gold und blau - und zu dem Erwachen der geliebten Augen.

Alle meine Schiffe haben die Häfen vergessen und meine Füße den Weg. Es wird nicht gesät und nicht geerntet denn es ist keine Vergangenheit und keine Zukunft, kaum eine Bühne im Tag. Nur der kleine zärtliche Abstand zwischen dir und mir, den du nicht verminderst. De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli in Belfast. Zie ook mijn blog van 27 juli en ook   mijn blog van 27 juli When he found Laertes alone on the tidy terrace, hoeing.

Around a vine, disreputable in his garden duds,. Patched and grubby, leather gaiters protecting his shins. Against brambles, gloves as well, and, to cap it all,. Sure signs of his deep depression, a gostskin duncher,. Odysseus sobbed in the shade of a pear-tree for his father.

So old and pathetic that all he wanted then and there. Was to kiss him and hug him and blurt out the whole story,. But the whole story is one catalogue and then another,. So he waited for images from that formal garden,.

Evidence of a childhood spent traipsing after his father. And asking for everything he saw, the thirteen pear-trees,. Ten apple-trees, forty fig-trees, the fifty rows of vines. Ripening at different times for a continuous supply,. Until Laertes recognised his son and, weak at the knees,. Dizzy, flung his arms around the neck of great Odysseus. Who drew the old man fainting to his breast and held him there.

And cradled like driftwood the bones of his dwindling father. Pushing the wedge of his body. Between cromlech and stone circle,. He excavates down mine shafts. And back into the depths of the hill. His path straight and narrow. And not like the fox's zig-zags,. The arc of the hare who leaves. A silhouette on the sky line. Night's silence around his shoulders,. His face lit by the moon, he.

Manages the earth with his paws,. Returns underground to die. But Sister Carrie was a novel, a genre more accessible to the average reader, especially women, who made up the great majority of American readers at the end of the nineteenth century. One of them was allegedly Mrs. Henry returned, too, again leaving Maude and Dottie behind, to resume for the next month or so his residence with the Dreisers, and he either continued or began to write A Princess of Arcady.

De Nederlandse schrijfster en psychologe Marijke Höweler werd geboren in Koog aan de Zaan op 27 juli Zie ook mijn blog van 27 juli Zij droeg een zonnebril, die had ze in het haar gestoken. Hij deed het wagentje op slot, nadat hij uitgestapt was. Van vee zou dus geen sprake zijn. Hoogstens een pony voor het kind. Meer zou er niet van komen. Ik zag de woelmuizen al scharrelen in het hoge gras, op weg om mijn andijvie op te vreten.

Toch trokken ze me wel. Ik had het idee dat die mij veel vertier konden gaan geven. Ik zorgde daarom dat ik wat te doen had op het erf zodra ze weer naar buiten kwamen. Daarna gaf ik zijn vrouw een hand. Maar niet zoals je het opschrijft, ze zei: Het kind had ook een naam.

Zodat zij mij wat vragen konden als zij wilden. Dat deden ze ook wel, maar het was heel wat anders dan ik had willen weten als ik in hun plaats geweest was. Ik wist niet zo gauw wat ik daarop moest zeggen. Ik woon hier al mijn leven lang. Dan kan je moeilijk van bevallen spreken. En ik wees ze de moestuin aan. Ze gaf geen antwoord, dus zo stonden we een tijdje. Ik was wel benieuwd hoeveel hij er opgelegd had nou het om vreemden ging. Het land hóórt namelijk bij mij. En ook mezelf zou ik niet gauw zo noemen.

Toen keek ik weer eens op en zag dat ze nog steeds stonden te wachten. Het kind was naar het hek gelopen en wees de schapen aan. Het had zijn vingers in zijn mond. Le Rivage des Syrtes. Quelque chose comme une alerte lointaine se glisse jusqu'à nous dans ce vide clair du matin plus rempli de présages que les songes; c'est peut-être le bruit d'un pas isolé sur le pavé des rues, ou le premier cri d'un oiseau parvenu faiblement à travers le dernier sommeil; mais ce bruit de pas éveille dans l'âme une résonance de cathédrale vide, ce cri passe comme sur les espaces du large, et l'oreille se tend dans le silence sur un vide en nous qui soudain n'a pas plus d'écho que la mer.

Notre âme s'est purgée de ses rumeur et du brouhaha de foule qui l'habite; une note fondamentale se réjouit en elle qui en éveille l'exacte capacité. Dans la mesure intime de la vie qui nous est rendue, nous renaissons à notre force et à notre joie, mais parfois cette note est grave et nous surprend comme le pas d'un promeneur qui fait résonner une caverne: Zijne moeder was een Engelsche en keerde na vader's dood, met hem naar Engeland terug. Een der voorvaderen van Bellocs moeder vocht als officier te Fontenay, vier ooms van zijn vader waren generaals onder Napoleon.

Als leerling van de Birmingham Oratory onderging hij den invloed van Kardinaal Neurman. Hij voldeed aan zijn militaire plichten in Frankrijk en kwam terug om in Oxford te studeren.

Hij begon als schrijver met kinderboeken. Zijn studies bundelde hij onder de titel: He was, on the contrary, a jeweller in prose, a man who sat down deliberately to write in a particular way when there was need or opportunity for it, but who, on general occasions, would write as might any other man.

We have a great mass of what he did, in long letters to [Anne] Boleyn, to the King and to [Thomas] Cromwell, careful arguments transcribed at length in his disputations, as in the famous one with [Bishop Stephen] Gardiner on the Real Presence; it is always scholar's work, careful and lucid.

But when he sits down to produce a special effect all changes. He begins to carve with skill and in the hardest material. He is absorbed in a particular task, creative, highly conscious, and to his sense of beauty vastly satisfactory. He was not of those whom a fountain of creation fills and who declaim, as it were, great matter. His art was of the kind which must work very slowly and in secret, isolated; his sentences when he desired to produce his effect must be perfected in detail, polished, lingered over, rearranged, until they had become so that one could them with the finger-nail and find no roughness.

In the darkness below, around the church, he made out the village cemetery in which the old crosses with their outstretched arms seemed to protect the ill-kept graves. Over these bowed here and there a few leafless birch trees. The aromatic odor of young buds, wafted to Mikheyich from below, brought with it a feeling of the melancholy of eternal sleep.

Where would he be a year hence? Would he again climb to this height, beneath the brass bell to awaken the slumbering night with its metallic peal, or would he be lying in a dark corner of the graveyard, under a cross? The aged sexton gazed up at the belfry, shading his unsteady, tear-dimmed eyes with his hand, trying to see Mikheyich. It must be time to ring. What do you say? Both looked at the stars.

The fiery Wagoner was above them. He did not need a watch. Not in vain had he spent his life here. Hij was van Iers-Griekse afstamming. In werd hij naar een school in Engeland gestuurd voor zijn opleiding. In betaalde een oudtante voor hem de reis naar de VS. Hij werkte in Cincinnati in een drukkerij, waar hij met het werk van Gustave Flaubert en Charles Baudelaire in aanraking kwam.

In ging hij als journalist werken in New Orleans en begon hij ook uit het Frans en het Spaans te vertalen. In vertrok hij naar Japan. Hij werkte er als leraar, trouwde met een Japanse en kreeg in een leerstoel aan de Keizerlijke Universiteit van Tokyo.

Lafcadio is vooral bekend geworden met zijn boeken over Japan. Glimpses of Unfamiliar Japan. There is a romance even in the first full consciousness of this rather commonplace fact; but for me this consciousness is transfigured inexpressibly by the divine beauty of the day.

There is some charm unutterable in the morning air, cool with the coolness of Japanese spring and wind-waves from the snowy cone of Fuji; a charm perhaps due rather to softest lucidity than to any positive tone—an atmospheric limpidity, extraordinary, with only a suggestion of blue in it, through which the most distant objects appear focused with amazing sharpness.

The sun is only pleasantly warm; the jinrikisha, or kuruma, is the most cosy little vehicle imaginable; and the street-vistas, as seen above the dancing white mushroom-shaped hat of my sandaled runner, have an allurement of which I fancy that I could never weary. Elfish everything seems; for everything as well as everybody is small, and queer, and mysterious: The illusion is only broken by the occasional passing of a tall foreigner, and by divers shop-signs bearing announcements in absurd attempts at English.

Nevertheless, such discords only serve to emphasize reality; they never materially lessen the fascination of the funny little streets. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 27 juli Zie en ook   mijn blog van 27 juli Zie ook   mijn blog van 27 juli De Franse schrijver Alexandre Dumas fils werd geboren op 27 juli in Parijs.

Zie ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli Aldous Huxley Biografie door   Nicholas Murray. But the wider metaphor is irresistible.

His life was a constant search for light, for understanding, of himself and his fellow men and women in the twentieth century. This intellectual ambition -- not unknown but rare in English novelists -- sent him far beyond the confines of prose fiction into history, philosophy, science, politics, mysticism, psychic exploration. He offered as his personal motto the legend hung around the neck of a ragged scarecrow of a man in a painting by Goya: I am still learning.

Grandson of the great Victorian scientist Thomas Henry Huxley -- ' Darwin 's bulldog' -- he had a lifelong passion for truth, artistic and scientific. His field of interest, declared Isaiah Berlin after his death, was nothing less than 'the condition of men in the twentieth century'.

Like an eighteenth century philosophe, a modern Voltaire -- though in truth he found that historical epoch lacking in depth and resonance -- he took the whole world as his province, and like those urbane thinkers he did it with consummate clarity and grace, was frequently iconoclastic, and struck many of his contemporaries in the early decades of the twentieth century as a liberator and a herald of the modern age of secular enlightenment and scientific progress.

He was also an often disturbingly accurate prophet who became steadily more disillusioned with the uses to which science was being put in his time. Portret door Vanessa Bell. De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli Zie ook mijn blog van 26 juli Die avond, waarop alles in een nieuw licht kwam te staan, zou ik zoals alle donderdagen eigenlijk dineren met mijnheer Jamieson, een groothandelaar in huiden en tabak, en misschien daarna samen wat gaan dansen.

Alleen omdat zijn jicht hem overvallen had en de goede man moest afzeggen, besloot ik mijn loge in de opera op te zoeken. Begrijp me niet verkeerd, ik heb altijd sober geleefd.

Vanaf het moment dat het onheil toesloeg en ik door het leven werd voortgejaagd was ik spaarzaam. Ik moest wel, omdat ik lange tijd niet wist wat de volgende dag mij zou brengen.

Of ik te eten zou hebben. Of er voor mij zou worden gezorgd. Of ik aangevallen zou worden en verder opgejaagd. Ook toen ik dan uiteindelijk in Amsterdam een zekere positie had verworven heb ik mij nooit meer aangemeten dan de uitdossing die de kringen waarin ik verkeerde van mij verwachtten en natuurlijk zaken die ik nodig had voor de uitoefening van mijn vak.

Buitenissigheden heb ik mij nooit veroorloofd. Ik heb er ook niet naar getaald. Dit stond ik mijzelf de laatste jaren echter wel toe: Daarheen was ik die avond, half oktober, dus op weg. Ik had zoals ik gewend was een bootsman met een kleine, maar propere sloep gehuurd. De kou op de grachten is in Amsterdam anders dan in Venetië. Hij begint maanden vroeger, dringt het lichaam sneller en scherper binnen en nestelt zich eerder in de botten dan in de longen.

Toch ga ik liever met de boot dan met een rijtuig. De mensen op de kade slaan geen acht op wie voorbijvaart. Zij gaan op in hun gesprekken. De Vlaamse schrijfster Anne Provoost werd geboren in Poperinge op 26 juli Provoost groeide op in Woesten, in de Belgische Westhoek. Ze begon met schrijven toen ze vier was. Omdat ze toen technisch nog niet kon schrijven, dicteerde ze verhalen aan haar moeder.

Later schreef ze boeken die ze zelf illustreerde. Toen ze literatuur ging studeren aan de universiteit in Kortrijk en Leuven, nam ze zich voor om niet meer te schrijven. Toen ze tijdens haar laatste jaar Germaanse Talen ziek in bed lag, schreef ze een verhaal. Tot haar grote verbazing won ze daarmee een wedstrijd. Anne Provoost schrijft gelaagde actuele en historische romans. Bekende titels van haar hand zijn: De roos en het zwijn, De arkvaarders, In de zon kijken en Beminde ongelovigen.

Haar boeken kregen talrijke prijzen en werden herhaaldelijk vertaald. Haar roman Vallen werd in verfilmd door Hans Herbots. De roos en het zwijn. Het was schemerdonker, en wat opviel waren de walmende fakkels van ricinushout die de ruiters droegen, waardoor hun gezicht er grimmig en hun wapenuitrusting er vervaarlijk uitzagen.

Ter hoogte van het huis van Orlinde hielden ze stil. Ze bleven een ogenblik staan beraadslagen en wezen naar het raampje van waaruit Orlinde ongetwijfeld stond te kijken. Op een teken van de eerste ruiter gaven ze hun paard de sporen en kwamen in galop in mijn richting.

Het schrille geschreeuw en het licht van de fakkels deden de koe schrikachtig trappelen en met haar poten slaan, en in een snelle reflex schoof ik de halfvolle emmer melk achteruit. Ik liep naar het pad om te zien wat er gebeurde. Ze waren opvallend zwaar bewapend. De eerste die mijn aandacht trok herkende ik ogenblikkelijk aan zijn ronde, bijna aantrekkelijke gezicht waarop een vriendelijkheid lag die in tegenspraak was met de manier waarop hij op zijn paard zat, schreeuwde en er nors probeerde uit te zien.

Het was de man die me ooit onder bedreiging met een scherp mes het bos in gesleurd had en gezegd had dat hij gekomen was om heel diep in me te gaan. Over zijn linkeroog droeg hij een donkere lap. Door wat er toen gebeurd was, had ik het gevoel dat ik elk onderdeel van zijn lichaam en elk aspect van zijn karakter kende.

Hij was de jongste en de kleinste van het gezelschap, maar duidelijk de gevaarlijkste. De Engelse schrijver Nicholas Evans werd geboren op 26 juli in Bromsgrove.

Zie ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli Their breath made clouds of the chill air and their boots crunched on the congealed gravel of the motel parking lot. The old station wagon was the only car there, its roof and hood veneered with a dim refracting frost. The boy fixed their skis to the roof while his father stowed their packs then walked around to remove the newspaper pinned by the wipers to the windshield.

It was stiff with ice and crackled in his hands as he balled it. Before they climbed into the car they lingered a moment, just stood there listening to the silence and gazing west at the mountains silhouetted by stars. The little town had yet to wake and they drove quietly north along Main Street , past the courthouse and the gas station and the old movie theater, through pale pools of light cast by the street lamps, the car's reflection gliding the darkened windows of the stores.

And the sole witness to their leaving was a grizzled dog who stood watch at the edge of town, its head lowered, its eyes ghost-green in the headlights. It was the last day of March and a vestige of plowed snow lay gray along the highway's edge. Heading west across the plains the previous afternoon, there had been a first whisper of green among the bleached grass. Before sunset they had strolled out from the motel along a dirt road and heard a meadowlark whistling as if winter had gone for good.

But beyond the rolling ranch land, the Rocky Mountain Front, a wall of ancient limestone a hundred miles long, was still encrusted with white and the boy's father said they would surely still find good spring snow.

De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren op 26 juli In a dentist's operating room on a fine August morning in Not the usual tiny xml: The operating chair, with a gas pump and cylinder beside it, is half way between the centre of the room and one of the corners. If you look into the room through the window which lights it, you will see the fireplace in the middle of the wall opposite you, with the door beside it to your left; an M.

Near this bench stands a slender machine like a whip provided with a stand, a pedal, and an exaggerated winch. Recognising this as a dental drill, you shudder and look away to your left, where you can see another window, underneath which stands a writing table, with a blotter and a diary on it, and a chair.

Next the writing table, towards the door, is a leather covered sofa. The opposite wall, close on your right, is occupied mostly by a bookcase. The operating chair is under your nose, facing you, with the cabinet of instruments handy to it on your left. You observe that the professional furniture and apparatus are new, and that the wall paper, designed, with the taste of an undertaker, in festoons and urns, the carpet with its symmetrical plans of rich, cabbagy nosegays, the glass gasalier with lustres; the ornamental gilt rimmed blue candlesticks on the ends of the mantelshelf, also glass-draped with lustres, and the ormolu clock under a glass-cover in the middle between them, its uselessness emphasized by a cheap American clock disrespectfully placed beside it and now indicating 12 o'clock noon, all combine with the black marble which gives the fireplace the air of a miniature family vault, to suggest early Victorian commercial respectability, belief in money, Bible fetichism, fear of hell always at war with fear of poverty, instinctive horror of the passionate character of art, love and Roman Catholic religion, and all the first fruits of plutocracy in the early generations of the industrial revolution.

De Franse dichter en essayist Claude Esteban werd geboren op 26 juli in Parijs. Zie en ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli La mort à distance. Sans même nous concerter, nous obéissions à un rituel immuable. Nous le reconnaissions de loin, dominant de toute sa masse l'entrelacs tortueux des pins, et nous marchions vers lui, soudain silencieux, délivrés du bruit du monde. La jeune femme s'approchait la première, elle souriait un peu, s'assurait que personne ne risquait de la surprendre, puis très vite, elle étreignait l'arbre de tout son corps, les bras ouverts en serrant le tronc énorme, la tête contre l'écorce, les yeux clos.

Je faisais mine de m'impatienter, je me moquais dou­cement de cette étrange façon de saluer notre ami, de le séduire, mais quand elle se retournait, je lisais dans son regard le bon­heur qu'elle venait de vivre. Elle avait entendu, me disait-elle, battre le coeur de l'arbre, elle avait senti sous ses doigts la sève lente qui montait, qui lui communiquait de sa force.

La jeune femme rayonnait, elle voulait que je suive son exemple, et moi, si pudibond, je m'enhardissais, et j'effleurais d'une main furtive cette monstrueuse patte posée là pour toujours sur la pelouse.

C'était un soir, c'était un matin, et depuis tant d'années. Pour­quoi a-t-il fallu qu'une tempête s'interpose entre l'arbre et nous, que la foudre le blesse, que se réveillent les mauvais démons?

Nous n'avons pas cédé, l'arbre est intact dans notre mémoire. C'est à nous, maintenant, qu'il appartient de veiller sur lui, de l'enraciner dans ce temps que nous inventons ensemble. De Franse schrijver André Maurois eig.

Emile Salomon Wilhelm Herzog werd geboren op 26 juli in Elbeuf. Gide Vertaald door Carl Morse. This recit contains the essence of the "tidings" of Les Nourritures. First a negative doctrine: Gide himself suffered so much from "snug homes" that he harped on its dangers all his life. Then a positive doctrine: Love is dangerous, but that is yet another reason for loving, even if it means risking one's happiness, especially if it means losing one's happiness.

For happiness makes man less. With his good hand Rhayader spread on of its immense white pinions. The end was beautifully tipped with black. Rhayader looked and marvelled, and said: What — what is it, sir?

But how in all heaven came it here? Her deep violet eyes, shining out of the dirt on her thin face, were fixed with concern on the injured bird. Come, you shall help me. Her leg is broken, and the wing tip!

See, we will clip her primaries, so that we can bandage it, but in the spring the feathers will grow and she will be able to fly again. Hills of silver plate,. Rosenau , Siebenbürgen ofwel Transsylvanië, Roemenië.

Wenn die Adler kommen. Doch das ist freie Erfindung des Dubliners. Denn der einzige Mächtige dieser Landstriche, dessen Namen je mit dem Teufel - mit "dracul" wie dieser im Rumänischen heißt - in Verbindung zu bringen ist, war Vlald der Pfähler. Von bis Herrscher der Walachei in der Donautiefebene, hielt er sich nachweislich niemals in den Ostkarpaten auf. Hingegen tat er es in den Südkarpaten, eben auf Schloss Törzburg, wo er mit seinem Gefolge inmitten bei lebendigem Leibe auf Pfähle gespießten schwangerer Frauen und Kinder zechte und so zu einer der fragwürdigsten Kultfiguren des westeuropäischen Literaturpublikums wurde.

Bram Stoker gehört damit zu jenen Landfremden, die bis in unsere Tage herauf mit schludrigen Nachforschungen Durcheinander in das Bild bringen, das die Welt draußen von diesem Siebenbürgen hat.

Hätte sich sonst denn die geschiedene Helena an den Sommerabenden auf dem nahe am Königstein gelegenen Schloss so köstlich amüsiert?

De Indonesische dichter Chairil Anwar werd geboren op 26 juli in Medan. The Seized and the Severed. I put my room in order, and myself as well, in the chance that you might come. De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren in Hij studeerde natuurkunde en wiskunde in Aken. Hij promoveerde in de theoretische natuurkunde aan het Max-Planck-Institut in Potsdam. Breidenich publiceerde in tijdschriften o. Krautgarten, Poetenladen Magazin , lauter niemand, außer.

Hij woont en werkt in M ü nchen. Ko k o n Von Glück sagen konnten wir nur. Dass es morgens war. An Lamellen vorüber die Hinterhofsonne. In Vogel- nestern und Weinblattmauern. Ein Hängen an Steppdeckengrün. Matratzen mit weichen Kernen befüllt. Waren Drachenbaum liebende Palmwedel- hüter.

In Bettlakenhöhlen zu Haus. Zie ook mijn blog van 25 juli Zie ook mijn blog van 25 juli en ook mijn blog van 25 juli Sein Haus war höher als die meisten in Downshire Hill. Es hatte drei Stockwerke, die meisten andern nur zwei. Es war aber schmal wie die andern alle.

In jedem Stock waren höchstens ein oder zwei Zimmer. Sie waren von Menschen erfüllt, die tranken und tanzten. Sie standen mit den Gläsern in der Hand da, wie es hier Sitte war, aber mit ausdrucksvollen Gesichtern, was hier gegen die Sitte ging. Es waren manche junge Offiziere in Uniform darunter, lebhaft, ja beinah lebenslustig, von lauten Sätzen überquellend, die man gehört hätte, wenn sie in der Musik nicht untergegangen wären. Die Tanzenden, besonders die Frauen, hatten etwas Aufgerissenes und genossen ihre Bewegungen wie die des Partners.

Die Atmosphäre war dicht und heiß, und niemand kümmerte sich darum, daß man Bomben-Einschläge hörte, eine furchtlose und dabei sehr lebendige Gesellschaft. Ich hatte im obersten Stock begonnen, ich traute kaum meinen Augen und ich ging in den zweiten hinunter und traute ihnen noch weniger.

Jeder Raum schien feuriger als der, in dem man sich vorher umgetan hatte. In den tieferen Räumen sonderte man sich etwas mehr ab, Pärchen saßen und hielten einander umarmt, die Musik durchdrang uns heiß von oben bis unten, man gab sich mit Umarmungen und Küssen zufrieden, nichts wirkte lasziv, im Basement, wie man hier das Untergeschoß nannte, geschah das Erstaunlichste. Die Türe nach außen wurde aufgerissen, Männer in Feuerwehrhelmen griffen nach Kübeln mit Sand, die sie im Schweiß ihres Angesichts in größter Geschwindigkeit hinaustrugen.

