Gay massage apeldoorn sex in de manege

gay massage apeldoorn sex in de manege

..

Sex in venlo gratis mobiele



gay massage apeldoorn sex in de manege

..

Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek. Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden. Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen. Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus vanuit het hotel geschreven heeft: I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days.

From yours truly, Louis Satchmo Armstrong. We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan. Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen. Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water. Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen.

Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad. Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond.

Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen. Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen. Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden.

De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken. Takel het raam omhoog. Vergrendel het raam met de ketting. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen. Wij ook toen ons moment gekomen was. Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen.

Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd.

Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen. Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje. Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben. En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde.

En die ging in de pils. Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken.

Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje. Ook lekker, meen ik me te herinneren. Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever.

Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen. Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk. De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij.

Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde.

Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven. In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek.

Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan.

Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had. Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd. Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg. Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben.

Kwam ze thuis en vroeg ze: Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten. Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens. Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken. Een stuitend tafereel, vond ik.

Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens. Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op.

Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop. Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken. De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat. Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën.

Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten. Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb.

Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link.

Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving.

Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen.

Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht. Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers. Want hij had nogal eens last van wanbetalers. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman.

Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van.

Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden. Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven. Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen.

Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip. In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks. Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan. Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets. Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug. Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was.

Ik meldde me dus bij de balie. Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen. Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij.

Ik denk daar nog vaak aan. Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg. Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb. Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt.

Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat. En daar lezen we: Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste.

Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan. Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen.

Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt. Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal.

Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller. We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg?

Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen. Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde. Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet.

Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had. Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan.

Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen. Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op.

Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was. Het was een plezierig wandelingetje naar bus Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren.

Bleek dat er in de De Genestetstraat een geboortecentrum was neergestreken. Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen. Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen.

Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot? Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien. Inmiddels ben ik er achter. Middelbare school in de buurt. Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit.

Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand. Uit meen ik. Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet. Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde.

Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren. Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen.

En daarna dus hup naar de dolle begijnen. Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis. Haar dichtbundels die allemaal van voor zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag. Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur.

De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor. Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd. Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien.

Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf. Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland. Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat.

Als het goed is, is de bal nog ergens. Als we zitten en een andere besteld hebben, wijst mijn geliefde me op de telefoon aan de muur achter ons.

Het is een ouderwetse cafételefoon. Je kon er mee bellen, maar niet gebeld worden. Zou hij het nog doen? Toen onze kleindochter een jaar of drie was, waren er nog telefooncellen in de stad. Als ze op de Elandsgracht de cel tegenover het hoofdbureau van politie in de ­gaten kreeg, moest ze altijd nodig met oma in Parijs bellen.

Wat na het inwerpen van de denkbeeldige muntjes altijd prima lukte. Na haar gesprek liepen we de Oude Kinkerbrug over de Singelgracht op waar we inmiddels verzamelde takken in het water gooiden om te kijken of ze aan de andere kant van de brug weer tevoorschijn kwamen.

Tien jaar geleden ­alweer? Toen onze portie calamares zich bij het bier en de wijn had ­gevoegd, kwam er een zwarte poes op de bar zitten die de pose aannam van de zwarte poes op het beroemde affiche van cabaret Le Chat Noir. Op het Leidseplein reed de 5 net voor onze neus weg.

Een goede reden, leek ons, om een kijkje te nemen bij het opgefriste Américain. We gingen de heerlijke draaideur door, stapten het café binnen en werden prompt tot staan gebracht door een vrouw die er geen misverstand over liet bestaan dat we in het gedeelte waar je iets kon drinken, niets te drinken zouden krijgen.

Dat de bar open was, hebben we voor kennisgeving aan genomen. Weer thuis zette ik de televisie aan, en meteen weer uit, want daar had je hem weer, De Stem, de geheimzinnige stem die in televisieland de boel aan het overnemen is. Wij kijken altijd naar Het Journaal, maar dat is verleden tijd, want enkele weken geleden was daar plotseling De Stem.

De Stem komt erin als iemand iets zegt in een andere taal dan het Nederlands. Eerst was de stem er alleen in Het Journaal, maar inmiddels doet hij ook series. Helemaal in zijn eentje leest hij alle stemmen voor. Als je bij het Centraal Station uit de 24 stapt, of uit de 4 of de 26, maakt niet uit, en je loopt in de richting van de hoofdingang dan zie je in de uitbouw van de eerste toren een deur zo groot als een staldeur. Tot voor kort kon je hier vaak een groep Oost-Europese straatmuzikanten treffen die hem vooral op de klarinet stevig wisten te raken.

De mannen op de brug over de Zwanenburgwal naar het Waterlooplein speelden misschien beter, maar het Centraal Station Ensemble had meer pit. Beide groepen zijn verdwenen, de Peruviaanse panfluiters achterna, denk ik. Ik dacht meteen aan kroketten, maar toen ik dichterbij kwam, bleek het om een restauratiebedrijf te gaan. Er werd weer eens wat hersteld aan het station, een mens kijkt er van op.

Maar toen we de hoek om ­waren en door de enorme ruit die achter de staldeuren blijkt schuil te gaan naar binnen keken, bleef ik in stille verbazing staan. Wat ik zag was een prachtig houten plafond, dat was afgezet met vrolijke schilderijen van engeltjes of cherubijnen, het verschil is me nooit helemaal duidelijk geworden. Iets wat ik graag eens zien zou willen. Bij banketbakker Arnold Cornelis in de Van Baerlestraat stond om te proeven een lekkernij op de toonbank waarvan ik me de naam niet herinnerde, maar die ik herkende en waarvan ik me de smaak meende te herinneren.

Toen ik een hapje had genomen, wist ik dat ik me niet vergistte. Waar mijn moeder kaasvlinders kocht, weet ik niet meer, maar ze kocht ze op de zaterdagse expeditie die begon bij het Hammenhuis in de Sint ­Luciensteeg en die mijn vader en haar vervolgens naar een slager in de Jordaan voerde voor leverworst, naar een taartjeswinkel in de Maasstraat voor een bepaald soort droge gebakjes en dan nog ergens heen voor rauwe Gelderse.

De gedachte dat je bij een winkel meer dan een lekkernij zou kunnen kopen, hield mijn moeder voor ketterij. Die moesten door de velg gestoken worden en vastgeschroefd. De schemering is nog niet begonnen, maar er hangt een haast ­onzichtbare nevel ­boven de Zoutkeetsgracht die de schemering lijkt aan te kondigen.

De gracht ligt er prachtig bij, stil en onaangedaan, het IJ nabij maar veraf tegelijk. Achter een groot raam staat een vrouw iets aan de lade uit een ladenkast te poetsen. Haar werkplaats is in­gericht als een timmerbedrijf, maar ik denk dat ze zich meer met restauratie bezighoudt dan met timmeren. In haar vensterbank staat een houten vrachtwagentje, zo hartverscheurend mooi dat ik mijn neus tegen het venster druk als was ik Kruimeltje voor de etalage van de banketbakker.

Als de timmervrouw opkijkt, zwaai ik naar haar, waarop ze ­terugzwaait, mensen die ge-zwaaid worden, zwaaien altijd ­terug. Maar nee, dat weet ik niet. Aan de overkant van het water ligt een zeilschip, waarvan mast en fokkenstag met lichtjes zijn versierd. In de huizen branden kaarsendakjes en kerstbomen, in het donker is overal licht. We gaan ­onder het spoor door, steken de Haarlemmerstraat over en lopen richting Noordermarkt als we bij café Papeneiland langs