Sie achteten auf nichts, das sie im Raum vor sich sahen, in ihrer Eile, die brennenden Häuser in der Nachbarschaft zu schützen, griffen sie wie blind nach den sandgefüllten Kübeln.

De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli in Würzburg. Das Heu liegt tot am Wege. Die Luft ist voll Kommen und Gehen.

In zijn geboortestad studeerde hij ook algemene en vergelijkende literatuurwetenschap. Tasevski — Eternijan werkt in de Nationale Universiteitsbibliotheek. Behalve gedichten schrijft hij ook kritieken en is hij als vertaler werkzaam. HERE WE ARE We crumble the night on a golden plate and spatter the milky rhythm of the spirit Shall we find it Shall we remove the root The moon peers at us The sticky strands tie our frail arteries in a knot Bitter are the shadows of the barbarian key when the sieve that bears us decays This dark onrush will not settle in our nucleus We rage!

Vertaald door Marija Girevska. De Duitse schrijfster Annette Pehnt werd geboren op 25 juli in Keulen. Zie ook mijn blog van 25 juli   en ook mijn blog van 25 juli Die Inseln damals und heute. Das Heute war lange her, auf den neueren Inselfotos hatten die Autos noch gerundete Kühlerhauben, und Eselskarren verstopften die schlammigen Dorfstraßen, aber vielleicht ist es ja dort immer noch so, dachte ich, blätterte zurück und kam zu den älteren Aufnahmen, bräunlichen, leicht verwischten Bildern, auf denen sich Leute mit strengen Mienen zu ordentlichen Grüppchen aufgestellt hatten.

Manche hielten feuchte Fische in die Kamera, andere hatten Ziegen oder Schafe neben sich in die Reihe gezerrt und legten ihre Hände besitzergreifend auf Tierhälse und Hörner. Einer hielt eine Art sperrigen Dudelsack mit krummen Pfeifen unter dem Ellbogen. Die Kinder waren glattgebürstet und hatten eckige Köpfe. Ich wendete langsam die Seiten um, nicht ganz bei der Sache, weil gerade die Klimaanlage der Schule anfing zu brausen, wie immer um Viertel nach vier, als mich von einer halb herausgelösten Seite ein Kind direkt anschaute.

Es hatte weit aufgerissene Augen, Grübchen in den Backen, obwohl es nicht lächelte, und geradegewachsene Augenbrauen, die sich über seiner Nase trafen, noch nie hatte ich bei einem Kind solche Augenbrauen gesehen. Die Augen schaute ich mir genauer an, beugte mich dicht über das wolkige Papier, bis sich der beharrliche, versunkene Blick auflöste in Kratzer und Punkte.

So will ich auch aussehen, dachte ich und zog meine Augenbrauen zusammen, aber sie berührten sich nicht. Der macht, was er will. De Nederlandse journalist en schrijver Sytze van der Zee werd geboren op 25 juli in Hilversum. We mogen volgens ons angstige moeder geen slapende honden wakker maken en dus moet de indruk gewekt worden gewekt alsof Potgieterlaan 7 niet meer bewoond is.

Slechts het hatelijke plakkaat op het voorkamerraam ontbreekt. Buiten spelen doen we al helemaal niet meer. We leven, hokken met ons vieren wekenlang in de keuken, op een gerafelde, mossige mat van drie bij drie meter, tussen het aanrecht en de keukentafel, waaraan we eten en spelen.

Heel vaak moeten Henri en ik met een aluminium pan zonder handvatten, die zijn afgebroken, naar Ons Gebouw aan de Havenstraat, naar de gaarkeuken. We hoeven er niet meer in de rij te staan, zoals in de laatste weken van de oorlog. Wie nu nog naar de gaarkeuken komt, is arm en verdacht. Proces-verbaal, maar 'k heb 'nen verkeerden naam gegeven!

De Sooi zijnen cooed kwam terug ; zijn borst zwol op ; hij gooide zijnen kop fier achterover, als een felle vechtersbaas en hij begon to roepen, dat de scheldnamen priemden door de lucht ; de Pad hielp hem en ze riepen overhands, om ter meest: Kom af, dikke lorias, kom af, tegen mij alleen, kom hier, als ge durft, en ik breek u in twee!

Maar daar ging zijn zware kluppel omhoog en cirkelde dreigend rond ; met zijn logzware pooten ging de veldwachter aan 't loopen, de schavuiten achterna Maar dan was 't haastig rechts-om ; hun rappe beenen schoten in gang en hun voeten klits-kletsten tegen den harden grond der dreef ; ze stoven vooruit en wipten over een gracht, het bosch in, het kreupelhout-door, als eekhoornkes zoo vlug En zij renden de hei-in, nieuwe avonturen to gemoet!

Sooike moest to biechten gaan, want 's anderendaags moest hij zijn eerste communie doen. Het was voor Sooike en voor al de kinderen, die zooals hij flu elf jaar oud geworden waren, de grootste en gewichtigste gebeurtenis uit heel hun leven. Ze gingen to zamen sedert maanden nu al, regelmatig naar de leering in de kerk en ze zaten, iederen dag, bravekes to luisteren naar de wijze raadgevingen en het zoete vermaan van den goeden priester.

Aan wild ravotten en rakkeren in veld en bosch dacht niemand meer, en uit was het nu, uit en gedaan, met kwade poetsen en perten. Sooike leerde zorgzaam-naarstig zijn catechismuslessen en kende zijn boekje heelemaal van buiten, met vragen en antwoorden, want hij had ze honderden keeren gehoord en herhaald to huis, waar moeder hem opvroeg, wat hij iederen dag in de kerk had geleerd.

Zoo leefde hij flu in stille braafheid, in een gestadig, steeds groeiend verlangen naar derv gewichtigen, heiligen dag, waartoe hij zoo zorgzaam werd voorbereid door den pastoor der parochie in de kerk en door moeder to huis.

Ze zaten flu allemaal to wachten, de meisjes rechts, de jongens links, op twee lange roten, langs weerskanten der biechtstoelen geschaard. Ze zaten daar nu,. Sooike zat bij pastoor Verhaege, bijna op 't einde van de rij. De kinderen trokken overhand den biechtstoel in, links en rechts, en de wachtende meisjes en knapen schoven aan, van 't eene stoeltje op 't andere ; ze zagen den priester in zijn witte koorhemd, door de spleetjes van 't groene gordijntje leunen, nu hier, dan daar, en ze hoorden rezzekes zijn fluisterstem, onverstaanbaar berispen en vermanen.

Sooike onderzocht zijn geweten naarstig-zorgvuldig. Hij moest een algemeene biecht spreken van heel zijn levers, want alles moest vergeven en uitgewischt worden en hij oogee in 't verleden, zoo ver hij maar oogen kon, zoo diep zijn kindergeheugen reikte ; hij speurde de minste vlekjes op, die er smettend kleefden op zijn zieltje ; want daar mocht geen stof je vuil haperen blijven voor de groote gebeurtenis, die aanstaande was en waar ze zich zoo lang tot voorbereiden.

Sooike herinnerde zich zijn allereerste boosdoen en ongehoorzaam zijn aan vader. Tante Mie was bij hen gekomen en ze had een schooners tros schoone blauwe druiven meegebracht voor hear petekind. Maar Sooike moest van vader eerst zijn kunde laten zien, een kruiske makers, eer hij druiven kreeg.

Sooike wou echter eerst de druiven. Vader hield vol en werd boos ; toen had hij den koppigen jongen bedreigd, vingerloerend en hem eindelijk in den hoek gezet. Dan had hij Sooike zijn rechterpolleke vastgepakt en het onvriendelijk tegen zijn voorhoofd geduwd ; en om hem in gang to steken, sprak hij hem voor: Zeg na, zeg ik u! In den naam des Vaders Ongehoorzaam geweest aan vader en moeder, 't was zijn eerste puntje. Toen hij zeven jaar was en voor den eersten keen to biechten ging, had hij het al eens opgebiecht, maar nu moest hij nog eens overzeggen, al zijn zonden, klein en groot.

Ten tweede, leelijke woorden gesproken, gevloekt, afgeleerd van 't werkvolk, op de straat, of van zijn makkers ; hij dierf de vloeken niet herhalen met zijnen mond ; straks zou hij 't moeten doen, voor den priester, maar dan was 't geen zonde meet ; hij zag ze duidelijk staan en leven voor zijn oogen ; en hij herinnerde zich hoe en waar het was gebeurd ; hij kon ze tellen op zijn vingers ; zeven keeren.

De Pad Verboven, zijn kameraad, kwam uit den biechtstoel, met gebogen hoofd, en ging in 't midden der kerk zijn penitentie bidden. Ze schoven allemaal dichter en Sooike zat daar weer, zijn twee ellebogen. En hij tuurde maar voort, het verleden in, op zoek naar zwarte vlekken en zonden. Over 't kerkmuurtje geklommen en peren gepikt uit den koster zxjn hof ; belleken-trek gedaan,'s avonds na de teekenschool ; vuurpijlen afgestoken op de straat, om de menschen bang to maken ; de lantaren uitgedraaid aan den hoek van 't Kluizevestje ; eieren gestolen bij den boer ; vogels geroofd in 't Gielsbosch, leelijke namen geroepen en met steenen gesmeten naar den boschwachter ; centen gepikt uit de offerschaal na 't lof.

Twee keeren had kromme Pol het hem voorgedaan, in 't Gasthuiskerkske. Dan kroop de bengel tusschen de menschen, die na 't lof, in dichte drommen opeengepakt voor de communiebank, de relikwie gingen eeren en een centje offerden in de schaal ; de kromme deed of hij ook ging offeren ; klein verscholen, van achter, tusschen breedgerokte vrouwen, stak hij reikhalzend zijn koppeken uit en kuste de gezegende gele schijf ; zijn deugnietenarm piepte plots vooruit, vlugen zeker, en voor 't iemand had bemerkt, ritste de vlegel een handsvol centen en nikkels uit de schaal en pikkelde weg, tusschen de stoelen door, de kerk uit.

Maar toen Sooike het nadeed, den derden Zondag, had een missendienaar hem beetgepakt bij zijnen kraag en hem een goeie rammeling gegeven, buiten de kerk, terwijl kromme Pol, achter 't muurke, hem uit stond to lachen, kraaiend van 't plezier.

Hij zou het nog eens biechten: Sooike telde nog eens na op zijn vingers, al zijn biechtpuntjes, en schoof weeral dichter ; hij moest zich gaan haasten, want seffens was 't zijnen toer. Och ja, gelogen, last zien, vier keeren per week, min of meer ; en o, God! Verlejen zomer waxen ze gaan zwemmen in Boone's yen, zonder zwembroek! Sooike had het toch niet met opzet gedaan, want thuis had hij een rooden zakdoek weggefoefeld van zijn vader, den grootsten dien hij had kunnen vinden ; hij had het roode ding rond zijn lijf geknoopt, wegbergend zoo goed als 't ging, zijn leelijke naaktheid, voor hij zijn vlaggelend hemd uitstroopte, maar in 't water schoof de roode zakdoek af, zwaarglimmend van 't nat ; en uit vrees van hem to verliezen door zijn beenengespartel had hij hem afgedaan en hem neergesmeten bij zijn kleeren, die daar lagen op een hoopke op den boord van 't yen.

Heel zoet, half onbewust voelde Sooike nog het deugdelijk streelen van 't lauwe water en het vage wenschen van flog to doen, en goed to leeren zwemmen, om al zijn makkers to overbluffen, maar flu begon zijn mondeken ijverig to bidden zijn vier aktes en bijzonderlijk de akte van berouw en hij zei tegen zich zelven, met duidelijk roerende lippen, dat hij het nooit of nooit meer doen wou en dat hij altijd, altijd braaf en goed zou zijn.

Hij zat op het harde bankske in den biechtstoel, en 't schuifke gleed open. Achter 't getraliede vensterke leunde de witte pastoor en sloeg een kruis in de lucht, breed-gewichtig. Sooike duwde zijn gezicht tegen de tralies en zijn mondeke lispte, een voor een, stil zuchtend, zijn vele zonden ; en hij voelde bescheelijk hoe zijn pakske lichter werd en zonniger zijn hartje, naarmate hij sprak ; hij volgde op zijn vingers al zijn punt jes ; of hij toch niets vergeten zou, want alles moest hij zeggen, niets mocht er blijven vlekken om morgen een heilige eerste communie to doen.

En voor uw penitentie leest ge nu nog tien vaderonzen en tien weesgegroeten voor het Heilig Hart van Jezus en verwek nu akte van berouw. Dan leunde de goeie vent nog eens voorover naar Sooikes oor en zei ; Proficiat!

Daarna moest hij van zijn moeder nog eens den kruisweg doen, rond het koor en hij knielde neer voor al de staties en bad devotelijk in zijn dunne kerkboekje, rood op snee, met prentjes in.

Toen hij voor de veertiende statie kwam, stak hij zijn armen uit, gekruist in de lucht en onderwijl bad hij nog vijf vaderonzen en vijf weesgegroeten voor de vijf glorieuse Wonden van ons Heer. Zoo licht als een engeltje, op onzichtbare vleugels, kwam Sooike de kerk uitgezweefd. Het avondde reeds en de stille duisternis zijpelde neer uit den hemel en doezelde wattig de hoeken en lijnen weg. Hier en daar sterde reeds een straatlantaren open, geelgroenig vlekkend, licht purper omkranst, triestig in het stervend daglicht.

Sooike trippelde vlugbeenig naar huffs, met een. Geen smetje kleefde erop ; 't was alles zoo zonnig en puur, zoo overdadig-goed en hij begon reeds bescheelijk to proeven het groote geluk, dat stil-aan werd geboren, waar hij morgen in zou baden, en dat hij dan handtastelijk zou bevoelen met gelukkige vingers op dien eersten grooten dag, den schoonsten dag van heel zijn leven!

Hoe overgelukkig was hij, hoe godzalig, Jezuke-lief to mogen ontvangen in zijn pure zieltje. Sooike kwam in 't nauwe poortje waar hij woonde en werd geluk gewenscht door zijn moeder, die seffens vroeg of hij toch niets vergeten had en alles wel rechtuit gebiecht. Ja, moe, 'k heb niks vergeten. Verlies uw centen niet, zulie, jongen! Seffens keerde hij weerom, met het warm geurende brood onder den arm, op een drafke, zonder een oogenblik maar to denken aan ravotten of rakkeren.

Hij trippelde lichtjes over de keien en zag de steenen vluchten onder hem. Hij wipte den hoek om, maar toen! Hij plofte vlak op het lijf van scheelen Toon en zijn brood danste bolderend over de straat. Sooike sprong het achterna, maar Toon, eene kleine, rappe vechtersbaas, stoof Sooike tegen,.

Gij, stommen aap, waarom loopte mij omver? Probeer het nog eens, snotneus! Toon, een eerste straatbengel, wat jonger en kleiner dan Sooike, voelde zijn overmacht en het bange toegeven van zijn vijand. Hij duwde hem tegen den muur, en stiet hem voort met schouderschokken, tergend-uitdagend. Last me gerust," zei Sooike, last me door! Ge durft niet, he! Krachtiger, nijdiger klonk het: Ga uit mijnen weg, snotter!

Da zegde niet meet! Daar plofte een muilpeer pletsend open op Sooikes kaak. Ze grepen elkander vast, als stuivende hanen, ze wrongen lenig buigend, krochend en boksend daartusschen, vallens-gereed: Sooikes woede brak los, zijn bloed gulpte omhoog ; maar hij voelde almeteens hoe hij achterover stuikte, struikelend over Toones dwarsgezette been, en in dolle razernij wrong hij het uit zijnen mond: Hij had gevloekt, gevloekt!

Een sterke arm rukte hem los van den huilenden jongen, die daar lag, met zijn aangezicht naar den grond, kapot, vermorzeld door het ontzettende dat er was gebeurd. De groote vent hielp Sooike recht en duwde hem zijn brood in zijn hand.

Ga maar rap naar huffs, ventje ; hij zal u niets meer doen. Leelijke sloeber, mask u weg of Sooike beende naar huffs, strompelend, met vuil betraand gelaat, niet voelend de slagen, die nog brandden op zijnen rug, verplet door 't geweldige, door 't woord dat hij zelf had gesproken en dat nu tergend sarde, voor zijn oogen, in groote vurige letters en dat nog altijd trillend na-klonk in zijn ooren. Hij moest naar huffs, en hij ging ; hij kon nog niet denken wat of er nu gebeuren zou met hem.

Een groote zonde, een dood-zonde had hij nu gedaan! En morgen zou hij een slechte eerste communie doen! Snakkend kwam hij thuis en viel op een stoel, met het hoofd op de tafel, uitschreeuwend in wild getraan zijn geweldige wee, waar hij geen uitkomst aan zag en daar hij zich nu liggen wist in een zwart-duisteren poel, begraven onder grenzelooze smart.

Wat is er, ventje? Ze troostten hem, ze beurden hem op met lieve woordjes en streelende handen en zijn eerste overweldigende wee werd kalmer ; maar dan begon hij in to zien, klaarder nog, het afgrijselijke dat hij had gedaan en wat hem nu to wachten stond!

Hoe kon hij nu zijn eerste communie doen! En toch, hij moest ze doen! Het zou dus zijn een slechte Dat rampzalig woord, dat zoo ineens het groote, witte geluk van morgen vernietigen kwam, en dien reinen, oppersten dag veranderen deed in een zwarten dag van matelooze ellende, nooit to vergeten of uit to wisschen, al leefde hij nog zoo Tang, onherstelbaar, onherroepelijk!

En in zijn wanhoop ontstond er bij hem in eens een vreemd-wreede wensch, dat hij dezen nacht in zijn bed, gedurende zijnen slaap, maar zachtekes sterven mocht Wat moest hij toch doen! Wie zou hem toch helpen! Maar het was veel to last, hij geraakte niet meer buiten, en voorzeker, op dit late uur was de Pastoor reeds lang uit den biechtstoel weg en naar huffs, Aan moeder vragen wat hij doen moest en zeggen, bekennen dat hij gevloekt had?

Zou hij het durven? En hij probeerde de woordekes to zeggen, die hij daarvoor luidop spreken moest, en zijn lippen vergingen, onhoorbaar: Het kon i iet! Dus onherroepelijk en vast, een slechte communie! En ze welden weer op, verduisterend zijn oogen in nevels van wee, versche tranen van versche ellende. Doet het nog zeer, Sooike ; sloeg hij zoo hard?

Zijde niet goed, ventje? Ga maar liever seffens naar uw bed ; kom, ik zal u wegbrengen, en slaap dan maar goed ; dan is 't allemaal vergeten ; en morgen is 't dan de schoone, blije dag. Sooike verstond heur niet en liet rich gewillig naar boven leiden ; moeder kleedde hem uit, als een klein ziek kindje, en hij liet heur betijen. Wat was Sooi toch braaf geworden, in de laatste tijden, vond moeder, en ze dekte hem schoonekes onder, goed-warm toestoppend de Barges achter zijnen rug ; ze teekende op zijn voorhoofd een kruiske met heuren duim: Slapenl Het ventje lag rusteloos to woelen in zijn beddeke, om en weer, to zuchten zware, langgerekte zuchten uit diepe borst en angstig to blikken door 't zwart-stille kamerke naar 't schemerende venster, waar wemelende lichtglanzen over speelden van lantarenvlam.

Buiten roerde nog stil avondleven: Sooike lag daar, alleenig, ongeweten van iedereen, zijnen geest of to beulen in bang-beklemmende vrees voor wat gebeuren ging, voor wat hij niet vermijden kon. Had hij het maar niet gezegd, dat leelijke woord! Zie, daar stond het weer, in vurige letters, duidelijkklaar in den zwarten nacht. Sooike wendde zijn hoofd om en kroop onder 't deksel ; hij wou het niet zien om het niet ongewild, stil uit to spreken en alzoo nog meerder kwaad to doen.

Maar al kroop hij weg, vastsluitend zijn oogen, daar stond het weerom, in plagend gesar. Sooike verjoeg het, maar het dook weer omhoog uit ongekende diepten en nu hoorde hij het klinken, duidelijk-sterk, in zijn ooren, hardnekkig-tergend. Het rommelde rond in zijn hoofd en Sooike gevoelde dat het de duivel was, die flu meester was in hem, die huisde in zijn zieltje en die hem bekoren kwam en verleiden tot verder kwaad. Wat moest hij toch doen? Wat kon hij toch doen?

Hij zou maar bidden, al-door maar bidden den heelen nacht, en de hulp inroepen van zijnen Engelbewaarder, opdat die verdrijven zou den boozen plager. Wat had hij toch spijt, oneindige spijt! Maar zonder biechten was 't nooit vergeven ; daarvoor moest hij hebben volkomen berouw. Volkomen, wat was dat? Hij wist alleen dat het was uiterst moeilijk, bijna nooit to bereiken en dat een mensch nooit weten kon of zijn berouw wet oprecht volkomen was.

Werktuigelijk ging hij aan 't prevelen zijn akte van berouw, maar hij stokte in de helft, want hij wist dat het alleen niet helpen kon, en geen absolutie gaf ; dat lion slechts de priester, met zijn hoogere macht. Was hij maar gaan loopen en had hij diep leelijken aap maar laten staan! Bidden dan maar, altijd-door De reeksen woorden volgden elkaar in lange roten en altijd nieuwe einden schoven aan ; ze liepen sours verward ineen, in zijn weg-ijlende gedachten, maar dan snokte hij zich weer op, uit komenden slaap, en dwong zijn gepeinzen samen en reide opnieuw heelder reeksen aaneen, onvermoeid van her beginnend, in vaag bewustzijn van het onherstelbare en van het vreeselijke dat hem nog to wachten.

Hij besefte 't ineens en een koud-nijpende schrik sloeg hem rood den nek en schroefde zijn koel toe, met ijzeren klem. Hij viel, hij rees neer, in duizelende diepte, altijd omlaag en lager, zonder steun, al klauwde hij woest uit zijn wild-grijpende armen ; hij tuimelde achterover, hals-over-kop, in den afgrond neer. Hij wend naar beneden geslingerd, omlaag gesmakt in de hel. En bescheelijk zag hij, in neerstortende vaart, heel diep onder hem, uit donkere zwartheid opspoken gloeiende vuurtongen, hoog opkrinkelend naar hem ; en duidelijk voelde hij de stijgende hitte branden en verzengen zijnen rug!

Met een luiden gil schokte hij wakker uit zijn akeligen. Daar schemerden flauw de purperen vensters door Zijn kamerdeurken draaide open en zijn moeder stond daar, opgeschrikt door zijn bange gillen, om to vragen wat hem scheelde. De tijd kroop voorbij in afmartelend gepeins en stijgende vrees voor wat er onvermijdelijk komen moest, het morgenlicht, de Bag, de gang naar de kerk en de eerste communie.

Hij zag zich zitten tusschen zijn makkers, schoon gekleed, neergeknield op de communiebank, openvouwend hun hand jes onder het ragfijne witte kleed. Hij zag hoe nevens hem de diep neergezonken hoofdjes langzaam rezen omhoog, zooals zij 't gisteren nog hadden geleerd, en hoe hun open mondje ontving, op eerbiedig aangeboden tong, de Heilige Hostie! Daar stond de witte priester vlak voor hem, biddend en opheffend onzen Lieven Heer, en hij, met zijn zwarte zonde Hij voelde in eens zoo goed dat er dan jets afschuwelijks zou gebeuren, ze zouden het zien aan zijn gezicht, ze zouden het lezen op zijn voorhoofd, waar een zwarte kruis op zou verschijnen ; ze zouden 't weten en hij zou niet kunnen ontvangen in hem het Heilige Lichaam en Bloed!

Nooit zou dat kunnen! Daar moest jets ellendigs gebeuren ; ze zouden hem rukken en sleuren van de communiebank en hem toonen, met misprijzende vingeren ; hij wilt eigenlijk niet wat, maar hij gevoelde dat het zou zijn, ontzettendgeweldig Bidden dan maar, altijd bidden, het eenige dat hij vermocht in zijn hopelooze onmacht.

Weer prevelden zijn lipkes trillend de reeksen woordekes af, altijd van her, altijd van her Z'n moeder tikte hem wakker, 's morgens heel vroeg, en hij rees uit diepen sluimer op, tot het droeve bewustzijn weer. Het flauwe morgenlicht schemerde in 't arme kamerke, en seffens stond, met een kilkouden schrik, weer voor zijn oog, de vreeselijke zonde, die van dezen rijk-belovenden dag maken zou een dag van ellende en rouw, van onuitsprekelijk, diep verborgen wee. Hij wipte uit zijn beddeke en wreef in zijn flauwe slaapoogen ; klaarder zag hij weer verschijnen voor zijn toegedrukte oogen, opspokend uit zwarten met f ijne lichtpuntjes beprikten achtergrond, in bloedvlammende letters, het rampzalige tergende woord Hij rukte zijn oogen open en keek in 't licht om het vreeselijke beeld to verjagen.

Hij rude op zijn beenen en voelde om zijn hart hoe hij flauw was en ziek van angst. En hij mocht het niet weten of toonen ; hij moest zich kloek en sterk.

Ons Sooike ziet er zoo bleek uit," meende zij, terwijl ze volop in de weer was om hem aan to kleeden, properkes en net, zijn kostelijk schoone kleeden, waar zoo lang voor gezorgd en gespaard was. Want schoon moest hij zijn, op dien hoogen dag, zoo als een kind van rijke menschen.

Sooike liet ze maar betijen aan zijn lijf, zijn schoentjes vastrijgen, zijn halsboordje ombinden door zenuwachtige vingeren, zijn haar fijn kammen in een schoon rechte streep, zich afborstelen tot het laatste stof je verdwenen was ; en dan nog de witte satijnen strik om zijnen arm en zijn bolhoed je op ; hij kreeg van vader nog een zegenend kruisje op zijn voorhoofd en toen was hij heelemaal klaar.

Vader bleef thuis en zou de kleinere kinderen in orde brengen en Tist, den ouden sukkelaar, helpen kleeden, zoodat alles gereed zou zijn om to feesten tegen dat moeder en Sooi zouden terugkeeren uit de kerk. Moeder stond to pronken in heur beste kleed, fonkelnieuw. Rap nog een plooike fijn getrokken en een stof je weggeknipt, want buiten hoorden ze de rijtuigen al ratelen, waarmee de rijke kinders ter kerke trokken.

Ze waren op weg nu en buiten zag moeder beter nog hoe bleek heur Sooike zag, met blauwe vegen die donkerkringden om zijn oogen.

Ze beurde het zwijgende ventje op en sprak hem van straks, als ze terug thuis zouden komen en dat het volop kermis zou zijn.

Sooike sprak niet ; hij ging daarheen, en voelde niet de frisch-prikkelende morgenlucht en de feestelijke stemming der kinders, die rijk gedost ter kerke trokken, en der rijtuigen, die vroolijk bolden over de keien, en droegen wit-wolkige meisjes, die even piepten door.

Hij ging met lamme beentjes, en gebroken wil, zonder cooed nog tegen to spartelen, veroordeeld tot een ongekende wreede straf ; en hij voelde enkel de groeiende zekerheid van ijselijk gebeuren in de kerk, op de communiebank.

Van alle kanten roffelden gestadig rijtuigen aan ; uit zijstraatjes kwamen arme meisjes en jongens, met ouders of tanten, sierlijk opgesmukt, licht trippelend in het vroolijke lentezonneke.

Heel de kerk zat bijna vol ; in de middel-beuk, Tangs den eenen kant, de jongens, zwarte schaar met wit roerende gezichtjes, deemoedig neergeknield en ijverig biddend voor het heilige dat op handen was. Tangs de andere zij, de meisjes, witte wolk, vol kanten gevlinder en luchtig beweeg. Rondom, de ouders, loerend naar hun kinderen, aangedaan en fier.

Vlak voor, omgeven door groene, weelderige planten, de lange communiebank, rood bekleed met een spierwit, fijnkanten overdoek, en daar boven op, aan de twee uiteinden, een gevleugelde Engel, in wit gewaad, met opengespreide armen, uitnoodigend de jeugdige schaar ter heilige Nutting. Bezijden, overschouwend het heele tooneel, priestess, naarstig lezend in lijvige kerkboeken, met rappe lippen.

Sooike zat to midden in, verloren op zijn. Hij kon niet meer denken met zijn afgetobd hoofdje, en hij liet maar begaan en komen den tijd, overmeesterd, willoos, met het enkele bewustzijn van iets ontzaggelijks dat er gebeuren moest als hij nutten ging de Heilige Hostie. Wat zou het wel zijn? Zou hij niet verstikken en sterven, of neergesmakt worden op den grond? Zou de aarde niet openscheuren onder zijn voeten? Hij wist niet wat hem to wachten stond, en 't vreemd-.

En hij probeerde opnieuw to beginners, zijn gebeden voor de communie ; maar de woorden schemerden voor zijn oogen, de letters dansten wippelend dooreen en hij lei zijn boekske neer voor hem en vouwde zijn kil-koude handjes.

Flauw benauwend kroop wierookgeur in zijn neusje op en hij hoorde in zijn hoofd alles duizelend roezemoezen ondereen, verward-ver, zoo vreemd en aardig. Hij hoorde spreken, zingers en orgelmuziek ; de jongens roerden zachtjes op hun stoelen ; de menschen kuchten en 't smolt alles verward ineen in zijn soezelend kopje. Al met eens een vieze schok! Daar stand de eerste rij communiekanten op en Sooike zag nag, heel ver, door wazigen mist, de jongens optrekken, handers plat samengelegd op hun borst, met opspitsende vingeren, hoofden eerbiedig-gebroken voorovergeknakt, opstappen, geruischloos, naar het Heilige Maal.

Een tweede rij stand op am neer to knielen, achter de eerste Daar was het zijne beurt am op to staan. De saamgeperste angst barstte open en zijn hartje brak.

Tat was er nu? Hij began to rillen, knikkend op zijn knieen. En hij voelde dat hetgeen hij zoo lang al had gevreesd, dat het ontzettende nu aan 't gebeuren was met hem: Hij hoorde vage geruchten vreemd koken en soezelend huilen in zijn ijle hoofd heel ver, hij stierf en hij wou nag verwekken een akte van berouw ; en zijn gedachten grepen nag naar stukken woorden die verwaterden in zijn hoofd, wegsmeltend in 't niet ; een warme gulp joeg omhoog.

Daar was een kort rumoer in de kerk. De verschrikte jongens sprongen op zij ; een priester stond reeds daar en tilde den gevallen knaap op in zijnn sterke armen, hij droeg hem weg in de sacristy door uiteenwijkende menschen ; Sooikes moeder kwam toegeschoten, met jammerend gesnik om heur kind, dat daar hing met stiff-uitgestrekte leden, vertrokken mond en gesloten, blauw omkringelde oogen, in 's priestess armen.

Ze haalden water en azijn en wreven en leschten zijn hoofd, zijn slapen en zijn polsen ; hij kreunde zacht en een tees-roode kleur schemerde f lauwkes door op zijn mat gele kaken ; maar het duurde nog een heele pons eer hij zijn oogen open trok, wild-starend in ongekende verte.

Een lange zucht blies zacht uit zijn benauwde borst en toen tees hij op, met wilden schrik in zijn oogen, Sooike zocht rond en keek in de ongekende, vreemde plaats. Sooike, manneke, zijde bekomen? Het ventje stak zijn armkes uit, en begon to schreien zachtekes, ongelukkig.

Zoet schemerden zijn gedachten op, uit nmen droom, steeds klaar en klaarder. En hij had zijn eerste communie nog niet gedaan! En hij mocht wachten, en kon biechten, kon biechten die leelijke zonde, die hij nooit of nooit, van heel zijn leven niet meet bedrijven zou!

Hij glimlachte f lauwkes en keek zijn moeke aan, zijn moeke, dat hem to streelen stond, over wangen en haar. Meester Van TruiJfen stond voor zijjn jongens, op het verhoog ; en zijn breed openwaaierende, rosharige baard knabbelbabbelde, wippelend op en neer over zijn stijfwitte borsthemd, mee dansend op mast van het knappen, open en toe, van zijnen sprekenden mond ; en zijn stekelige, roodverroeste snor dreigde sours, heur koperdraadjes puntend omhoog of schuinweg, in zenuwachtig gesnok, als de meester zijn lippen samenkneep en opeenwrong, boosdoend tegen verstrooide of spelende bengels.

En met het wenden en verwikken van zijn hoof d, nu eens naar de stil rumoerende klas, dan weer terug naar de gekleurde landkaart, die voor 't bord hing, of even sours door 't raam weg, de lucht in, waar de schroeiende zomerzon goudsprankelend vuurde, ketsten en flitsten lustige lichtstraaltjes zilverend uit zijn gouden brilleke, dat op zijn grooten tomatenneus stond en dat vroolijk trilbibberend aan 't leven ging, telkens als de saff raanbaard zich boos maakte tegen ondeugend lawaaiende jongens.

Sooi, de Pad Verboven, Tuurke Vercammen, en nog andere bengels zaten daar, verstrooid to luisteren Ze hadden voor een paar maanden bravekes hun eerste communie gedaan, maar ze waxen, -- nu ze niet meer iederen dag de zoete vermaningen van den priester in. Ze zaten allemaal stil, vaag verlangend dat er eens jets gebeuren zou, jets plezierigs, overwachts, dat het loomsuffe weg zou jagen uit de klas en de jongens aan 't lachen brengen, vroolijk en luid ; ze zaten stil, zoo maar geduldig to wachten en to verlangen naar het einde van de les, naar de bel, die straks zilveren zou, to midden der stilte, en hun armen en beenen en oogen weer wakker en levendig maken, en, met heur sidderend getril, de vaak en de loomheid zou jagen uit de dofferig slapende klas.

Sooi Van Mierlo zat achter de Pad Verboven, zijn rug half verborgen, luisterend naar wat de meester zei, maar onderwijl zinnend, als gewoonte, op mogelijk kattekwaad.

En de eerste van allemaal had de Sooi het toch weeral gezien, met zijn vlugge kijkers: Hij scheerde langs de zoldering, in zoevend gebrom, pijlde door de klas en ging, aan den overkant, hoofdig botsen tegen de ruiten, in steeds korter gesnok ; en nu loerden de jongens er heen, de eene voor, de andere na, en al de koppen keken links, weg van 't bord en de schoone kaart, en ze draaiden mee, omhoog en rechts en naar achter, de zwaar brommende vlieg achterna, die kruiste en streepte in grillig geweef, op en neer, en dan weer winkelhaakte in plotsen zwenk om terug naar 't venster to keeren en aan 't botsen to gaan, dwaaskoppig, nijdig, tegen 't heldere, zinderende glas.

Wie nog omziet krijgt straf! Moet ik het nag eens herhalen, Serneels? Het vliegske hoorde, wat de Sooi vroeg en wenschte, en juist op 't ribbeke van de matte ruit bleef het een oogenblik zitten dubben en keerde dan om, met zijn koppeke omlaag. Dat was de gast! De vroolijkste klepper, de plezierigste sloeber uit heel de school, karosser, karottentrekker, 'ne viezen apostel, vlug en verstandig. Als er maar jets to doen was, van spitsvilderij of kwade perten of poetsen to bakken, den Saffraan to treiteren of to judassen, dan was hij er bij of omtrent.

Maar'twas 'ne f ijne,'ne vos,'ne sleebus, de kleine rakker! Met het onnoozelste snullengezicht van eenen, wien g'ons Heer zoudt geven zonder biechten, wilt hij het spelleke in gang to steken, maar hij voelde rot waar hij gaan mocht, en wanneer alles overhoop stond en dat het gevaarlijk werd, ritste hij uit de litsen en was weg, als de anderen zich beet lieten pakken, als dwaze kiekens zonder kop.

En het schoonste van al, Meester Van Truijen zag den Sooi geerne! Maar de andere jongens wisten wel dat de Sooi bedrog deed en afschreef in de prijskampen op 't einde van iederen trimester. Op kleine snipperkes papier, zorgvuldig geborgen in zijn kousen of schoenen, stond de leerstof gekribbeld, die hij niet kende ; en als 't wedstrijd was, dan schreef hij af,, achter Verboven zijnen rug, stout weg, zonder bang zijn of vies-ongewoon doen, zeker van zijn stuk! Als de andere knapen hem na wouen.

Toch dierven z' het niet overbrieven, van Sooikes bedrog ; want verraad en overdragerij, dat ging er niet in ; en daarbij de Sooi was sterk en ze zagen hem gaarne! Want als er to lachen viel in de klas, was het de Sooi toch die het ding beredderen moest. Als er meikevers vlogen, of datmeester Saff raan tusschen de banken wandelde, met een kwispelvlaggelend papierke Tangs achter aan den knop van zijnen jas, of dat er een zwierelend ventje aan de zoldering hing, met kromme beenen en stiff uitgestoken armen, of dat er een dikke bol gekauwd papier nevens den Meester zijn hoofd lijnde, witmalsch openkwakkend op 't zwarte bord, dan wisten de jongens wel van waar het weer kwam.

Maar dan lachte de Sooi mee, luidkeels mee met al de jongens en hij keek rond, links en rechts, verwonderd, om to zien van waar de deugnieterij nu toch weer komen kon ; en hij deed het zoo natuurlijk dat de jongens zelf aan het twijfelen gingen, en dat meester of knapen er niet meer wijs uit werden! Kom, vliegske, kom, dolleke! Wat zouen ze lachen, als 't lukte! De bengel voelde de vreugde en 't plezier al kriewelend kittelen in zijn handen en beenen.

Bromzoevend vloog de groote dol van 't raam weg, slierde schuin of Tangs Van Truijen zijn ooren, hoekte omhoog en ging dan weer al aan 't botssnokken tegen het venster, aan de overzij. Land van Waas, de Polderstreek, het Meetjesland Van waar was die dol zoo plotseling gekomen? Dat had de Sooi niet gezien ; even maar was hij hem kwijtgeraakt, heel even maar ; en toch, nu zat hij daar, maar zoo echt en echt, daar, vlak voor de Sooi, op zijn lessenaarblad ; de groote, vetlijvige, donkerblauw glanzende dol, die daar juist nog omzoefde, zigzaggend door de klas, zat daar nu, in 't bereik van den Sooi zijn hand, en kuischte, vlug pootelend en schurend, zijn gazige vlerkjes.

Heel voorzichtig gleed de Sooi zijn half toegekrulde hand over de bank, naar het bedrijvig pootelend dolleke toe, en, eer zijn makkers het hadden gezien, vliegensvlug ritste zijn handje over 't hout, toeknappend, en het beestje zat kiks gevangen, lekkerkes gevangen in de Sooi zijnen pol!

Hij voelde 't kriewelen in zijn vuist en wringen en wroetelen met zijn pootjes. Als hij zijn bovenste toegekneukelde vingerke even loste, voelde hij 't vliegske kruipen en hooger opwerken om vrij to geraken, en, door het kleine spleetje loerend, zag hij het zwarte koppeke, met twee glinsterende pareloogjes, bloedrandig omkranst.

Zie voor u, stommen aap! Dinant, I Jvoir, Namen, Andenne Maar opeens was 't er mee uit! Luid joelen en lachen schaterden proestend dooreen ; de koppen wemelden, de ruggen golfden en wendden links en rechts en op ; en ondeugende schelmoogen volgden het dol dwaze vliegske dat rondkringelde boven de hoofden, met een vroolijk wapperend papierke, dat gekvlaggelde aan een garen draadje, het vluchtende dolleke achter-.

Juist stroomde meester Saffraan Hoei voorbij en blikte naar Luik heen, en in een oogwenk was 't gebeurd, het angstige beestje, wild snokkend en hoekend boven de koppen, in een oogwenk, zonder dat de meester gezien had, vanwaar of hoe! En nu streepte het vliegske rond, omhoog, omlaag, verschrikt door 't ongewone gefladder daar achter zijn lijf, wild aanbotsend tegen 't glas, terugstuikend en schurend voorbij den news van Van Truijen, die wild armend naar 't gekvleugelend papierke sloeg, dat voortvluchtte over de koppen heen der jongens, die rechtsprongen en op en neer wipten in hun bank, elkaar ophitsend in luider gekraai en geproest, en nu ook uitarmden, klauwend naar 't lollige vliegske, wel zorgend het toch niet to raken en het plezier to doen duren ; tot eindelijk de Pad Verboven, rechtstaand boven op zijn bank, uitstekend boven het wiegelend gegolf zijner makkers, er naar smeet met zijn klak, die opvloog zwart ploffend tegen 't plafond, onder 't luider uitkressend gejoel van de jongens, en dan terug neerkwakte op den news van Juleke Bloks.

Maar de meester had Verboven zien smijten en sprong naar hem toe, roepend en dreigtierend op den dwazen loebas ; en hij sleurde hem van zijn bank, door de jongens heen, schuddend geweldig zijn armen en rug ; en zoo viel eindelijk de schrik den knapen in 't lijf, bij 't zien van 't bang betetterde gelaat van Verboven en de stilte kwam weerom ; en dan, nog eens schuchterkes loerend omhoog of opzij, zagen ze 't alien ; de dol was verdwenen, ergens neergevallen in een hoekske misschien of buiten geraakt en weg door 't openstaande venster, zonder dat iemand het wilt.

Dikke Verboven stond in den hoek, met zijn gezicht naar den muur en kreeg nog honderd regels straf of. En ze vezelden geheimzinnig dat het de Sooi weeral was geweest, die het den meester had gelapt. En Verboven had straf, de stommerik, voor dat smijten met zijn klak. Ze bewonderden den Sooi, die alles dierf waren, altijd wat nieuws, en die altijd ontsnapte!

Maar ze twijfelden al gauw weer, want 't was zoo'n gelukszak, die Sooi! Om half vijf moesten de grooten terug zijn voor de avondstudie, na de klas. Ze liepen naar huffs, om hun boterhammen op to smullen, met koffie erbij ; en seffens waren ze terug om samen to kunnen spelen op de koer.

Ze stonden in een rondeke getroept en telden of om to zien wier er eerst kiezen mocht voor 't barrespel. En op de mast van het lied trippelde Sooike Van Mierlo zijn polleke rond. Ziegezage manneke, Boter in het panneke ; Boter in den pot, Is dat manneke nog niet zot.

Tuurke Vercammen mocht kiezen en ze waren weldra in twee kampen verdeeld met Tuurke en Sooi als aanleiders ; ze stonden tegenover elkaar, aan beide zijden der koer ; en nu liepen ze om en weer, en stormden elkander achterna. Ze slingerslangden over 't. Het rammelde half vijf op den toren ; de portier belde en het joelen bedaarde en viel stil. Meester Saffraan deed de studie. De jongens stonden in twee rijen geschaard voor den ingang en Van Truijen wandelde to midden in, met zijnen koperbaard breed uiteenwaaierend op zijn borst.

De jongens trokken binnen, blazend en zweetend van 't geweldige spelen. Ze zaten aan 't werk. De koppen hingen voorover gebukt over de boeken ; de pennen wemelden krabbelend over 't papier ; de jongens leerden.

Op en neer gingen de borsten en de asems gleden geruischloos door opene lippen. Hobbelsobbelend, klabodderend ritsratelde een marbel over den vloer, botsbolderend tegen den muur, schuin pletsend tegen een bank, afketsend en voortbolderend in kortere schokjes en sprongetjes, heel de lange studiezaal door, verloren bollend onder de jongens hun voeten.

Van Truijen rees recht en uit zijn brilleke gensterden booze lichtstraaltjes en de jongens, hun lachen bedwingend, keken terug neer, bang voor den leelijk oogdreigenden meester. Verlaat de studie,zeg ik u!

Dan werd het weer stil en de knapen blokten hun lessen of penden hun schooltaak af, voor den volgenden dag. Van Truijen loerde rond, achterdochtig, over zijn brilleke. En hij hoorde nog Verboven, die anders zoo bloo was, zich nu verzetten tegen zijn straf. Zou 'k mis geweest zijn? Ik had hem zijn zakken moeten omkeeren, om zeker to zijn. Wie kon het anders wel zijn? Joske Bouwens, met zijn schijnheilig gezicht, die nevens Verboven zat, was er ook wel toe in staat! Of Gustje Meulestee, dat vlugge kapoentje?

Sooi van Mierlo dan? Maar die hing daar zoo vlijtig to blokken over zijn boeken! Van Truijen las weer, keek nog wel eens op, heel eventjes op, in rappe vleugeling over de gebogen hoofden ; en rustig ging het voort, heel rustigjes voort, en langzaam.

Toen was het er weer! Maar veel erger nog dan. Acht, tien, twaalf marbels ineens, een voile handgreep, ratelden, roefelden, tikkelden, bikkelden, dansten rond, walsten en schrankelden vender, in klitskletterend geweld, springend en huppelend in wilder getikkel en doller gekets, rammelend, rommelend, klaterend, beukend tegen de muren, schurend onder de banken door, ritsratsend over den vloer, lang nadreunend en uitrollend tot heelemaal van voor, onder Van Truijen zijnen stoel.

Maar de meester veerde op, even maar merkend een vlugge, verdachte beweging van Sooike's arm, en het lawaaiend joelen en schetteren den jongens overhelmend, klonk het: Van Mierlo, uit uw bank! Maar de bengel moest zijn zakken omschudden en, al was het flu juist het seizoen niet van 't marbelspel, toch kwamen er nog heelder handsvollen lekker malsch uitgeboid, en het kereltje vloog den hoek in, achter in de studie!

En kreeg een geweldige straf! Alle dagen, een week lang, bakken na de studie en honderd regels afschrijven, uit zijn boekje van geschiedenis, met daarbij, het ergste van a1, -- vaders handteeken er op! Dat zou hem leeren, den dwazen jongen, met zijn kwade perten Als de studie uit was, verlieten de jongens hun banken en zetten zich twee aan twee gerijd, vertrekkensgereed, in den gang. De Sooi moest terug komen op zijn plaats en begon zijn straf to kribbelen uit zijn geschiedenis-.

Nu hadden z' hem toch ook eens, peinsden de jongens ; en voor een goei! Nu was hij geknipt! En hij moest het betalen, voor al zijn deugnietenstreken van vroeger! En zij vroegen zich af, of hij nu geleerd zou zijn, met al zijn kwade poetsen en perten! En of hij het ooit nog wagen zou? Hij had moeten bakken tot zeven uren ; en moeder had zijn straf onderteekend, met vaders naam, en vader zelf, die wist er niks van, niemendalle!

Spijtig maar, dat het zoo lang nog moest duren. Zou 't waar zijn? De Sooi zou zich koes houden, en goed zijn lessen leeren en dan zou meester Van Truijen, die zoo braaf was, de straf wel verkorten. De Sooi hoopte, want hij wist wel dat hij er gewoonlijk goed van afkwam, dat hij een gelukszak was! Als vader er maar niets van to weten geraakte! Dan gaf hij er niks om, rats niemendalle! De knapen zaten in de klas, op hun banken, vlijtig to luisteren, toen opeens, heel onverwachts, de deur opendraaide, en daar stond, plechtig en groot, witgebaard, de schoolopziener in de klas, omwaaid met ontzag.

Van Truijen verschoot door dit onverwachte bezoek en de jongens stonden eerbiedig op, in hun bank. Ze moesten onderhoord worden over wat ze zoo al kenden en wat Van Truijen hun had geleerd.

Dan dwaalden ze rond op een blinde kaart van Belgie, verloren hunnen weg, legden Brugge op de Schelde, Namen in Brabant en spoorden per trein Tangs een vaartlijn. Verboven stond recht en hij hakkelde alles dooreen ; van Merwigs met lange Karen, van Cesar en Ambiorix en Karel den Groote.

Maar onderwijl zat de Sooi daar, recht op, hoog op, met zijn wijsvingerke in de lucht, om to mogen antwoorden, ongeduldig, smeekend kijkend naar den opziener, of hij antwoorden mocht. Of hij 't kende, van Clovis! Gisteren afgepend, nettekes afgepend voor zijn straf ; en nu zat het allemaal nog zoo schoonekes en versch in zijn geheugen!

En terwijl Verboven dwazen onzin aaneenflanste had de Sooi den tijd gehad om het nog allemaal eens to overdenken ; en zijn wijsvingerke puntte omhoog en zachtekes drin-. Ga maar zitten, jongen! Weet gij er wat meet van, manneke?

Hij wilt er den al van, van Clovis, wanneer hij geboren wend en op den beukelaar verheven en welke plannen hij koesterde ; en hij vertelde van de kostelijke schaal van Soissons, en van Tolbiac, waar de Alemanen wanorde brachten in 't Frankische leger, tot Clovis eindelijk de hulp inriep van den God van Clotildis ; en van Clovis' doop in de Kerk van Reims, waar hij zweren moest to verbranden wat hij aanbeden had en to aanbidden wat hij had verbrand.

Hij kende den al en babbelde voort. Van Truijen knikte aanmoedigend met zijn hoofd, en hij keek, liefelijk glimlachend naar den opziener toe, die behagelijk luisterde naar den vlug pratenden jongen. De andere knapen in de klas begrepen er niets van ; want daar was geen bedrog bij to zien of omtrent, dees rein! De Sooi zijn boekske lag niet open, achter Verbovens rug, zooals 't wel meet gebeurde, als hij zijn les moest opzeggen voor meester Saffraan. Ze begrepen er niets van!

De opziener knikte tevreden. Hoe is uw naam, vriendje? Ge zijt zeker wel tevreden over Sooi, niet waar, Mijnheer Van Truijen? Hij ging en hij zei nog, dat hij heel tevreden was over zijn bezoek en de jongens kregen allemaal, voor hun belooning, dezen namiddag een halven dag vrij! De meester leidde den schoolopziener buiten en de jongens, die recht stonden nevens hun bank, wreven in hun vuisten en lachten tegen elkaar. Dat had de Sooi hem weer gelapt!

Dat was toch de kerel! De Meester kwam terug voor de klas ; de jongens mochten gaan zitten en ze keken nieuwsgierig naar Van Truijen zijnen mond, wat of hij wel zeggen zou. Van Truijen keek vriendelijk door zijn brilleke heen, blijgezind.

Hij kuchte, greep een stuk krijt, brak er een stukje of dat hij neerlei op zijnen lessenaarrand, overkeek nog eens heel de wachtende klas, en dan was het, langzaam, gewichtig: Jongens, 't is goed geweest ; ik ben ook tevreden over uw antwoorden ; en Pas had Peerke Melis, die in 't zelfde zijpoortje woonde als de Van Mierlo's en de Verboven's, zijn eten door de keel of hij sprong van tafel op en wipte den achterbuur in, waar zijn weefgetouw stond.

Zonder talmen of treuzelen viel hij terug aan 't werk. Hij liet Trees, zijn vrouw, maar betijen met de jongens, die nog voort bleven stekken, gulzig happend de bloemige, witgele aardappels met azijnsaus overgoten.

Peerke had haastig zijn pijpke aangepaft, dapper smekkend en hij blies den rook voor zich heen en onderwijl zat hij op zijn houten bankske, tertend en snokkend aan 't getouw. Binnen in de keuken begon het lawaaien van zijn rumoerige bengels en meisjes, die rondstoeiden op den vloer en samen speelden, luidruchtig, en seffens aan 't krakeelen geraakten, snaterbekkend, taterend en kakelend als een troep vechtende kiekens, terwijl moeder, vruchteloos kijvend en bedreigend, den etensboel aan 't opruimen en 't afwasschen ging.

Straks moesten de grootsten naar school, en dan zou 't wel rustiger worden, peinsde de vent, als de kleinste. Peerke zat flu lustig to trappen met zijn voeten en to snokken aan zijnen trekker met zijn rechterhand. En, terwijl hij den rook wegblies, die opkrulde uit zijn pijpke, keken zijn oogen zorgvuldig het werk na, het ingewikkelde werk, dat zijn behendige handen en voeten in roering brachten.

En zijn mond telde mee, viermaal wit en tweemaal blauw. En, met iederen tert van zijn voeten klommen of daalden de kammen voor hem, bij paren, to gelijk ; en de draden der schering, die afgelijnd kwamen van den boom, aan 't eind van zijn getouw, en die staken door de spleetjes van de kammen, in eindeloos getal, regelmatig nevenseen gerijd, wit en blauw ; de tallooze draden der schering, die bij paren op- of neergetrokken werden met de kammen, gehoorzamend aan de geterden van den wever, ze kruisten en gaapten open ; en, na iederen trap van zijn voeten, snokte Peerke aan zijnen trekker, die zijlings vast zat, met een koord, aan den houten jager, en klits!

De tijk ontstond op den buikboom, langzaam, gestadig, draadje voor draad je, met iederen tert van zijn voeten, met iederen ruk aan den trekker ; en regelmatig schoot de spoel om en weer, en kletste luid zingend tegen den houten jager aan de overzij.

Toen Peerke zijn geweef een oogenblik stillei, om een stukgesprongen draadje to vangen, en geduldig, maar behendig en vlug, met zijn hevelhaakje door de tanden van 't net to halen, toen hoorde hij dat zijn rumoerige jongens al weg waren near school, en dat de kleintjes nu veel rustiger speelden in de keuken. Ze babbelden lustig ondereen, kindergebrabbel uit onbehendigen mond, hun eigen teal, die ze zoo goed verstonden, en moeders stem smeet er sours wet woordekes tusschen our 't al in orde to houden.

Peerke knoopte zijn draadje vast, knipte met zijn fijn scheerke de eindekes weg en weer begon hij to trappen en to snokken, haastig en vlug, want hij had nagemeten wet hem nog over bleef en hij rekende er vast op, dat hij zijn stuk nog of zou krijgen vandaag.

Ruim drie weken had hij eraan gewerkt ; nog een zestal meters en de boom was af. Hij had al lang uitgecijferd wet hij er voor trekken zou en 't geld was al allemaal schoonekes verpast en bestemd, want het wou wet zeggen, zoo'n huishouden recht to houden, met zooveel kinderen en geen schulden to maken!

Zijn hoofd stale vol zorgen. Zoo'n heele hoop bengels, dat verslijt wet aan kleeren ; en het eten den, den ganschen dag door, want die monden stonden niet stil. Gelukkiglijk had Peerke een heel stukje akkerland, achter zijn woontje, en zie eens, door 't venster, hoe schoon ze dear stonden, zijn aardappelen, royaal vijftien roei, zoo weelderig en malsch, in de bloem al.

Die kleppers, met hun gezonde magen, wet ze daarbij nog verslonden aan brood, 't was niet our to gelooven. In 't begin van de week Jeugd. Peerke wroette, van 's morgens vroeg, voor dag en dauw, tot 's avonds last, bij 't arme schijnsel van zijn olielampke, dat boven hem, aan de zoldering hing.

Zijn vrouw had hear paart! Trees slaafde mee en had hoofd en handers ruimschoots vol met den last van 't huishouden en den onderhoud van kleeren en ondergoed, met de zorgen daar nog bij, voor Mieke, hun geit.

Ja, ja, hun geit, dat was hun rijkdom, dat was hun weelde! Ze hadden ze nu al een jaar of twee en dank aan Mieke mochten hun jongens toch hun buikje volsmullen, aan lekkere, gezonde melk, versch en vet. En daarbij, Trees verkocht nog menigen liter aan de buren, daar het beestje overvloedig gaf, vooral na 't lammeren.

En van onderhoud kostte zoo'n beestje heelemaal niets: En al wat Trees dagelijks verkocht aan melk, 't was louter profijt! Peerke's getouw klikklakte lustig ; de spoel schoot vlug en snel door de draden der schering, die openkruisten, bij beurten, omlaag en omhoog. Tot de boel plots stil viel, als een spoel of was.

Dan greep Peerke een versche spoel uit den bak, en hij zoog, met behendige lippen het eindeke garen door het holleke, aan den kop van de spoel en maakte het uiteinde vast aan den vorigen draad, met een wevers-knoop of een wribbel, al naar 't hem inviel ; en weer ging hij aan 't trappers en 't snokken, rusteloos voort, viermaal wit, tweemaal blauw. Vlug verplaatste hij sours den houten tempel, een lange, platte lat, vlak voor zijn hand, our de draden evenwijdig op afstand to houden ;.

Nu zaten z'er toch op hun ergste voor, zoo heelemaal in de kleine kinderen ; tot over hun ooren in den last. Als hij eens terugdacht aan zijn vorige jaren, aan zijn schoone jonkheid, die lustige jaren, die zoo zorgeloos-blij waren heengesneld! En hij vergeleek dan met nu, dat hij daar zat, van 's morgens tot 's avonds, in eendere doening, met dat eeuwig getik en getak om zijn ooren en zijn hoofd vol knellende zorgen om den kost to verdienen voor zijn vrouw en zijn jongens.

Ze zaten er erg voor, 't is waar ; maar toch zou hij zijnen kop niet laten hangen, want inwendig toch gevoelde hij zich blij en gelukkig: Dat was al wat hij vroeg!

Zijn jongens groeiden malsch op en waren nooit ziek of zuchtig. Ze waren kloek to been en vlug van verstand, Maar 't waren ook kleppers, vooral zijn twee oudsten. Wit zagen ze nooit! Als ze 's morgens duchtig waren gewasschen en geschrobd, dan vlogen ze seffens naar buiten en lagen to kruifelen en to ravotten in zand en moor ; en, al kijfde r~noeder van uit de keuken, al bedreigde vader van achter zijn getouw, trommelend met rappe vingeren op de vensterruit, het hielp allemaal niets en geen ommezien bleven ze proper en wit.

Maar 't zou wel veranderen, moedigde Peerke zich aan ; binnen enkele maanden kon de oudste al wat mee gaan verdienen, en dan zou 't rap beteren, van dag tot dag. En Peerke trapte moedig voort, altijd voort, en keek naar buiten, zijn hofke in, waar zijn aardappels rijkelijk bloeiden. Trees stak even maar heuren kop door 't spleetje van de deur en riep luide, den achterbuur in ; Peer, ge zoudt met de geit naar Vereecke's moeten ; 't mag niet meet uitgesteld worden ; 't is hoog tijd.

Dat trof nu eens slecht! En het stuk dat of moest, wat daar mee gedaan! Zoo geraakte hij niet gereed, als hij nu nog moest verletten, en kon hij zijn stuk niet meet inleveren vandaag! Zijn vrouw kon er ook niet mee gaan, want dan moest hij-zelf zijn kleinste gasten gadeslaan, en zoo zijn tijd vermorsen.

Dan ging hij al even gaarne zelf. Morgen, Zondag, dat ging niet. En wachten tot Maandag! Dan was het allicht wat to last, en daarbij, wanneer moest hij dan den nieuwen boom opzetten en klaarmaken our zijn versch stuk to beginners? En toch, hij had er zoo op gerekend, dezen keer. Wat had hij het getroffen met dees geit, die zoo goed en overvloedig gaf, jaar in, jaar uit, ten minste drie liters per dag, de tijden niet geteld, dat ze ging tot vijf! Zijn vroegere geit stond droog, sours weken aan een stuk.

En stellig de jongen, die hij eruit winners zou, moesten goed zijn en zouden hunnen prijs wel gaan. Denk eens na, zoo het er eens drie waxen, of vier zelfs, zooals 't sours wel eens gebeurde. Maar drie was misschien nog beter ; vier was ruim veel our groot to krijgen. Binnen negen weken zou hij 't al weten.

Dat was tegen kermis. Zijn jongens, die zouden het leventje hebben! Ze zouden er mee spelen en hij zag ze al ravotten, met de huppelende geitjes, in hunnen hof, of Tangs de wegen in 't veld, grazend Tangs de grachtkanten, waar het malsche voeder stond.

Ze waren zoo grillig, zoo wild, zoo'n jonge geitjes. Wat zou het een vreugde zijn, voor zijn gasten! Maar toch, hij zou ze verkoopen, als ze goed opwilden ; en dat zou wel! Ja, als het maar jets wat mee wou gaan, was er een schooners cent mee to verdienen!

Ja, ja, 't moest gebeuren, vandaag nog. Peerke overpeinsde het allemaal schoonekes en het kwam zoo natuurlijk en hij zei het bij zijn eigen: Om vier uren klonk de bel over de koer, en in al de klassen helmde 't rond, blij lustig verkondend dat het uit was met leeren en stil zijn voor vandaag.

De jongens, die zaten to kribbelen op hun leien of verstrooid luisterden naar den meester zijn stem, werden wakker geschud en gingen vroolijk aan 't rumoeren. De grif f els tikkelden neer, de leien klabetterden en schoven kletterend weg in de lessenaars. De boeken vlogen toe en ritsten de bankers in, waar ze flu rustig en roerloos mochten liggen tot de volgende week. Dan kwamen de jongens recht-op, wachtend naar stilte en naar 't gebed om de klas to sluiten. De meester, op 't verhoog voor zijn jongens, had zijn stukske krijt kostelijk neergelegd in 't houten bakske, onder aan 't bord.

Hij knipte wat stof van zijn mouwen en nu stond hij het al to overkijken, tot bet rustig zou zijn. Jan sloeg een kruis en bad voor, luid op ; en terwijl. En in zijn vlug biddend mondje proefde Jan het genot, dat hem to wachten stond, na 't lange stil zitten en het blokken, tusschen dees vier witte muren. Ze kloeften naar buiten, bortelend uit de banken, de gang door, de koer op, waar ze zich rijden Tangs den muur, twee aan twee, Jan met Mieleke, zijn broerke, uit de lagere afdeeling, naast hem.

Ze trappelden van ongeduld op de steenen. De Meester gaf het teeken en al de jongens beenden flu de poort uit, de straat op. Luid klepperden hun voetjes en hun taterende mondjes snaterden plezierige dingen, al snaaksche plannen en deugnieterij voor straks en voor morgen. Hun oogen tintelden, vol levensgenot, en hun koppen wemelden, om en om, nu naar de vensterramen van bakkers en koekwinkels, dan weer naar menschen, die voorbij moesten, of naar een hondje, dat over de straat kwam getrippeld en naar dikke meiden, met opgestroopte mouwen en roode, struische armen, die aan 't borstelen waren en aan 't schrobben om straat en stoep schoon proper to krijgen voor morgen.

Een onvoorzichtige gaper schopte tegen een halfvollen emmer, die op den stoeprand stond en liep hem omver en 't water stroelde schuimend over de keien, bemorsend en bekladderend de schoenen en de broek van den opzijstuikenden bengel. En de jongens vielen luid aan 't giechelen tot de meester kwam om de orde to herstellen, met booze. Tot op de markt! Dan vleugelden ze uiteen, in kleinere troepkes, de zijstraten in, ieder Tangs zijnen kant. Jan, Mieleke en Jefke, hun andere broerke, die wat verderop stond in den rang, met Sooike van Mierlo, Pol, Toon en Lowieke, allemaal jongens uit hunne buurt, ze trokken to zamen de Mechelstraat in.

Recht naar de vitrien van Fien Savelkoel, die een snoepwinkeltje hield. Ze stonden opeengedromd een pooske to gapen voor 't raam en ze overzagen het seffens allemaal: En op het tafeltje, achter het venster, chocolade en suikergedoe, allerhande en veel ; ook wafeltjes en lekker gebak, en mandjes vol kersen en krieken, waar 't sap in bloedde, in 't zonnelicht.

Maar, hun aandacht roepend, heel vreemd en ongewoon, - Jan had het seffens gepiept met zijn vlugge kijkers, en het getoond, met zijn wijsvinger er naar puntend, tippend tegen 't glas, daar zie!

Dat was nu vuurwerk, sissers en pijlen, viervogels, die hier flu zoo almeteens to koop lagen, ongewoon, de begeerte der jongens prikkelend met vreemd verboden vermaak. Sooi van Mierlo zei het aan zijn makkers en stiet met zijn ellebogen in hunnen rug. Sooike en Pol liepen al weg, voorop ; de anderen beenden flu seffens achterna. Jan Melis keek nog eens goed naar het plezierig lokkende spel, en toen wipte hij voort.

Nu ging het, allemaal samen, op een drafke, de straat uit. Ze liepen, en stampten sours, in de vlucht en van verre, schuin uitsmijtend hun vlugge beenen, naar een hond, die in een bakkerskarke stond, of ze armden eens uit, rukkend aan een huisbel, die vroolijk aan 't tingelen ging ; dan liepen ze wat vlugger en zoo waren ze seffens de brag over, en een eindeke de stad uit, waar een heele rij lage werkmanshuisjes stonden, daar z' allemaal in woonden.

Van verre hoorden ze vaders getouw lustig klikklakken en ze begonnen to zingen, allemaal ondereen ; Daar zat 'ne wever op zijn getouw, Hij wist niet wat hij weven wou, Hij weefde 'n al dit, hij weefde 'n al dat Hij weefde zijn hemdslip van zijn gatl Zoo kwamen ze thuis.

Ze snokten de dear open en stormden binnen. Nu zaten ze seffens aan de kof f ietafel, Jan, met zijn broertjes en zusjes, smullend en happend tot over hun ooren, in hun boterhammen, drie voor ieder, juist geteld, dik gesneden, en dunnekes met vet besmeerd.

Ze loerden naar elkaar, slurpend aan hunnen kof f ie, hopend dat de kleintjes hun deel niet op zouden krijgen en dat de grooten het overschot onder elkander zouden mogen paarten. Toen viel opeens het weef getouw stil en ze hoorden seffens de ongewone stilte ; ze keken op en vader kwam, uit den achterbuur.

Jan," zei de vent tot zijn oudsten jongen, luister. Ge moet er eens naar toe gaan, met de geit ; sef f ens als ge gedaan hebt met kof f iedrinken.

Zeg maar aan den bass dat ik u gestuurd heb, met de geit. En bier zijn de centen. Draag er goed zorg voor. Steek ze goed weg. Die geef t ge maar. Pas op voor uw centen ; verlies ze maar niet," vermaande Peerke nog eens. Ja, maar, als ge hem dan eens vandoen hebt, onder weg? Mogen we meegaan, moe? Neen, neen," zei moeder ; om samen to ravotten onder weg!

Jan, sef fens terug en niet lanterf anten, hoorde 't jongen? De jongens uit de buurt lagen al to stoeien in 't warme zand van de baan of Tangs de grachtkanten, wat verder op.

.


Hoewel het aantal aangiften tegen potloodventers daalt, zijn ze er nog wel degelijk. Acht lezers die een potloodventer tegenkwamen, doen hun verhaal. Aan de kant waar wij reden, stond op een parkeerplaats een man achter zijn auto. In eerste instantie zagen we hem wel maar we fietsten gewoon verder tot hij opeens zijn broek en onderbroek half omlaag deed en ergens over ging wrijven. Mijn vriendin en ik keken elkaar aan van 'wat is dit nou'. Tien meter verder stonden we voor een rood stoplicht en dus keken we nog een keer om.

Die man stond naar ons te zwaaien met een gebaar van 'kom, kom'. Toen het groen was, reden we zo snel mogelijk door. Het bleek dat wij niet de enige waren die het gezien hadden want een vrouw naast ons stopte midden op de weg en zei 'bel de politie'.

Thuis vertelden we het aan de vader van mijn vriendin. Hij ging meteen op de fiets kijken of die man er nog was maar hij reed al weg in een blauwe auto. Er kwam toevallig een politieauto langs gereden. We hebben een melding gemaakt en op Facebook een waarschuwing geplaatst. Minder aangiftes tegen 'rennende rukkers'. Toen ik achter hem langs liep, zag ik dat hij heftig rukkend met een glimlach op zijn gezicht mij zat aan te kijken… Ik was net wakker en normaal ben ik assertief genoeg, maar ik kon even niets uitbrengen.

In verwarring vervolgde ik mijn weg. Ik heb er dus niets aan gedaan. In een park stond hij opeens voor me. Ik heb zo hard gelachen en gezegd: De Pad hield de achterste billekes open en 't beestje hing to zwierel-zwaaien in de lucht, zijn plat-breede koppeke omlaag, en zijn lichtgeel, dun-vliezig borsteke joeg rap op en neer, een voorpootje uitgestrekt en 't ander bang-ingetrokken tegen zijn lijf.

De Sooi wroette zoekend, met zijn stroopijltje, over den geel-bruinigen buik en plofte het al-met-eens in het kleine holleke. Nu begon hij in den stroohalm to blazen, zoolang hij adem had en het buikske zwol op en bolde uiteen, altijd dikker en dikker.

De Sooi bekeek het, diep asem-scheppend: Toen smeten ze 't dik-opgeblazen dierke in 't water. Dan hadden ze lach! De vorsch dreef boven, met zijn gezwollen achterlijf omhoog, en lam roeiden de pootjes naar 't gras van den never, waar de vorsch in weg-kroop. De Pad had zijn kousen uitgedaan en baadde door de beek, want hij zag een vlinder zitten, in de weide, aan de overzij.

Maar as g'erin zijt is 't gedaan. Toch was 't koud. De Pad was voorzichtig op den anderen never gekropen om den schooners flikketeer to pakken ; 't was er eene met blauwe rondekes op zijn vleugels en hij hing to schommel-wiegelen op een wit bloemeke. Hij gooide er met zijn klak henen, maar smeet er nevens en de flikketeer wiggel-waggelde de wei-uit, en weg.

De Pad baadde terug door 't kille water der beek, trok zijn kousen weer aan en nu volgden ze samen den landweg, loopend langs kleine boerenhoven, half verborgen in bloeiende fruitboomen. Neen ; heel in 't begin ; in d'eerste dreef. Kende die drij populieren niet, neffen malkanderen!

Pad, ik krijg honger ; gij niet? Ze zijn aan 't koffiedrinken bij de boeren. Draag m'n kloonen is. De Sooi stond tegen de keukendeur, en met tranerige stem, langzaam-ongelukkig: Onze Vader, die in den Hemel en zijt, geheilig-t zij uw Naam, ons toekome uw Rijk Geef-t ons heden ons dagelijksch brood, en vergeef -t ons onze schulden Hij stond met zijnen franken voet al in-huffs.

Gebenedijt zijt Gij, boven alle vrouwen Danke, bazin " Met 'nen stiff-dikken boterham kwam hij bij de Pad en zij deelden eerlijk. Ze beten erin tot over hun ooren, en 't smaakte! Terwijl zij voortaten, binnen-loerend in den stal, naar rondbuikige, dampende koe-beesten, die dom voor zich heen lagen to staren, in warm-riekend stroo-mest, van tijd-tot-tijd een lang-klagend, zwaargemeurel uitstootend uit hunnen vierkant-breeden muil of de pitsende vliegen weg-jagend met hunnen zwiependen, vuil-boschigen staart ; terwijl ze luisterden naar het triestig, mekkerend-bleeten uit het fijn-spitsig muiltje der geit, die daar alleenig in een zij-hoek stond to treuren, hoorden ze buiten, in den boomgaard daar ergens, het kakelend geschreeuw van een hen.

Met kort-snelle, hakkende gil-stooten klonk het. Een hin, die aan 't leggen is," wist de Sooi weeral. Terwijl zij voorbij den boomgaard der hoef trokken, loensde de bengel door de haag en seffens had hij het weer beet, met zijn rappe kijkers: Niet ver van de haag, in een klein aardeholte, waar het kieken gezeten had, lagers er kostelijk nevens-een twee schoone eieren, twee eieren voor hen! Pad, loeren of er gee' man komt, en w' hebben ze tikkes!

De Sooi lag plat op zijnen buik en kroop kruifelend vooruit, onder de haag door, met ellebogen en knieen wroetend onder de takken, die hem onvriendelijk raspten over kop en schouders en vast-haakten aan zijnen lodder-frak.

De Pad hielp hem nijdigslaande takken afweren en voort-kruipen naar d' eieren toe. Trek me nu terug, of ik breek ze! De takken schuurden krakend over zijnen rug en flapten hard-kletsend op zijnen kop. Maar de Sooi stond zegevierend recht met de twee kostelijke eieren in zijn zwartbemorste klauwen. Steek weg," zei de Sooi, en hij duwde de Pad er een in zijn hand. Daar kwam, over den mullen zand-weg een dikke boerin aangestapt, tusschen de berries van een hoogzwaar opgeladen kruiwagen.

Ze porde hem voort en. De Pad en zijn makker gingen onnoozel-snulachtig voorbij, en toen de boerin weg was, de hoef-in, sprongen ze juich-lachend een dennenboschken in: Twee gaatjes boorden z' in hun eieren, onder en boven, met den punt van hun zak-mes, en ze hielden hunnen duim op het onderste holleke, opdat er niets van het kostelijk nat verloren zou loopen. En dan, kop-achterover, klokten ze maar, en zogen en slurpten en het gleed zoet-glibberig lekkerkes door hun keelgat. Ze wreven voldaan over hun buikske en krakten de broos-dunne schelp in stukken.

Ze gooiden ze weg, in een gracht en beenden toen rap voort, de hei-in. Hoe ver is 't nog, Sooi? Sef f ens ziede 't. Hier en daar een geel-gloeiend zandheuveltje, met een kreupelen, verschrompelden denneboom, armzalig op de blak-barre hei. Sours een kleine, schoon getinte vlek, teer-groen mos, rood-dooraderd, met bruine en purperen stippels, waarop wit-gepluimde grassen toptrilden.

Links, verre-weg, een mastbosch, donkey-zwartgroen, met zijn kartellijn f ijn of gesneden tegen den blauwen hemel ; en vlak voor hen, nog wel een kwartier ver, het Gielsbosch, zwaar-massief, met, boven den golf-rand uit, de drie populieren, als zwarte keersen, op den hemel ; en daar, in den middelsten, hoog, in 't bovenste, wist de Pad hun eksternest, met vijf schoone eikes, twee voor hem en twee voor den Sooi -- en een mochten ze dan nog breken, met het uithalen of in het terugkomen.

Over den hemel dreven langzaam witte pluimvlokskes, waar de zon piepenborge achter speelde. Nu was ze weg en dan was ze daar weer om to glinsterstralen over de bruine hei. Daar wandelden groote schaduwplekken over den grond en over de boomen, alles verdoffend ; maar tusschen-in glans-tintelde alles weer van 't weelderige licht. A1-met-eens deed de Sooi twee vieze bokkesprongen, zijn armen sloegen en zwaaiden als die van een boerenjongen, die zijn zweep met geweld doet djakken, voor zijn pleizier.

De Sooi stond stil, met zijn gesloten vuist aan zijnen news en hij trok zijnen asem op, langzaamwellustig en hij snoof jets heerlijks, want zijne oogen straalden van de deugd. Rozen," zei de Pad, lekker rozen. Maar de Pad haalde zijn schouders op ; Gij wel! Den Dolf zegt dat ook. En zij roken nog eens, a11e twee, en ze liepen een endeke voort. Dan moette rap zijn. Die vliegen maar in de zon. Wa gaat ge ermee doen? Maar de Sooi weer, met rappe tong: Na heb ik spijt.

Die zijn altijd rood, vierig rood ; nog nooit geen groen gezien.. En 't is weg! De boomen gingen uiteen en daar, in de eerste dreef stonden de drie populieren, hoog-recht den hemel in, met hun tallooze trilblaadjes en hun dunne zijtakjes, korter en dunner wordend, tot aan 't uiterste spitske, ginder heel boven. Inderdaad van op-zij zagen ze 't ekstersnest, bijna onbereikbaar, zoo dun waxen er de takken.

Pad, goed de wacht hone, zulle! Hij haalde een klimkoordeke uit zijnen zak en de Pad ging tegen den boom leerke staan. De Sooi klom op den Pad zijn toe-gevingerde handen en trapte op zijn schouders.

De kleine dikzak hield zich kloek. De waaghals stond nu met zijn teenen op den bibberschuddenden kop van zijnen makker en begon to klimmen. Hij hield den boom in zijn armen geklemd en werkte omhoog, met handen en knieen en voeten, tot aan de eerste takken. Hij was er nogal gauw, en kroop seffens hooger, van tak tot tak.

De boom begon stillekes to zwaaien. De Sooi koos zijn takken uit, om op to staan en probeerde eerst of ze sterk genoeg waren ; en dan kroop hij erop. De stam wiege-waagde om en woer, als de Sooi zich bewoog, maar hij voelde zich zoo licht als een pluimke en hij stond maar rezzekes op de takken, met zijn teenen. Hij dierf niet meer naar beneden zien. Hij zag niets meer dan het groote nest, van grove dorre takken ineengevlochten ; een dun, zwaaiend boomspilleke daarboven, en heel hoog, de diepe lucht, de blauwe lucht, oneindig.

De Sooi deed zijn klak voorzichtig of en klemde ze tusschen zijn tanden, om er de eieren seffens in to leggen. En toen zag hij, met 'nen wip, hoe hij daar hing, boven de ver-weg-heuvelende kruinen van 't Gielsbosch, zoo hoog; maar hij keek gauw weer naar boven, naar 't zwarte nest.

Het waaide toch een beetje. De Sooi zijn knieen be-. Van waar kwamen ze? De Sooi had het niet gezien, maar boven den boom en errond draaiden en gaggelden de woedende eksters, met hun lange stijve stokstaarten ; en hun zwarte, wit-doorstraalde vleugels klepten driftig open en toe De bengel greep ze vast, woedend, en sleurde ze uit het nest, de kleine jongskes, met hun vet-kwabbige plomplijven en hun stompvleugelkes, met blauwe buiskes, waar de pennen in staken ; hij slingerde ze de lucht-in en de zware lijvekes kwakten omlaag.

In zijn bittere woede meende hij het takkennest nog uit to trekken, maar het tengere stammeke, waar hij aanhing, zwaaide zoo fel door zijn armbewegen, dat hij zich takken liet, naar steviger takken. Juist had hij zijn klak terug op. Dan klonk het, schetterend in zijne ooren, van beneden, uit de Pad zijnen bangen mond Sooi!

Hij liet zich rijzen holderdebolder, door de takken, die ombogen en afscheurden onder het dalend geweld en hun slierende blaren om zijn ooren flapten. Hij hobbel-solde naar beneden, kruifelend met zijn rappe knieen, grijpend ommendom met dolle armen, en toen hij afrees Tangs den stam, klampte een felle vuist hem vast in 't kruis van zijn broek.

De Sooi voelde zich bengelen in de lucht, en om en weer schudden zijn armen en beenen, als een houten paljas. Toen plofte hij neer op den grond en in zijn ooren toet-singelden J eugd. De groote boschwachter trok den huilenden jongen terug recht, boos-oogend en zijn schor-stem rauwde raspend: Hoe heette gij De Sooi jank-huilde van pijn en verkropte woede en hij klemde knerzelend zijn tanden opeen. Gaat ge spreken, kleine snotneus, of 'k rammel u af, dat uw beenen kraken.

Torfs," stotterde de Sooi en vaagde met zijn verhakkelde moues zijn schreeuwsnottebellen af, die tot in zijnen mond liepen.

Die had de Pad mee. En wat doet eulie vader? Heel zijn broek was kapot. Gij, kleine nietdeug," schudde de groote, sterke vent nog eens, verdekkesche schavuit, en gij rakkert de bosschen zoo maar af, om eksters to rooven en de jong uit hun nest to smijten!

Ik zal u vinden, kereltje! Gij gaat den bak in! Maak dat ge naar huffs komt, want anders!.. Op zijn kousen, met zijn kapotte broek ; zijn kop hing voorover, valsch loerden zijn oogen ; eerst langzaam voetje voor voetje ; maar zes stappen verder schoot hij in-eens aan 't loopen. De Pad stond hem of to wachten, achter 'nen boom.

Proces-verbaal, maar 'k heb 'nen verkeerden naam gegeven! De Sooi zijnen cooed kwam terug ; zijn borst zwol op ; hij gooide zijnen kop fier achterover, als een felle vechtersbaas en hij begon to roepen, dat de scheldnamen priemden door de lucht ; de Pad hielp hem en ze riepen overhands, om ter meest: Kom af, dikke lorias, kom af, tegen mij alleen, kom hier, als ge durft, en ik breek u in twee! Maar daar ging zijn zware kluppel omhoog en cirkelde dreigend rond ; met zijn logzware pooten ging de veldwachter aan 't loopen, de schavuiten achterna Maar dan was 't haastig rechts-om ; hun rappe beenen schoten in gang en hun voeten klits-kletsten tegen den harden grond der dreef ; ze stoven vooruit en wipten over een gracht, het bosch in, het kreupelhout-door, als eekhoornkes zoo vlug En zij renden de hei-in, nieuwe avonturen to gemoet!

Sooike moest to biechten gaan, want 's anderendaags moest hij zijn eerste communie doen. Het was voor Sooike en voor al de kinderen, die zooals hij flu elf jaar oud geworden waren, de grootste en gewichtigste gebeurtenis uit heel hun leven. Ze gingen to zamen sedert maanden nu al, regelmatig naar de leering in de kerk en ze zaten, iederen dag, bravekes to luisteren naar de wijze raadgevingen en het zoete vermaan van den goeden priester.

Aan wild ravotten en rakkeren in veld en bosch dacht niemand meer, en uit was het nu, uit en gedaan, met kwade poetsen en perten. Sooike leerde zorgzaam-naarstig zijn catechismuslessen en kende zijn boekje heelemaal van buiten, met vragen en antwoorden, want hij had ze honderden keeren gehoord en herhaald to huis, waar moeder hem opvroeg, wat hij iederen dag in de kerk had geleerd.

Zoo leefde hij flu in stille braafheid, in een gestadig, steeds groeiend verlangen naar derv gewichtigen, heiligen dag, waartoe hij zoo zorgzaam werd voorbereid door den pastoor der parochie in de kerk en door moeder to huis. Ze zaten flu allemaal to wachten, de meisjes rechts, de jongens links, op twee lange roten, langs weerskanten der biechtstoelen geschaard.

Ze zaten daar nu,. Sooike zat bij pastoor Verhaege, bijna op 't einde van de rij. De kinderen trokken overhand den biechtstoel in, links en rechts, en de wachtende meisjes en knapen schoven aan, van 't eene stoeltje op 't andere ; ze zagen den priester in zijn witte koorhemd, door de spleetjes van 't groene gordijntje leunen, nu hier, dan daar, en ze hoorden rezzekes zijn fluisterstem, onverstaanbaar berispen en vermanen.

Sooike onderzocht zijn geweten naarstig-zorgvuldig. Hij moest een algemeene biecht spreken van heel zijn levers, want alles moest vergeven en uitgewischt worden en hij oogee in 't verleden, zoo ver hij maar oogen kon, zoo diep zijn kindergeheugen reikte ; hij speurde de minste vlekjes op, die er smettend kleefden op zijn zieltje ; want daar mocht geen stof je vuil haperen blijven voor de groote gebeurtenis, die aanstaande was en waar ze zich zoo lang tot voorbereiden.

Sooike herinnerde zich zijn allereerste boosdoen en ongehoorzaam zijn aan vader. Tante Mie was bij hen gekomen en ze had een schooners tros schoone blauwe druiven meegebracht voor hear petekind.

Maar Sooike moest van vader eerst zijn kunde laten zien, een kruiske makers, eer hij druiven kreeg. Sooike wou echter eerst de druiven. Vader hield vol en werd boos ; toen had hij den koppigen jongen bedreigd, vingerloerend en hem eindelijk in den hoek gezet.

Dan had hij Sooike zijn rechterpolleke vastgepakt en het onvriendelijk tegen zijn voorhoofd geduwd ; en om hem in gang to steken, sprak hij hem voor: Zeg na, zeg ik u!

In den naam des Vaders Ongehoorzaam geweest aan vader en moeder, 't was zijn eerste puntje. Toen hij zeven jaar was en voor den eersten keen to biechten ging, had hij het al eens opgebiecht, maar nu moest hij nog eens overzeggen, al zijn zonden, klein en groot. Ten tweede, leelijke woorden gesproken, gevloekt, afgeleerd van 't werkvolk, op de straat, of van zijn makkers ; hij dierf de vloeken niet herhalen met zijnen mond ; straks zou hij 't moeten doen, voor den priester, maar dan was 't geen zonde meet ; hij zag ze duidelijk staan en leven voor zijn oogen ; en hij herinnerde zich hoe en waar het was gebeurd ; hij kon ze tellen op zijn vingers ; zeven keeren.

De Pad Verboven, zijn kameraad, kwam uit den biechtstoel, met gebogen hoofd, en ging in 't midden der kerk zijn penitentie bidden. Ze schoven allemaal dichter en Sooike zat daar weer, zijn twee ellebogen. En hij tuurde maar voort, het verleden in, op zoek naar zwarte vlekken en zonden. Over 't kerkmuurtje geklommen en peren gepikt uit den koster zxjn hof ; belleken-trek gedaan,'s avonds na de teekenschool ; vuurpijlen afgestoken op de straat, om de menschen bang to maken ; de lantaren uitgedraaid aan den hoek van 't Kluizevestje ; eieren gestolen bij den boer ; vogels geroofd in 't Gielsbosch, leelijke namen geroepen en met steenen gesmeten naar den boschwachter ; centen gepikt uit de offerschaal na 't lof.

Twee keeren had kromme Pol het hem voorgedaan, in 't Gasthuiskerkske. Dan kroop de bengel tusschen de menschen, die na 't lof, in dichte drommen opeengepakt voor de communiebank, de relikwie gingen eeren en een centje offerden in de schaal ; de kromme deed of hij ook ging offeren ; klein verscholen, van achter, tusschen breedgerokte vrouwen, stak hij reikhalzend zijn koppeken uit en kuste de gezegende gele schijf ; zijn deugnietenarm piepte plots vooruit, vlugen zeker, en voor 't iemand had bemerkt, ritste de vlegel een handsvol centen en nikkels uit de schaal en pikkelde weg, tusschen de stoelen door, de kerk uit.

Maar toen Sooike het nadeed, den derden Zondag, had een missendienaar hem beetgepakt bij zijnen kraag en hem een goeie rammeling gegeven, buiten de kerk, terwijl kromme Pol, achter 't muurke, hem uit stond to lachen, kraaiend van 't plezier.

Hij zou het nog eens biechten: Sooike telde nog eens na op zijn vingers, al zijn biechtpuntjes, en schoof weeral dichter ; hij moest zich gaan haasten, want seffens was 't zijnen toer. Och ja, gelogen, last zien, vier keeren per week, min of meer ; en o, God!

Verlejen zomer waxen ze gaan zwemmen in Boone's yen, zonder zwembroek! Sooike had het toch niet met opzet gedaan, want thuis had hij een rooden zakdoek weggefoefeld van zijn vader, den grootsten dien hij had kunnen vinden ; hij had het roode ding rond zijn lijf geknoopt, wegbergend zoo goed als 't ging, zijn leelijke naaktheid, voor hij zijn vlaggelend hemd uitstroopte, maar in 't water schoof de roode zakdoek af, zwaarglimmend van 't nat ; en uit vrees van hem to verliezen door zijn beenengespartel had hij hem afgedaan en hem neergesmeten bij zijn kleeren, die daar lagen op een hoopke op den boord van 't yen.

Heel zoet, half onbewust voelde Sooike nog het deugdelijk streelen van 't lauwe water en het vage wenschen van flog to doen, en goed to leeren zwemmen, om al zijn makkers to overbluffen, maar flu begon zijn mondeken ijverig to bidden zijn vier aktes en bijzonderlijk de akte van berouw en hij zei tegen zich zelven, met duidelijk roerende lippen, dat hij het nooit of nooit meer doen wou en dat hij altijd, altijd braaf en goed zou zijn. Hij zat op het harde bankske in den biechtstoel, en 't schuifke gleed open.

Achter 't getraliede vensterke leunde de witte pastoor en sloeg een kruis in de lucht, breed-gewichtig. Sooike duwde zijn gezicht tegen de tralies en zijn mondeke lispte, een voor een, stil zuchtend, zijn vele zonden ; en hij voelde bescheelijk hoe zijn pakske lichter werd en zonniger zijn hartje, naarmate hij sprak ; hij volgde op zijn vingers al zijn punt jes ; of hij toch niets vergeten zou, want alles moest hij zeggen, niets mocht er blijven vlekken om morgen een heilige eerste communie to doen.

En voor uw penitentie leest ge nu nog tien vaderonzen en tien weesgegroeten voor het Heilig Hart van Jezus en verwek nu akte van berouw. Dan leunde de goeie vent nog eens voorover naar Sooikes oor en zei ; Proficiat! Daarna moest hij van zijn moeder nog eens den kruisweg doen, rond het koor en hij knielde neer voor al de staties en bad devotelijk in zijn dunne kerkboekje, rood op snee, met prentjes in.

Toen hij voor de veertiende statie kwam, stak hij zijn armen uit, gekruist in de lucht en onderwijl bad hij nog vijf vaderonzen en vijf weesgegroeten voor de vijf glorieuse Wonden van ons Heer. Zoo licht als een engeltje, op onzichtbare vleugels, kwam Sooike de kerk uitgezweefd. Het avondde reeds en de stille duisternis zijpelde neer uit den hemel en doezelde wattig de hoeken en lijnen weg.

Hier en daar sterde reeds een straatlantaren open, geelgroenig vlekkend, licht purper omkranst, triestig in het stervend daglicht.

Sooike trippelde vlugbeenig naar huffs, met een. Geen smetje kleefde erop ; 't was alles zoo zonnig en puur, zoo overdadig-goed en hij begon reeds bescheelijk to proeven het groote geluk, dat stil-aan werd geboren, waar hij morgen in zou baden, en dat hij dan handtastelijk zou bevoelen met gelukkige vingers op dien eersten grooten dag, den schoonsten dag van heel zijn leven!

Hoe overgelukkig was hij, hoe godzalig, Jezuke-lief to mogen ontvangen in zijn pure zieltje. Sooike kwam in 't nauwe poortje waar hij woonde en werd geluk gewenscht door zijn moeder, die seffens vroeg of hij toch niets vergeten had en alles wel rechtuit gebiecht.

Ja, moe, 'k heb niks vergeten. Verlies uw centen niet, zulie, jongen! Seffens keerde hij weerom, met het warm geurende brood onder den arm, op een drafke, zonder een oogenblik maar to denken aan ravotten of rakkeren. Hij trippelde lichtjes over de keien en zag de steenen vluchten onder hem.

Hij wipte den hoek om, maar toen! Hij plofte vlak op het lijf van scheelen Toon en zijn brood danste bolderend over de straat. Sooike sprong het achterna, maar Toon, eene kleine, rappe vechtersbaas, stoof Sooike tegen,. Gij, stommen aap, waarom loopte mij omver? Probeer het nog eens, snotneus!

Toon, een eerste straatbengel, wat jonger en kleiner dan Sooike, voelde zijn overmacht en het bange toegeven van zijn vijand. Hij duwde hem tegen den muur, en stiet hem voort met schouderschokken, tergend-uitdagend. Last me gerust," zei Sooike, last me door!

Ge durft niet, he! Krachtiger, nijdiger klonk het: Ga uit mijnen weg, snotter! Da zegde niet meet! Daar plofte een muilpeer pletsend open op Sooikes kaak. Ze grepen elkander vast, als stuivende hanen, ze wrongen lenig buigend, krochend en boksend daartusschen, vallens-gereed: Sooikes woede brak los, zijn bloed gulpte omhoog ; maar hij voelde almeteens hoe hij achterover stuikte, struikelend over Toones dwarsgezette been, en in dolle razernij wrong hij het uit zijnen mond: Hij had gevloekt, gevloekt!

Een sterke arm rukte hem los van den huilenden jongen, die daar lag, met zijn aangezicht naar den grond, kapot, vermorzeld door het ontzettende dat er was gebeurd. De groote vent hielp Sooike recht en duwde hem zijn brood in zijn hand. Ga maar rap naar huffs, ventje ; hij zal u niets meer doen. Leelijke sloeber, mask u weg of Sooike beende naar huffs, strompelend, met vuil betraand gelaat, niet voelend de slagen, die nog brandden op zijnen rug, verplet door 't geweldige, door 't woord dat hij zelf had gesproken en dat nu tergend sarde, voor zijn oogen, in groote vurige letters en dat nog altijd trillend na-klonk in zijn ooren.

Hij moest naar huffs, en hij ging ; hij kon nog niet denken wat of er nu gebeuren zou met hem. Een groote zonde, een dood-zonde had hij nu gedaan! En morgen zou hij een slechte eerste communie doen! Snakkend kwam hij thuis en viel op een stoel, met het hoofd op de tafel, uitschreeuwend in wild getraan zijn geweldige wee, waar hij geen uitkomst aan zag en daar hij zich nu liggen wist in een zwart-duisteren poel, begraven onder grenzelooze smart.

Wat is er, ventje? Ze troostten hem, ze beurden hem op met lieve woordjes en streelende handen en zijn eerste overweldigende wee werd kalmer ; maar dan begon hij in to zien, klaarder nog, het afgrijselijke dat hij had gedaan en wat hem nu to wachten stond! Hoe kon hij nu zijn eerste communie doen! En toch, hij moest ze doen! Het zou dus zijn een slechte Dat rampzalig woord, dat zoo ineens het groote, witte geluk van morgen vernietigen kwam, en dien reinen, oppersten dag veranderen deed in een zwarten dag van matelooze ellende, nooit to vergeten of uit to wisschen, al leefde hij nog zoo Tang, onherstelbaar, onherroepelijk!

En in zijn wanhoop ontstond er bij hem in eens een vreemd-wreede wensch, dat hij dezen nacht in zijn bed, gedurende zijnen slaap, maar zachtekes sterven mocht Wat moest hij toch doen! Wie zou hem toch helpen! Maar het was veel to last, hij geraakte niet meer buiten, en voorzeker, op dit late uur was de Pastoor reeds lang uit den biechtstoel weg en naar huffs, Aan moeder vragen wat hij doen moest en zeggen, bekennen dat hij gevloekt had?

Zou hij het durven? En hij probeerde de woordekes to zeggen, die hij daarvoor luidop spreken moest, en zijn lippen vergingen, onhoorbaar: Het kon i iet! Dus onherroepelijk en vast, een slechte communie! En ze welden weer op, verduisterend zijn oogen in nevels van wee, versche tranen van versche ellende. Doet het nog zeer, Sooike ; sloeg hij zoo hard?

Zijde niet goed, ventje? Ga maar liever seffens naar uw bed ; kom, ik zal u wegbrengen, en slaap dan maar goed ; dan is 't allemaal vergeten ; en morgen is 't dan de schoone, blije dag. Sooike verstond heur niet en liet rich gewillig naar boven leiden ; moeder kleedde hem uit, als een klein ziek kindje, en hij liet heur betijen.

Wat was Sooi toch braaf geworden, in de laatste tijden, vond moeder, en ze dekte hem schoonekes onder, goed-warm toestoppend de Barges achter zijnen rug ; ze teekende op zijn voorhoofd een kruiske met heuren duim: Slapenl Het ventje lag rusteloos to woelen in zijn beddeke, om en weer, to zuchten zware, langgerekte zuchten uit diepe borst en angstig to blikken door 't zwart-stille kamerke naar 't schemerende venster, waar wemelende lichtglanzen over speelden van lantarenvlam.

Buiten roerde nog stil avondleven: Sooike lag daar, alleenig, ongeweten van iedereen, zijnen geest of to beulen in bang-beklemmende vrees voor wat gebeuren ging, voor wat hij niet vermijden kon.

Had hij het maar niet gezegd, dat leelijke woord! Zie, daar stond het weer, in vurige letters, duidelijkklaar in den zwarten nacht. Sooike wendde zijn hoofd om en kroop onder 't deksel ; hij wou het niet zien om het niet ongewild, stil uit to spreken en alzoo nog meerder kwaad to doen. Maar al kroop hij weg, vastsluitend zijn oogen, daar stond het weerom, in plagend gesar.

Sooike verjoeg het, maar het dook weer omhoog uit ongekende diepten en nu hoorde hij het klinken, duidelijk-sterk, in zijn ooren, hardnekkig-tergend. Het rommelde rond in zijn hoofd en Sooike gevoelde dat het de duivel was, die flu meester was in hem, die huisde in zijn zieltje en die hem bekoren kwam en verleiden tot verder kwaad.

Wat moest hij toch doen? Wat kon hij toch doen? Hij zou maar bidden, al-door maar bidden den heelen nacht, en de hulp inroepen van zijnen Engelbewaarder, opdat die verdrijven zou den boozen plager. Wat had hij toch spijt, oneindige spijt! Maar zonder biechten was 't nooit vergeven ; daarvoor moest hij hebben volkomen berouw.

Volkomen, wat was dat? Hij wist alleen dat het was uiterst moeilijk, bijna nooit to bereiken en dat een mensch nooit weten kon of zijn berouw wet oprecht volkomen was.

Werktuigelijk ging hij aan 't prevelen zijn akte van berouw, maar hij stokte in de helft, want hij wist dat het alleen niet helpen kon, en geen absolutie gaf ; dat lion slechts de priester, met zijn hoogere macht. Was hij maar gaan loopen en had hij diep leelijken aap maar laten staan! Bidden dan maar, altijd-door De reeksen woorden volgden elkaar in lange roten en altijd nieuwe einden schoven aan ; ze liepen sours verward ineen, in zijn weg-ijlende gedachten, maar dan snokte hij zich weer op, uit komenden slaap, en dwong zijn gepeinzen samen en reide opnieuw heelder reeksen aaneen, onvermoeid van her beginnend, in vaag bewustzijn van het onherstelbare en van het vreeselijke dat hem nog to wachten.

Hij besefte 't ineens en een koud-nijpende schrik sloeg hem rood den nek en schroefde zijn koel toe, met ijzeren klem. Hij viel, hij rees neer, in duizelende diepte, altijd omlaag en lager, zonder steun, al klauwde hij woest uit zijn wild-grijpende armen ; hij tuimelde achterover, hals-over-kop, in den afgrond neer.

Hij wend naar beneden geslingerd, omlaag gesmakt in de hel. En bescheelijk zag hij, in neerstortende vaart, heel diep onder hem, uit donkere zwartheid opspoken gloeiende vuurtongen, hoog opkrinkelend naar hem ; en duidelijk voelde hij de stijgende hitte branden en verzengen zijnen rug!

Met een luiden gil schokte hij wakker uit zijn akeligen. Daar schemerden flauw de purperen vensters door Zijn kamerdeurken draaide open en zijn moeder stond daar, opgeschrikt door zijn bange gillen, om to vragen wat hem scheelde. De tijd kroop voorbij in afmartelend gepeins en stijgende vrees voor wat er onvermijdelijk komen moest, het morgenlicht, de Bag, de gang naar de kerk en de eerste communie.

Hij zag zich zitten tusschen zijn makkers, schoon gekleed, neergeknield op de communiebank, openvouwend hun hand jes onder het ragfijne witte kleed. Hij zag hoe nevens hem de diep neergezonken hoofdjes langzaam rezen omhoog, zooals zij 't gisteren nog hadden geleerd, en hoe hun open mondje ontving, op eerbiedig aangeboden tong, de Heilige Hostie! Daar stond de witte priester vlak voor hem, biddend en opheffend onzen Lieven Heer, en hij, met zijn zwarte zonde Hij voelde in eens zoo goed dat er dan jets afschuwelijks zou gebeuren, ze zouden het zien aan zijn gezicht, ze zouden het lezen op zijn voorhoofd, waar een zwarte kruis op zou verschijnen ; ze zouden 't weten en hij zou niet kunnen ontvangen in hem het Heilige Lichaam en Bloed!

Nooit zou dat kunnen! Daar moest jets ellendigs gebeuren ; ze zouden hem rukken en sleuren van de communiebank en hem toonen, met misprijzende vingeren ; hij wilt eigenlijk niet wat, maar hij gevoelde dat het zou zijn, ontzettendgeweldig Bidden dan maar, altijd bidden, het eenige dat hij vermocht in zijn hopelooze onmacht. Weer prevelden zijn lipkes trillend de reeksen woordekes af, altijd van her, altijd van her Z'n moeder tikte hem wakker, 's morgens heel vroeg, en hij rees uit diepen sluimer op, tot het droeve bewustzijn weer.

Het flauwe morgenlicht schemerde in 't arme kamerke, en seffens stond, met een kilkouden schrik, weer voor zijn oog, de vreeselijke zonde, die van dezen rijk-belovenden dag maken zou een dag van ellende en rouw, van onuitsprekelijk, diep verborgen wee.

Hij wipte uit zijn beddeke en wreef in zijn flauwe slaapoogen ; klaarder zag hij weer verschijnen voor zijn toegedrukte oogen, opspokend uit zwarten met f ijne lichtpuntjes beprikten achtergrond, in bloedvlammende letters, het rampzalige tergende woord Hij rukte zijn oogen open en keek in 't licht om het vreeselijke beeld to verjagen. Hij rude op zijn beenen en voelde om zijn hart hoe hij flauw was en ziek van angst. En hij mocht het niet weten of toonen ; hij moest zich kloek en sterk.

Ons Sooike ziet er zoo bleek uit," meende zij, terwijl ze volop in de weer was om hem aan to kleeden, properkes en net, zijn kostelijk schoone kleeden, waar zoo lang voor gezorgd en gespaard was. Want schoon moest hij zijn, op dien hoogen dag, zoo als een kind van rijke menschen. Sooike liet ze maar betijen aan zijn lijf, zijn schoentjes vastrijgen, zijn halsboordje ombinden door zenuwachtige vingeren, zijn haar fijn kammen in een schoon rechte streep, zich afborstelen tot het laatste stof je verdwenen was ; en dan nog de witte satijnen strik om zijnen arm en zijn bolhoed je op ; hij kreeg van vader nog een zegenend kruisje op zijn voorhoofd en toen was hij heelemaal klaar.

Vader bleef thuis en zou de kleinere kinderen in orde brengen en Tist, den ouden sukkelaar, helpen kleeden, zoodat alles gereed zou zijn om to feesten tegen dat moeder en Sooi zouden terugkeeren uit de kerk. Moeder stond to pronken in heur beste kleed, fonkelnieuw. Rap nog een plooike fijn getrokken en een stof je weggeknipt, want buiten hoorden ze de rijtuigen al ratelen, waarmee de rijke kinders ter kerke trokken. Ze waren op weg nu en buiten zag moeder beter nog hoe bleek heur Sooike zag, met blauwe vegen die donkerkringden om zijn oogen.

Ze beurde het zwijgende ventje op en sprak hem van straks, als ze terug thuis zouden komen en dat het volop kermis zou zijn. Sooike sprak niet ; hij ging daarheen, en voelde niet de frisch-prikkelende morgenlucht en de feestelijke stemming der kinders, die rijk gedost ter kerke trokken, en der rijtuigen, die vroolijk bolden over de keien, en droegen wit-wolkige meisjes, die even piepten door.

Hij ging met lamme beentjes, en gebroken wil, zonder cooed nog tegen to spartelen, veroordeeld tot een ongekende wreede straf ; en hij voelde enkel de groeiende zekerheid van ijselijk gebeuren in de kerk, op de communiebank. Van alle kanten roffelden gestadig rijtuigen aan ; uit zijstraatjes kwamen arme meisjes en jongens, met ouders of tanten, sierlijk opgesmukt, licht trippelend in het vroolijke lentezonneke.

Heel de kerk zat bijna vol ; in de middel-beuk, Tangs den eenen kant, de jongens, zwarte schaar met wit roerende gezichtjes, deemoedig neergeknield en ijverig biddend voor het heilige dat op handen was. Tangs de andere zij, de meisjes, witte wolk, vol kanten gevlinder en luchtig beweeg. Rondom, de ouders, loerend naar hun kinderen, aangedaan en fier. Vlak voor, omgeven door groene, weelderige planten, de lange communiebank, rood bekleed met een spierwit, fijnkanten overdoek, en daar boven op, aan de twee uiteinden, een gevleugelde Engel, in wit gewaad, met opengespreide armen, uitnoodigend de jeugdige schaar ter heilige Nutting.

Bezijden, overschouwend het heele tooneel, priestess, naarstig lezend in lijvige kerkboeken, met rappe lippen. Sooike zat to midden in, verloren op zijn. Hij kon niet meer denken met zijn afgetobd hoofdje, en hij liet maar begaan en komen den tijd, overmeesterd, willoos, met het enkele bewustzijn van iets ontzaggelijks dat er gebeuren moest als hij nutten ging de Heilige Hostie.

Wat zou het wel zijn? Zou hij niet verstikken en sterven, of neergesmakt worden op den grond? Zou de aarde niet openscheuren onder zijn voeten? Hij wist niet wat hem to wachten stond, en 't vreemd-. En hij probeerde opnieuw to beginners, zijn gebeden voor de communie ; maar de woorden schemerden voor zijn oogen, de letters dansten wippelend dooreen en hij lei zijn boekske neer voor hem en vouwde zijn kil-koude handjes.

Flauw benauwend kroop wierookgeur in zijn neusje op en hij hoorde in zijn hoofd alles duizelend roezemoezen ondereen, verward-ver, zoo vreemd en aardig. Hij hoorde spreken, zingers en orgelmuziek ; de jongens roerden zachtjes op hun stoelen ; de menschen kuchten en 't smolt alles verward ineen in zijn soezelend kopje. Al met eens een vieze schok! Daar stand de eerste rij communiekanten op en Sooike zag nag, heel ver, door wazigen mist, de jongens optrekken, handers plat samengelegd op hun borst, met opspitsende vingeren, hoofden eerbiedig-gebroken voorovergeknakt, opstappen, geruischloos, naar het Heilige Maal.

Een tweede rij stand op am neer to knielen, achter de eerste Daar was het zijne beurt am op to staan. De saamgeperste angst barstte open en zijn hartje brak.

Tat was er nu? Hij began to rillen, knikkend op zijn knieen. En hij voelde dat hetgeen hij zoo lang al had gevreesd, dat het ontzettende nu aan 't gebeuren was met hem: Hij hoorde vage geruchten vreemd koken en soezelend huilen in zijn ijle hoofd heel ver, hij stierf en hij wou nag verwekken een akte van berouw ; en zijn gedachten grepen nag naar stukken woorden die verwaterden in zijn hoofd, wegsmeltend in 't niet ; een warme gulp joeg omhoog.

Daar was een kort rumoer in de kerk. De verschrikte jongens sprongen op zij ; een priester stond reeds daar en tilde den gevallen knaap op in zijnn sterke armen, hij droeg hem weg in de sacristy door uiteenwijkende menschen ; Sooikes moeder kwam toegeschoten, met jammerend gesnik om heur kind, dat daar hing met stiff-uitgestrekte leden, vertrokken mond en gesloten, blauw omkringelde oogen, in 's priestess armen.

Ze haalden water en azijn en wreven en leschten zijn hoofd, zijn slapen en zijn polsen ; hij kreunde zacht en een tees-roode kleur schemerde f lauwkes door op zijn mat gele kaken ; maar het duurde nog een heele pons eer hij zijn oogen open trok, wild-starend in ongekende verte.

Een lange zucht blies zacht uit zijn benauwde borst en toen tees hij op, met wilden schrik in zijn oogen, Sooike zocht rond en keek in de ongekende, vreemde plaats. Sooike, manneke, zijde bekomen? Het ventje stak zijn armkes uit, en begon to schreien zachtekes, ongelukkig.

Zoet schemerden zijn gedachten op, uit nmen droom, steeds klaar en klaarder. En hij had zijn eerste communie nog niet gedaan! En hij mocht wachten, en kon biechten, kon biechten die leelijke zonde, die hij nooit of nooit, van heel zijn leven niet meet bedrijven zou! Hij glimlachte f lauwkes en keek zijn moeke aan, zijn moeke, dat hem to streelen stond, over wangen en haar. Meester Van TruiJfen stond voor zijjn jongens, op het verhoog ; en zijn breed openwaaierende, rosharige baard knabbelbabbelde, wippelend op en neer over zijn stijfwitte borsthemd, mee dansend op mast van het knappen, open en toe, van zijnen sprekenden mond ; en zijn stekelige, roodverroeste snor dreigde sours, heur koperdraadjes puntend omhoog of schuinweg, in zenuwachtig gesnok, als de meester zijn lippen samenkneep en opeenwrong, boosdoend tegen verstrooide of spelende bengels.

En met het wenden en verwikken van zijn hoof d, nu eens naar de stil rumoerende klas, dan weer terug naar de gekleurde landkaart, die voor 't bord hing, of even sours door 't raam weg, de lucht in, waar de schroeiende zomerzon goudsprankelend vuurde, ketsten en flitsten lustige lichtstraaltjes zilverend uit zijn gouden brilleke, dat op zijn grooten tomatenneus stond en dat vroolijk trilbibberend aan 't leven ging, telkens als de saff raanbaard zich boos maakte tegen ondeugend lawaaiende jongens.

Sooi, de Pad Verboven, Tuurke Vercammen, en nog andere bengels zaten daar, verstrooid to luisteren Ze hadden voor een paar maanden bravekes hun eerste communie gedaan, maar ze waxen, -- nu ze niet meer iederen dag de zoete vermaningen van den priester in.

Ze zaten allemaal stil, vaag verlangend dat er eens jets gebeuren zou, jets plezierigs, overwachts, dat het loomsuffe weg zou jagen uit de klas en de jongens aan 't lachen brengen, vroolijk en luid ; ze zaten stil, zoo maar geduldig to wachten en to verlangen naar het einde van de les, naar de bel, die straks zilveren zou, to midden der stilte, en hun armen en beenen en oogen weer wakker en levendig maken, en, met heur sidderend getril, de vaak en de loomheid zou jagen uit de dofferig slapende klas.

Sooi Van Mierlo zat achter de Pad Verboven, zijn rug half verborgen, luisterend naar wat de meester zei, maar onderwijl zinnend, als gewoonte, op mogelijk kattekwaad. En de eerste van allemaal had de Sooi het toch weeral gezien, met zijn vlugge kijkers: Hij scheerde langs de zoldering, in zoevend gebrom, pijlde door de klas en ging, aan den overkant, hoofdig botsen tegen de ruiten, in steeds korter gesnok ; en nu loerden de jongens er heen, de eene voor, de andere na, en al de koppen keken links, weg van 't bord en de schoone kaart, en ze draaiden mee, omhoog en rechts en naar achter, de zwaar brommende vlieg achterna, die kruiste en streepte in grillig geweef, op en neer, en dan weer winkelhaakte in plotsen zwenk om terug naar 't venster to keeren en aan 't botsen to gaan, dwaaskoppig, nijdig, tegen 't heldere, zinderende glas.

Wie nog omziet krijgt straf! Moet ik het nag eens herhalen, Serneels? Het vliegske hoorde, wat de Sooi vroeg en wenschte, en juist op 't ribbeke van de matte ruit bleef het een oogenblik zitten dubben en keerde dan om, met zijn koppeke omlaag.

Dat was de gast! De vroolijkste klepper, de plezierigste sloeber uit heel de school, karosser, karottentrekker, 'ne viezen apostel, vlug en verstandig. Als er maar jets to doen was, van spitsvilderij of kwade perten of poetsen to bakken, den Saffraan to treiteren of to judassen, dan was hij er bij of omtrent.

Maar'twas 'ne f ijne,'ne vos,'ne sleebus, de kleine rakker! Met het onnoozelste snullengezicht van eenen, wien g'ons Heer zoudt geven zonder biechten, wilt hij het spelleke in gang to steken, maar hij voelde rot waar hij gaan mocht, en wanneer alles overhoop stond en dat het gevaarlijk werd, ritste hij uit de litsen en was weg, als de anderen zich beet lieten pakken, als dwaze kiekens zonder kop.

En het schoonste van al, Meester Van Truijen zag den Sooi geerne! Maar de andere jongens wisten wel dat de Sooi bedrog deed en afschreef in de prijskampen op 't einde van iederen trimester.

Op kleine snipperkes papier, zorgvuldig geborgen in zijn kousen of schoenen, stond de leerstof gekribbeld, die hij niet kende ; en als 't wedstrijd was, dan schreef hij af,, achter Verboven zijnen rug, stout weg, zonder bang zijn of vies-ongewoon doen, zeker van zijn stuk! Als de andere knapen hem na wouen. Toch dierven z' het niet overbrieven, van Sooikes bedrog ; want verraad en overdragerij, dat ging er niet in ; en daarbij de Sooi was sterk en ze zagen hem gaarne!

Want als er to lachen viel in de klas, was het de Sooi toch die het ding beredderen moest. Als er meikevers vlogen, of datmeester Saff raan tusschen de banken wandelde, met een kwispelvlaggelend papierke Tangs achter aan den knop van zijnen jas, of dat er een zwierelend ventje aan de zoldering hing, met kromme beenen en stiff uitgestoken armen, of dat er een dikke bol gekauwd papier nevens den Meester zijn hoofd lijnde, witmalsch openkwakkend op 't zwarte bord, dan wisten de jongens wel van waar het weer kwam.

Maar dan lachte de Sooi mee, luidkeels mee met al de jongens en hij keek rond, links en rechts, verwonderd, om to zien van waar de deugnieterij nu toch weer komen kon ; en hij deed het zoo natuurlijk dat de jongens zelf aan het twijfelen gingen, en dat meester of knapen er niet meer wijs uit werden!

Kom, vliegske, kom, dolleke! Wat zouen ze lachen, als 't lukte! De bengel voelde de vreugde en 't plezier al kriewelend kittelen in zijn handen en beenen. Bromzoevend vloog de groote dol van 't raam weg, slierde schuin of Tangs Van Truijen zijn ooren, hoekte omhoog en ging dan weer al aan 't botssnokken tegen het venster, aan de overzij.

Land van Waas, de Polderstreek, het Meetjesland Van waar was die dol zoo plotseling gekomen? Dat had de Sooi niet gezien ; even maar was hij hem kwijtgeraakt, heel even maar ; en toch, nu zat hij daar, maar zoo echt en echt, daar, vlak voor de Sooi, op zijn lessenaarblad ; de groote, vetlijvige, donkerblauw glanzende dol, die daar juist nog omzoefde, zigzaggend door de klas, zat daar nu, in 't bereik van den Sooi zijn hand, en kuischte, vlug pootelend en schurend, zijn gazige vlerkjes.

Heel voorzichtig gleed de Sooi zijn half toegekrulde hand over de bank, naar het bedrijvig pootelend dolleke toe, en, eer zijn makkers het hadden gezien, vliegensvlug ritste zijn handje over 't hout, toeknappend, en het beestje zat kiks gevangen, lekkerkes gevangen in de Sooi zijnen pol! Hij voelde 't kriewelen in zijn vuist en wringen en wroetelen met zijn pootjes.

Als hij zijn bovenste toegekneukelde vingerke even loste, voelde hij 't vliegske kruipen en hooger opwerken om vrij to geraken, en, door het kleine spleetje loerend, zag hij het zwarte koppeke, met twee glinsterende pareloogjes, bloedrandig omkranst. Zie voor u, stommen aap! Dinant, I Jvoir, Namen, Andenne Maar opeens was 't er mee uit! Luid joelen en lachen schaterden proestend dooreen ; de koppen wemelden, de ruggen golfden en wendden links en rechts en op ; en ondeugende schelmoogen volgden het dol dwaze vliegske dat rondkringelde boven de hoofden, met een vroolijk wapperend papierke, dat gekvlaggelde aan een garen draadje, het vluchtende dolleke achter-.

Juist stroomde meester Saffraan Hoei voorbij en blikte naar Luik heen, en in een oogwenk was 't gebeurd, het angstige beestje, wild snokkend en hoekend boven de koppen, in een oogwenk, zonder dat de meester gezien had, vanwaar of hoe! En nu streepte het vliegske rond, omhoog, omlaag, verschrikt door 't ongewone gefladder daar achter zijn lijf, wild aanbotsend tegen 't glas, terugstuikend en schurend voorbij den news van Van Truijen, die wild armend naar 't gekvleugelend papierke sloeg, dat voortvluchtte over de koppen heen der jongens, die rechtsprongen en op en neer wipten in hun bank, elkaar ophitsend in luider gekraai en geproest, en nu ook uitarmden, klauwend naar 't lollige vliegske, wel zorgend het toch niet to raken en het plezier to doen duren ; tot eindelijk de Pad Verboven, rechtstaand boven op zijn bank, uitstekend boven het wiegelend gegolf zijner makkers, er naar smeet met zijn klak, die opvloog zwart ploffend tegen 't plafond, onder 't luider uitkressend gejoel van de jongens, en dan terug neerkwakte op den news van Juleke Bloks.

Maar de meester had Verboven zien smijten en sprong naar hem toe, roepend en dreigtierend op den dwazen loebas ; en hij sleurde hem van zijn bank, door de jongens heen, schuddend geweldig zijn armen en rug ; en zoo viel eindelijk de schrik den knapen in 't lijf, bij 't zien van 't bang betetterde gelaat van Verboven en de stilte kwam weerom ; en dan, nog eens schuchterkes loerend omhoog of opzij, zagen ze 't alien ; de dol was verdwenen, ergens neergevallen in een hoekske misschien of buiten geraakt en weg door 't openstaande venster, zonder dat iemand het wilt.

Dikke Verboven stond in den hoek, met zijn gezicht naar den muur en kreeg nog honderd regels straf of. En ze vezelden geheimzinnig dat het de Sooi weeral was geweest, die het den meester had gelapt. En Verboven had straf, de stommerik, voor dat smijten met zijn klak. Ze bewonderden den Sooi, die alles dierf waren, altijd wat nieuws, en die altijd ontsnapte!

Maar ze twijfelden al gauw weer, want 't was zoo'n gelukszak, die Sooi! Om half vijf moesten de grooten terug zijn voor de avondstudie, na de klas. Ze liepen naar huffs, om hun boterhammen op to smullen, met koffie erbij ; en seffens waren ze terug om samen to kunnen spelen op de koer.

Ze stonden in een rondeke getroept en telden of om to zien wier er eerst kiezen mocht voor 't barrespel. En op de mast van het lied trippelde Sooike Van Mierlo zijn polleke rond. Ziegezage manneke, Boter in het panneke ; Boter in den pot, Is dat manneke nog niet zot. Tuurke Vercammen mocht kiezen en ze waren weldra in twee kampen verdeeld met Tuurke en Sooi als aanleiders ; ze stonden tegenover elkaar, aan beide zijden der koer ; en nu liepen ze om en weer, en stormden elkander achterna.

Ze slingerslangden over 't. Het rammelde half vijf op den toren ; de portier belde en het joelen bedaarde en viel stil. Meester Saffraan deed de studie. De jongens stonden in twee rijen geschaard voor den ingang en Van Truijen wandelde to midden in, met zijnen koperbaard breed uiteenwaaierend op zijn borst. De jongens trokken binnen, blazend en zweetend van 't geweldige spelen. Ze zaten aan 't werk. De koppen hingen voorover gebukt over de boeken ; de pennen wemelden krabbelend over 't papier ; de jongens leerden.

Op en neer gingen de borsten en de asems gleden geruischloos door opene lippen. Hobbelsobbelend, klabodderend ritsratelde een marbel over den vloer, botsbolderend tegen den muur, schuin pletsend tegen een bank, afketsend en voortbolderend in kortere schokjes en sprongetjes, heel de lange studiezaal door, verloren bollend onder de jongens hun voeten.

Van Truijen rees recht en uit zijn brilleke gensterden booze lichtstraaltjes en de jongens, hun lachen bedwingend, keken terug neer, bang voor den leelijk oogdreigenden meester. Verlaat de studie,zeg ik u! Dan werd het weer stil en de knapen blokten hun lessen of penden hun schooltaak af, voor den volgenden dag. Van Truijen loerde rond, achterdochtig, over zijn brilleke.

En hij hoorde nog Verboven, die anders zoo bloo was, zich nu verzetten tegen zijn straf. Zou 'k mis geweest zijn? Ik had hem zijn zakken moeten omkeeren, om zeker to zijn. Wie kon het anders wel zijn? Joske Bouwens, met zijn schijnheilig gezicht, die nevens Verboven zat, was er ook wel toe in staat!

Of Gustje Meulestee, dat vlugge kapoentje? Sooi van Mierlo dan? Maar die hing daar zoo vlijtig to blokken over zijn boeken! Van Truijen las weer, keek nog wel eens op, heel eventjes op, in rappe vleugeling over de gebogen hoofden ; en rustig ging het voort, heel rustigjes voort, en langzaam. Toen was het er weer! Maar veel erger nog dan. Acht, tien, twaalf marbels ineens, een voile handgreep, ratelden, roefelden, tikkelden, bikkelden, dansten rond, walsten en schrankelden vender, in klitskletterend geweld, springend en huppelend in wilder getikkel en doller gekets, rammelend, rommelend, klaterend, beukend tegen de muren, schurend onder de banken door, ritsratsend over den vloer, lang nadreunend en uitrollend tot heelemaal van voor, onder Van Truijen zijnen stoel.

Maar de meester veerde op, even maar merkend een vlugge, verdachte beweging van Sooike's arm, en het lawaaiend joelen en schetteren den jongens overhelmend, klonk het: Van Mierlo, uit uw bank! Maar de bengel moest zijn zakken omschudden en, al was het flu juist het seizoen niet van 't marbelspel, toch kwamen er nog heelder handsvollen lekker malsch uitgeboid, en het kereltje vloog den hoek in, achter in de studie!

En kreeg een geweldige straf! Alle dagen, een week lang, bakken na de studie en honderd regels afschrijven, uit zijn boekje van geschiedenis, met daarbij, het ergste van a1, -- vaders handteeken er op!

Dat zou hem leeren, den dwazen jongen, met zijn kwade perten Als de studie uit was, verlieten de jongens hun banken en zetten zich twee aan twee gerijd, vertrekkensgereed, in den gang. De Sooi moest terug komen op zijn plaats en begon zijn straf to kribbelen uit zijn geschiedenis-. Nu hadden z' hem toch ook eens, peinsden de jongens ; en voor een goei!

Nu was hij geknipt! En hij moest het betalen, voor al zijn deugnietenstreken van vroeger! En zij vroegen zich af, of hij nu geleerd zou zijn, met al zijn kwade poetsen en perten! En of hij het ooit nog wagen zou? Hij had moeten bakken tot zeven uren ; en moeder had zijn straf onderteekend, met vaders naam, en vader zelf, die wist er niks van, niemendalle! Spijtig maar, dat het zoo lang nog moest duren. Zou 't waar zijn? De Sooi zou zich koes houden, en goed zijn lessen leeren en dan zou meester Van Truijen, die zoo braaf was, de straf wel verkorten.

De Sooi hoopte, want hij wist wel dat hij er gewoonlijk goed van afkwam, dat hij een gelukszak was! Als vader er maar niets van to weten geraakte! Dan gaf hij er niks om, rats niemendalle!

De knapen zaten in de klas, op hun banken, vlijtig to luisteren, toen opeens, heel onverwachts, de deur opendraaide, en daar stond, plechtig en groot, witgebaard, de schoolopziener in de klas, omwaaid met ontzag.

Van Truijen verschoot door dit onverwachte bezoek en de jongens stonden eerbiedig op, in hun bank. Ze moesten onderhoord worden over wat ze zoo al kenden en wat Van Truijen hun had geleerd. Dan dwaalden ze rond op een blinde kaart van Belgie, verloren hunnen weg, legden Brugge op de Schelde, Namen in Brabant en spoorden per trein Tangs een vaartlijn.

Verboven stond recht en hij hakkelde alles dooreen ; van Merwigs met lange Karen, van Cesar en Ambiorix en Karel den Groote. Maar onderwijl zat de Sooi daar, recht op, hoog op, met zijn wijsvingerke in de lucht, om to mogen antwoorden, ongeduldig, smeekend kijkend naar den opziener, of hij antwoorden mocht. Of hij 't kende, van Clovis! Gisteren afgepend, nettekes afgepend voor zijn straf ; en nu zat het allemaal nog zoo schoonekes en versch in zijn geheugen!

En terwijl Verboven dwazen onzin aaneenflanste had de Sooi den tijd gehad om het nog allemaal eens to overdenken ; en zijn wijsvingerke puntte omhoog en zachtekes drin-.

Ga maar zitten, jongen! Weet gij er wat meet van, manneke? Hij wilt er den al van, van Clovis, wanneer hij geboren wend en op den beukelaar verheven en welke plannen hij koesterde ; en hij vertelde van de kostelijke schaal van Soissons, en van Tolbiac, waar de Alemanen wanorde brachten in 't Frankische leger, tot Clovis eindelijk de hulp inriep van den God van Clotildis ; en van Clovis' doop in de Kerk van Reims, waar hij zweren moest to verbranden wat hij aanbeden had en to aanbidden wat hij had verbrand.

Hij kende den al en babbelde voort. Van Truijen knikte aanmoedigend met zijn hoofd, en hij keek, liefelijk glimlachend naar den opziener toe, die behagelijk luisterde naar den vlug pratenden jongen. De andere knapen in de klas begrepen er niets van ; want daar was geen bedrog bij to zien of omtrent, dees rein! De Sooi zijn boekske lag niet open, achter Verbovens rug, zooals 't wel meet gebeurde, als hij zijn les moest opzeggen voor meester Saffraan.

Ze begrepen er niets van! De opziener knikte tevreden. Hoe is uw naam, vriendje? Ge zijt zeker wel tevreden over Sooi, niet waar, Mijnheer Van Truijen?

Hij ging en hij zei nog, dat hij heel tevreden was over zijn bezoek en de jongens kregen allemaal, voor hun belooning, dezen namiddag een halven dag vrij! De meester leidde den schoolopziener buiten en de jongens, die recht stonden nevens hun bank, wreven in hun vuisten en lachten tegen elkaar. Dat had de Sooi hem weer gelapt! Dat was toch de kerel!

De Meester kwam terug voor de klas ; de jongens mochten gaan zitten en ze keken nieuwsgierig naar Van Truijen zijnen mond, wat of hij wel zeggen zou. Van Truijen keek vriendelijk door zijn brilleke heen, blijgezind. Hij kuchte, greep een stuk krijt, brak er een stukje of dat hij neerlei op zijnen lessenaarrand, overkeek nog eens heel de wachtende klas, en dan was het, langzaam, gewichtig: Jongens, 't is goed geweest ; ik ben ook tevreden over uw antwoorden ; en Pas had Peerke Melis, die in 't zelfde zijpoortje woonde als de Van Mierlo's en de Verboven's, zijn eten door de keel of hij sprong van tafel op en wipte den achterbuur in, waar zijn weefgetouw stond.

Zonder talmen of treuzelen viel hij terug aan 't werk. Hij liet Trees, zijn vrouw, maar betijen met de jongens, die nog voort bleven stekken, gulzig happend de bloemige, witgele aardappels met azijnsaus overgoten. Peerke had haastig zijn pijpke aangepaft, dapper smekkend en hij blies den rook voor zich heen en onderwijl zat hij op zijn houten bankske, tertend en snokkend aan 't getouw.

Binnen in de keuken begon het lawaaien van zijn rumoerige bengels en meisjes, die rondstoeiden op den vloer en samen speelden, luidruchtig, en seffens aan 't krakeelen geraakten, snaterbekkend, taterend en kakelend als een troep vechtende kiekens, terwijl moeder, vruchteloos kijvend en bedreigend, den etensboel aan 't opruimen en 't afwasschen ging. Straks moesten de grootsten naar school, en dan zou 't wel rustiger worden, peinsde de vent, als de kleinste.

Peerke zat flu lustig to trappen met zijn voeten en to snokken aan zijnen trekker met zijn rechterhand. En, terwijl hij den rook wegblies, die opkrulde uit zijn pijpke, keken zijn oogen zorgvuldig het werk na, het ingewikkelde werk, dat zijn behendige handen en voeten in roering brachten.

En zijn mond telde mee, viermaal wit en tweemaal blauw. En, met iederen tert van zijn voeten klommen of daalden de kammen voor hem, bij paren, to gelijk ; en de draden der schering, die afgelijnd kwamen van den boom, aan 't eind van zijn getouw, en die staken door de spleetjes van de kammen, in eindeloos getal, regelmatig nevenseen gerijd, wit en blauw ; de tallooze draden der schering, die bij paren op- of neergetrokken werden met de kammen, gehoorzamend aan de geterden van den wever, ze kruisten en gaapten open ; en, na iederen trap van zijn voeten, snokte Peerke aan zijnen trekker, die zijlings vast zat, met een koord, aan den houten jager, en klits!



Vingeren onder de douche massage erotik sex


De roos en het zwijn, De arkvaarders, In de zon kijken en Beminde ongelovigen. Haar boeken kregen talrijke prijzen en werden herhaaldelijk vertaald. Haar roman Vallen werd in verfilmd door Hans Herbots. De roos en het zwijn.

Het was schemerdonker, en wat opviel waren de walmende fakkels van ricinushout die de ruiters droegen, waardoor hun gezicht er grimmig en hun wapenuitrusting er vervaarlijk uitzagen.

Ter hoogte van het huis van Orlinde hielden ze stil. Ze bleven een ogenblik staan beraadslagen en wezen naar het raampje van waaruit Orlinde ongetwijfeld stond te kijken. Op een teken van de eerste ruiter gaven ze hun paard de sporen en kwamen in galop in mijn richting. Het schrille geschreeuw en het licht van de fakkels deden de koe schrikachtig trappelen en met haar poten slaan, en in een snelle reflex schoof ik de halfvolle emmer melk achteruit.

Ik liep naar het pad om te zien wat er gebeurde. Ze waren opvallend zwaar bewapend. De eerste die mijn aandacht trok herkende ik ogenblikkelijk aan zijn ronde, bijna aantrekkelijke gezicht waarop een vriendelijkheid lag die in tegenspraak was met de manier waarop hij op zijn paard zat, schreeuwde en er nors probeerde uit te zien.

Het was de man die me ooit onder bedreiging met een scherp mes het bos in gesleurd had en gezegd had dat hij gekomen was om heel diep in me te gaan. Over zijn linkeroog droeg hij een donkere lap. Door wat er toen gebeurd was, had ik het gevoel dat ik elk onderdeel van zijn lichaam en elk aspect van zijn karakter kende. Hij was de jongste en de kleinste van het gezelschap, maar duidelijk de gevaarlijkste.

De Engelse schrijver Nicholas Evans werd geboren op 26 juli in Bromsgrove. Zie ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli Their breath made clouds of the chill air and their boots crunched on the congealed gravel of the motel parking lot.

The old station wagon was the only car there, its roof and hood veneered with a dim refracting frost. The boy fixed their skis to the roof while his father stowed their packs then walked around to remove the newspaper pinned by the wipers to the windshield.

It was stiff with ice and crackled in his hands as he balled it. Before they climbed into the car they lingered a moment, just stood there listening to the silence and gazing west at the mountains silhouetted by stars. The little town had yet to wake and they drove quietly north along Main Street , past the courthouse and the gas station and the old movie theater, through pale pools of light cast by the street lamps, the car's reflection gliding the darkened windows of the stores.

And the sole witness to their leaving was a grizzled dog who stood watch at the edge of town, its head lowered, its eyes ghost-green in the headlights. It was the last day of March and a vestige of plowed snow lay gray along the highway's edge. Heading west across the plains the previous afternoon, there had been a first whisper of green among the bleached grass.

Before sunset they had strolled out from the motel along a dirt road and heard a meadowlark whistling as if winter had gone for good. But beyond the rolling ranch land, the Rocky Mountain Front, a wall of ancient limestone a hundred miles long, was still encrusted with white and the boy's father said they would surely still find good spring snow. De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren op 26 juli In a dentist's operating room on a fine August morning in Not the usual tiny xml: The operating chair, with a gas pump and cylinder beside it, is half way between the centre of the room and one of the corners.

If you look into the room through the window which lights it, you will see the fireplace in the middle of the wall opposite you, with the door beside it to your left; an M. Near this bench stands a slender machine like a whip provided with a stand, a pedal, and an exaggerated winch. Recognising this as a dental drill, you shudder and look away to your left, where you can see another window, underneath which stands a writing table, with a blotter and a diary on it, and a chair.

Next the writing table, towards the door, is a leather covered sofa. The opposite wall, close on your right, is occupied mostly by a bookcase. The operating chair is under your nose, facing you, with the cabinet of instruments handy to it on your left. You observe that the professional furniture and apparatus are new, and that the wall paper, designed, with the taste of an undertaker, in festoons and urns, the carpet with its symmetrical plans of rich, cabbagy nosegays, the glass gasalier with lustres; the ornamental gilt rimmed blue candlesticks on the ends of the mantelshelf, also glass-draped with lustres, and the ormolu clock under a glass-cover in the middle between them, its uselessness emphasized by a cheap American clock disrespectfully placed beside it and now indicating 12 o'clock noon, all combine with the black marble which gives the fireplace the air of a miniature family vault, to suggest early Victorian commercial respectability, belief in money, Bible fetichism, fear of hell always at war with fear of poverty, instinctive horror of the passionate character of art, love and Roman Catholic religion, and all the first fruits of plutocracy in the early generations of the industrial revolution.

De Franse dichter en essayist Claude Esteban werd geboren op 26 juli in Parijs. Zie en ook mijn blog van 26 juli en ook mijn blog van 26 juli La mort à distance. Sans même nous concerter, nous obéissions à un rituel immuable.

Nous le reconnaissions de loin, dominant de toute sa masse l'entrelacs tortueux des pins, et nous marchions vers lui, soudain silencieux, délivrés du bruit du monde. La jeune femme s'approchait la première, elle souriait un peu, s'assurait que personne ne risquait de la surprendre, puis très vite, elle étreignait l'arbre de tout son corps, les bras ouverts en serrant le tronc énorme, la tête contre l'écorce, les yeux clos.

Je faisais mine de m'impatienter, je me moquais dou­cement de cette étrange façon de saluer notre ami, de le séduire, mais quand elle se retournait, je lisais dans son regard le bon­heur qu'elle venait de vivre. Elle avait entendu, me disait-elle, battre le coeur de l'arbre, elle avait senti sous ses doigts la sève lente qui montait, qui lui communiquait de sa force. La jeune femme rayonnait, elle voulait que je suive son exemple, et moi, si pudibond, je m'enhardissais, et j'effleurais d'une main furtive cette monstrueuse patte posée là pour toujours sur la pelouse.

C'était un soir, c'était un matin, et depuis tant d'années. Pour­quoi a-t-il fallu qu'une tempête s'interpose entre l'arbre et nous, que la foudre le blesse, que se réveillent les mauvais démons? Nous n'avons pas cédé, l'arbre est intact dans notre mémoire. C'est à nous, maintenant, qu'il appartient de veiller sur lui, de l'enraciner dans ce temps que nous inventons ensemble.

De Franse schrijver André Maurois eig. Emile Salomon Wilhelm Herzog werd geboren op 26 juli in Elbeuf. Gide Vertaald door Carl Morse. This recit contains the essence of the "tidings" of Les Nourritures. First a negative doctrine: Gide himself suffered so much from "snug homes" that he harped on its dangers all his life. Then a positive doctrine: Love is dangerous, but that is yet another reason for loving, even if it means risking one's happiness, especially if it means losing one's happiness.

For happiness makes man less. With his good hand Rhayader spread on of its immense white pinions. The end was beautifully tipped with black. Rhayader looked and marvelled, and said: What — what is it, sir? But how in all heaven came it here? Her deep violet eyes, shining out of the dirt on her thin face, were fixed with concern on the injured bird.

Come, you shall help me. Her leg is broken, and the wing tip! See, we will clip her primaries, so that we can bandage it, but in the spring the feathers will grow and she will be able to fly again. Hills of silver plate,. Rosenau , Siebenbürgen ofwel Transsylvanië, Roemenië. Wenn die Adler kommen. Doch das ist freie Erfindung des Dubliners. Denn der einzige Mächtige dieser Landstriche, dessen Namen je mit dem Teufel - mit "dracul" wie dieser im Rumänischen heißt - in Verbindung zu bringen ist, war Vlald der Pfähler.

Von bis Herrscher der Walachei in der Donautiefebene, hielt er sich nachweislich niemals in den Ostkarpaten auf. Hingegen tat er es in den Südkarpaten, eben auf Schloss Törzburg, wo er mit seinem Gefolge inmitten bei lebendigem Leibe auf Pfähle gespießten schwangerer Frauen und Kinder zechte und so zu einer der fragwürdigsten Kultfiguren des westeuropäischen Literaturpublikums wurde.

Bram Stoker gehört damit zu jenen Landfremden, die bis in unsere Tage herauf mit schludrigen Nachforschungen Durcheinander in das Bild bringen, das die Welt draußen von diesem Siebenbürgen hat. Hätte sich sonst denn die geschiedene Helena an den Sommerabenden auf dem nahe am Königstein gelegenen Schloss so köstlich amüsiert? De Indonesische dichter Chairil Anwar werd geboren op 26 juli in Medan.

The Seized and the Severed. I put my room in order, and myself as well, in the chance that you might come. De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren in Hij studeerde natuurkunde en wiskunde in Aken. Hij promoveerde in de theoretische natuurkunde aan het Max-Planck-Institut in Potsdam. Breidenich publiceerde in tijdschriften o.

Krautgarten, Poetenladen Magazin , lauter niemand, außer. Hij woont en werkt in M ü nchen. Ko k o n Von Glück sagen konnten wir nur. Dass es morgens war. An Lamellen vorüber die Hinterhofsonne. In Vogel- nestern und Weinblattmauern. Ein Hängen an Steppdeckengrün. Matratzen mit weichen Kernen befüllt. Waren Drachenbaum liebende Palmwedel- hüter. In Bettlakenhöhlen zu Haus. Zie ook mijn blog van 25 juli Zie ook mijn blog van 25 juli en ook mijn blog van 25 juli Sein Haus war höher als die meisten in Downshire Hill.

Es hatte drei Stockwerke, die meisten andern nur zwei. Es war aber schmal wie die andern alle. In jedem Stock waren höchstens ein oder zwei Zimmer. Sie waren von Menschen erfüllt, die tranken und tanzten. Sie standen mit den Gläsern in der Hand da, wie es hier Sitte war, aber mit ausdrucksvollen Gesichtern, was hier gegen die Sitte ging.

Es waren manche junge Offiziere in Uniform darunter, lebhaft, ja beinah lebenslustig, von lauten Sätzen überquellend, die man gehört hätte, wenn sie in der Musik nicht untergegangen wären. Die Tanzenden, besonders die Frauen, hatten etwas Aufgerissenes und genossen ihre Bewegungen wie die des Partners. Die Atmosphäre war dicht und heiß, und niemand kümmerte sich darum, daß man Bomben-Einschläge hörte, eine furchtlose und dabei sehr lebendige Gesellschaft.

Ich hatte im obersten Stock begonnen, ich traute kaum meinen Augen und ich ging in den zweiten hinunter und traute ihnen noch weniger. Jeder Raum schien feuriger als der, in dem man sich vorher umgetan hatte. In den tieferen Räumen sonderte man sich etwas mehr ab, Pärchen saßen und hielten einander umarmt, die Musik durchdrang uns heiß von oben bis unten, man gab sich mit Umarmungen und Küssen zufrieden, nichts wirkte lasziv, im Basement, wie man hier das Untergeschoß nannte, geschah das Erstaunlichste.

Die Türe nach außen wurde aufgerissen, Männer in Feuerwehrhelmen griffen nach Kübeln mit Sand, die sie im Schweiß ihres Angesichts in größter Geschwindigkeit hinaustrugen.

Sie achteten auf nichts, das sie im Raum vor sich sahen, in ihrer Eile, die brennenden Häuser in der Nachbarschaft zu schützen, griffen sie wie blind nach den sandgefüllten Kübeln. De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli in Würzburg. Das Heu liegt tot am Wege. Die Luft ist voll Kommen und Gehen. In zijn geboortestad studeerde hij ook algemene en vergelijkende literatuurwetenschap. Tasevski — Eternijan werkt in de Nationale Universiteitsbibliotheek.

Behalve gedichten schrijft hij ook kritieken en is hij als vertaler werkzaam. HERE WE ARE We crumble the night on a golden plate and spatter the milky rhythm of the spirit Shall we find it Shall we remove the root The moon peers at us The sticky strands tie our frail arteries in a knot Bitter are the shadows of the barbarian key when the sieve that bears us decays This dark onrush will not settle in our nucleus We rage! Vertaald door Marija Girevska. De Duitse schrijfster Annette Pehnt werd geboren op 25 juli in Keulen.

Zie ook mijn blog van 25 juli   en ook mijn blog van 25 juli Die Inseln damals und heute. Das Heute war lange her, auf den neueren Inselfotos hatten die Autos noch gerundete Kühlerhauben, und Eselskarren verstopften die schlammigen Dorfstraßen, aber vielleicht ist es ja dort immer noch so, dachte ich, blätterte zurück und kam zu den älteren Aufnahmen, bräunlichen, leicht verwischten Bildern, auf denen sich Leute mit strengen Mienen zu ordentlichen Grüppchen aufgestellt hatten.

Manche hielten feuchte Fische in die Kamera, andere hatten Ziegen oder Schafe neben sich in die Reihe gezerrt und legten ihre Hände besitzergreifend auf Tierhälse und Hörner. Einer hielt eine Art sperrigen Dudelsack mit krummen Pfeifen unter dem Ellbogen. Die Kinder waren glattgebürstet und hatten eckige Köpfe. Ich wendete langsam die Seiten um, nicht ganz bei der Sache, weil gerade die Klimaanlage der Schule anfing zu brausen, wie immer um Viertel nach vier, als mich von einer halb herausgelösten Seite ein Kind direkt anschaute.

Es hatte weit aufgerissene Augen, Grübchen in den Backen, obwohl es nicht lächelte, und geradegewachsene Augenbrauen, die sich über seiner Nase trafen, noch nie hatte ich bei einem Kind solche Augenbrauen gesehen. Die Augen schaute ich mir genauer an, beugte mich dicht über das wolkige Papier, bis sich der beharrliche, versunkene Blick auflöste in Kratzer und Punkte.

So will ich auch aussehen, dachte ich und zog meine Augenbrauen zusammen, aber sie berührten sich nicht. Der macht, was er will. De Nederlandse journalist en schrijver Sytze van der Zee werd geboren op 25 juli in Hilversum. We mogen volgens ons angstige moeder geen slapende honden wakker maken en dus moet de indruk gewekt worden gewekt alsof Potgieterlaan 7 niet meer bewoond is.

Slechts het hatelijke plakkaat op het voorkamerraam ontbreekt. Buiten spelen doen we al helemaal niet meer. We leven, hokken met ons vieren wekenlang in de keuken, op een gerafelde, mossige mat van drie bij drie meter, tussen het aanrecht en de keukentafel, waaraan we eten en spelen. Heel vaak moeten Henri en ik met een aluminium pan zonder handvatten, die zijn afgebroken, naar Ons Gebouw aan de Havenstraat, naar de gaarkeuken.

We hoeven er niet meer in de rij te staan, zoals in de laatste weken van de oorlog. Wie nu nog naar de gaarkeuken komt, is arm en verdacht. Normale mensen koken, zo goed en zo kwaad als het gaat, hun eigen potje. De Duitse dominee en dichter Albert Knapp werd geboren op 25 juli in Tübingen.

Aber du lebst und bist Alles in allen: Siehe mein Los, es ist Lieblich gefallen. Jesus, ich lebe dir, Bis ich dir sterbe; Rufst du von hinnen mir, Bin ich dein Erbe. Lichtbäumchen, Spielzeug, bunte Massen. Das Kind blieb traumverloren stehn.

Aufseufzt die Brust, die leidgepresste, Die Wimpern sinken tränenschwer. Ein freudlos Kind am Weihnachtsfeste- Ich weiß kein Leid, das tiefer wär. Das Schönste hat sie längst, das Beste, Ihr Herz ist satt und wünscht nichts mehr.

Das ärmste von euch beiden Bist du, du armes reiches Kind. De Duitse dichteres en schrijfster Angela Kreuz werd geboren   in Ingolstadt in Zij studeerde filosofie en psychologie in Dresden en Konstanz. Werk van haar verscheen in literaire tijdschriften en bloemlezingen. Zij schrijft gedichten, verhalen, short stories en romans. Zij debuteerde in met Der Engländer und weitere kurzgefasste Geschichten. In verscheen lyrische städtereisen, in haar debuutroman Warunee. Scattery Island , Monastery of St.

Längst hat die Klosterruine ihr Dach verworfen,. Mauersteine von ockerbraunen Flechten überzogen -. Schwalben umschwirren das Abbey,. Zie ook mijn blog van 24 juli en ook mijn blog van 24 juli Ik Claudius Vertaald door Lodewijck W. Dit is beslist niet mijn eerste boek.

Integendeel; literatuur, en in het bijzonder de geschiedschrijving — die ik hier in Rome als jongeman onder de beste hedendaagse meesters heb gestudeerd — vormde tot aan het moment van de verandering gedurende meer dan vijfendertig jaar mijn enige professie.

Mijn lezers hoeven zich dan ook niet te verbazen over mijn breedvoerige stijl: In dit werk, dat zweer ik bij alle goden, ben ik mijn eigen secretaris en mijn eigen biograaf: Ik kan hier overigens nog aan toevoegen dat dit niet de eerste levensgeschiedenis is die ik op schrift stel. Ik heb er al eerder een gemaakt, in acht delen, als een bijdrage aan het stadsarchief. Het was een saai boekwerk en uitsluitend geschreven om te voldoen aan verzoeken uit het volk.

Zelf hecht ik er weinig waarde aan. Om eerlijk te zijn, was ik tijdens het schrijven ervan, twee jaar geleden, erg druk met andere zaken. De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw Adwaita werd   geboren op 24 juli in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli en ook mijn blog van 24 juli en ook mijn blog van 24 juli Wit hing en stil Wit hing en stil de dauw over de weiden.

Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,. En op die heuvel, op die bank van ons,. Boven de dauw, zaten we als op een eiland;. Leek stilte; en de stilte was als dons. Boven de wereld zaten we; en we schrokken,. Als om ons in besliste vaart een tor. Een kromme draad trok van donker gesnor,. Wegbuigend in dempende nevelvlokken. Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,. En deed mijn handen en mijn lippen branden.

Op jou, die ik het diepst heb liefgehad. En één ding weet ik: Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,. MIJ staat te wachten in onwerelds licht. Het hele perk was vol: De paarsen leken ernstige oude heertjes,. De bruinen glanzend-moll'ge, goed'ge beertjes,. De gelen pluimen van een goudfazant;. En massa's witten stonden om de rand,. Zo wit als vlinders of als duivenveertjes,.

Net roomse kindertjes in Pinksterkleertjes,. Die om iets heiligs heen staan, hand in hand. Verwilderd is 't, deels plat, deels uitgeschoten,.

Zodat ik - 'k zie ze nog - die mooie groten. In de verschrompelden nauw'lijks herken;. Maar even lang als toen sta ik te kijken: Ze deden goed hun best; 't mag nu niet lijken,.

Alsof 'k voor 't vroeger moois ondankbaar ben. De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli inTokyo. Zie ook mijn blog van 24 juli   en ook mijn blog van 24 juli Kitchen Vertaald door Megan Backus. Three days after the funeral I was still in a daze. Steeped in a sadness so great I could barely cry, shuffling softly in gentle drowsiness, I pulled my futon into the deathly silent, gleaming kitchen.

Wrapped in a blanket, like Linus, I slept. The hum of the refrigerator kept me from thinking of my loneliness. There, the long night came on in perfect peace, and morning came.

I just wanted to sleep under the stars. I wanted to wake up in the morning light. Aside from that, I just drifted, listless. I couldn't exist like that.

I thought of the money my grandmother had left me-just enough. The place was too big, too expensive, for one person. I had to look for another apartment. There was no way around it.

I thumbed through the listings, but when I saw so many places all the same lined up like that, it made my head swim. Moving takes a lot of time and trouble. I had no strength; my joints ached from sleeping in the kitchen day and night. When I realized how much effort moving would require-I'd have to pull myself together and go look at places. Get a phone installed-I lay around instead, sleeping, in despair. It was then that a miracle, a godsend, came calling one afternoon.

I remember it well. Suddenly the doorbell rang. It was a somewhat cloudy spring afternoon. I was intently involved in tying up old magazines with string while glancing at the apartment listings with half an eye but no interest, wondering how I was going to move.

Flustered, looking like I'd just gotten out of bed, I ran out and without thinking undid the latch and opened the door. Thank god it wasn't a robber. There stood Yuichi Tanabe.

He was a nice young man, a year younger than me, who had helped out a lot at the funeral. I think he'd said he went to the same university I did. I was taking time off. De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli in Jena.

Na haar gymnasiumopleiding werkte zij als freelance journaliste. Tegenwoordig woont zij als zelfstandig schrijfster in Berlijn. Zij schrijft voornamelijk historische romans, zoals bijvoorbeeld over Paracelsus, Johannes Kepler en Michelangelo. In der Mühle des Teufels. Aber der lange Tag mit dem Streit, dem Hunger, dem Gestank, dem Durst, der Ungewißheit, ob die im Schloß ausbrechen würden, hatte sie müde gemacht.

Die meisten von ihnen waren Bauern, sie waren eine strenge Tagesregel gewohnt. Jetzt, da sie keinen schnellen Erfolg sahen, wünschten sie, sie wären zu Hause. Der Befehl, einen Graben auszuheben, erschien ihnen sinnlos. Wer nicht lesen konnte, dem wurde vorgelesen: Mai das Gebiet von Schloß Frankenburg im Umkreis von zwanzig Meilen nicht verlassen hat, wird erschossen.

Geht unverzüglich nach Hause! Wer einen Rädelsführer angibt oder ausliefert, kann belohnt werden. Wer glaubt, irgendeine Beschwerde zu haben, kann sie beim Statthalter mündlich oder schriftlich einbringen.

Es wird nach Möglichkeit Abhilfe geschaffen. Wer mit einer Waffe außer Haus angetroffen wird, wird erschossen. Sein Besitz wird eingezogen. Gezeichnet Graf Adam von Herbersdorff, Statthalter.

Sie erklärten, wenn der Feind schon so eine drohende Sprache führe, dann müsse er sehr unsicher sein. Es war weniger die Angst, die ihren Abzug veranlaßte, als die Unzufriedenheit über die ergebnislose Belagerung, die sie, die Bauern, mehr anstrengte und plagte als die Herren Kommissäre im Schlosse. Und auch ihre Uneinigkeit war zu groß. Sie gingen nach Hause in ihre Dörfer. Es heißt, er reitet auf Frankenburg zu, so geh ich ihm entgegen. De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli Tanizaki kwam uit een welgestelde familie van zakenlieden uit het stadsdeel Nihonbashi in Tokio.

Zijn vader was eigenaar van een drukkerij die door zijn grootvader was opgericht. In zijn Yosho jidai "Kinderjaren", schrijft Tanizaki dat hij een zorgeloze jeugd heeft gehad. Tanizaki studeerde literatuur aan de Keizerlijke Universiteit van Tokio, maar moest in zijn studie staken bij gebrek aan geld. Tanizaki's literaire carrière begon in Hij schreef een toneelstuk in één bedrijf dat werd gepubliceerd in een literair tijdschrift dat hij zelf had helpen oprichten.

Hij liet zich in deze periode inspireren door het Westen en modernismen. In verhuisde hij zelfs naar Yokohama, waar een grote groep buitenlanders woonde, woonde korte tijd in een huis in Westerse stijl en leefde als een bohemien.

Tanizaki werd bekend met de publicatie van zijn korte verhaal Shisei "De tatoeëerder", In dit verhaal zet de tatoeëerder een reusachtige "prostitueespin" op het lichaam van een mooie jonge vrouw.

Daarna krijgt de schoonheid van de vrouw een demonische macht waarbij erotiek wordt gecombineerd met sadomasochisme. Het thema van de femme fatale komt vaker voor in de eerdere werken van Tanizaki, zoals Shonen "De kinderen", , Himitsu "Het geheim," en Akuma "Duivel", Tanizaki's andere werk uit de Taishōperiode zijn onder andere de deels biografische werken Shindo and Oni no men Tanizak is nog steeds een van de populairste literaire schrijvers in Japan. Makioka Sisters Vertaald door Edward G.

Seeing in the mirror that Taeko had come up behind her, Sachiko stopped powdering her back and held out the puff to her sister. Her eyes were still on the mirror, appraising the face as if it belonged to someone else. The long under-kimono, pulled high at the throat, stood out stiffly behind to reveal her back and shoulders.

Both sisters spoke in the quiet, unhurried Osaka dialect. Taeko was the youngest in the family, and in Osaka the youngest girl is always "Koi-san," "small daughter.

They could hear the piano downstairs. Yukiko had finished dressing early, and young Etsuko always wanted someone beside her when she practiced. She never objected when her mother went out, provided that Yukiko was left to keep her company.

Today, with her mother and Yukiko and Taeko all dressing to go out, she was rebellious. She very grudgingly gave her permission when they promised that Yukiko at least would start back as soon as the concert was over--it began at two--and would be with Etsuko for dinner. The bright puff moved from Sachiko's neck down over her back and shoulders.

Sachiko was by no means round-shouldered, and yet the rich, swelling flesh of the neck and back somehow gave a suggestion of a stoop. The warm glow of the skin in the clear autumn sunlight made it hard to believe that she was in her thirties. Chemical Industries, Itani says. De Engelse schrijver E. Benson werd geboren in Berkshire op 24 juli Hij was het vijfde kind van de rector van Wellington College.

Hij schreefd meer dan negentig boeken. Quantock, in fact, who, like everybody else at Riseholme, had sent a neat little note of condolence to Mrs. Lucas, had, without using the actual words "happy release," certainly implied it or its close equivalent. She was hoping that there would be a reply to it, for though she had said in her note that her dear Lucia mustn't dream of answering it, that was a mere figure of speech, and she had instructed her parlour-maid who took it across to 'The Hurst' immediately after lunch to say that she didn't know if there was an answer, and would wait to see, for Mrs.

Lucas might perhaps give a little hint ever so vaguely about what the expectations were concerning which everybody was dying to get information. While she waited for this, Daisy Quantock was busy, like everybody else in the village on this beautiful afternoon of spring, with her garden, hacking about with a small but destructive fork in her flower-beds.

She was a gardener of the ruthless type, and went for any small green thing that incautiously showed a timid spike above the earth, suspecting it of being a weed. She had had a slight difference with the professional gardener who had hitherto worked for her on three afternoons during the week, and had told him that his services were no longer required.

Nous venons, seigneur, vers votre royale majesté, de la part de ce peuple orphelin, vous crier grâce et merci! Au nom de la Passion , que Notre-Seigneur Jésus-Christ a soufferte sur la croix pour le genre humain, ayez pitié de ce malheureux peuple ; daignez le secourir, l'encourager, l'arracher à la douleur et à l'esclavage auxquels il est réduit. Et vous le devez le faire, seigneur, par trois raisons: Or, la Sicile est veuve par la perte qu'elle a faite d'un aussi bon seigneur que le roi Manfred ; or, les peuples sont orphelins parce qu'ils n'ont ni père ni mère qui les puissent défendre, si Dieu, vous et les vôtres, ne venez à leur aide.

Ainsi donc, saint seigneur, ayez pitié de nous, et venez prendre possession d'un royaume qui vous appartient à vous et à vos enfants, et, tout ainsi que Dieu a protégé Israël en lui envoyant Moïse, venez de la part de Dieu tirer ce pauvre peuple des mains du plus cruel Pharaon qui ait jamais existé ; car, nous vous le disons, seigneur, il n'est pas de maîtres plus cruels que ces Français pour les pauvres gens qui ont le malheur de tomber en leur pouvoir.

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff eig. Elizabeth Bekker werd geboren in Vlissingen op 24 juli Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Ge-eerde heer, zeer ge-achte voogd! Dat was een blyde Postdag voor my.

Een Brief van myn geëerden Voogd. Waarlyk, ik heb geschreid, ziende hoe veel belang gy in my naamt: Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan.

Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? Ik ben niet alleen de slavin van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.

De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw van een fatsoen-. Eene myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook. Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat berispelyk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary wil verlagen, eene ondeugd, die allerasschuwlykst voor my is; en waar aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.

Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: Laat my toe, dit nogmaal te zeggen. Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek!

Ik zing al in voorraad. Wat zal die fraai zyn; Mooglyk is er wel van Rousseau's Compositie by? Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag, en ik heb zulke mooije Cantata's.

Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het Pakje aan Tantes huis niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur: Was fällt Ihnen spontan ein, wenn Sie an Ihre Großmutter denken? Sie konnte ungeheuer zärtlich, liebevoll und großzügig sein, aber auch schroff, dominant und ungeduldig.

Teilen Sie diese Meinung? Vrouwen en homoseksuele mannen consumeren graag porno waarin iemand wordt gedomineerd. De 'royal family' verzamelde zich vandaag op het balkon van Buckingham Palace. Voor Meghan Markle de eerste keer, maar de koninklijke kinderen - die zich niet aan de keurige regels houden - stelen de show.

Een parachutist is zaterdagmiddag zwaargewond geraakt na een mislukte landing bij vliegveld Teuge bij Apeldoorn. Het is niet altijd makkelijk om een relatie te beginnen met iemand die al kinderen heeft. Ester, Marianne en Marieke vertellen hoe zij hun samengestelde gezin laten werken. Iedereen met een béétje corazon voor Spanje heeft vast niet gemist dat wij onlangs twee vriendinnen zochten om Valencia te testen voor LINDA. Wendy 29 en Angela 29 waren de gelukkigen. Onderzoekers bekijken of het mogelijk is om met een bloedtest het risico op een vroeggeboorte te voorspellen.

Dit zou de toekomst van de prenatale zorg zeer veranderen. Bij het afscheid van zus Inés gisteren, hebben koningin Máxima en haar familie verschillende popnummers gezongen. Dit werd ook gedaan bij de begrafenis van haar vader Jorge Zorreguieta in augustus Ginger dacht een mooie auto voor haar bruiloft te kunnen lenen, tot ze een mail kreeg van de auto-eigenaar. Die wil de auto niet meer uitlenen om een opvallende reden: Ginger gaat trouwen met een vrouw.

De Taliban hebben vandaag in Afghanistan een driedaags staakt-het-vuren afgekondigd voor volgend weekend. Dan is het Suikerfeest waarop het einde van de vastenmaand ramadan wordt gevierd. Het was al eerder bekend dat er spin-offs van 'Game of Thrones' in aantocht waren, maar nu heeft HBO dan ook echt een eerste proefaflevering besteld. Tien meter verder stonden we voor een rood stoplicht en dus keken we nog een keer om.

Die man stond naar ons te zwaaien met een gebaar van 'kom, kom'. Toen het groen was, reden we zo snel mogelijk door. Het bleek dat wij niet de enige waren die het gezien hadden want een vrouw naast ons stopte midden op de weg en zei 'bel de politie'.

Thuis vertelden we het aan de vader van mijn vriendin. Hij ging meteen op de fiets kijken of die man er nog was maar hij reed al weg in een blauwe auto. Er kwam toevallig een politieauto langs gereden. We hebben een melding gemaakt en op Facebook een waarschuwing geplaatst.

Minder aangiftes tegen 'rennende rukkers'. Toen ik achter hem langs liep, zag ik dat hij heftig rukkend met een glimlach op zijn gezicht mij zat aan te kijken… Ik was net wakker en normaal ben ik assertief genoeg, maar ik kon even niets uitbrengen. In verwarring vervolgde ik mijn weg. Ik heb er dus niets aan gedaan.

In een park stond hij opeens voor me.

Karri Carrara  
Lawanda Carman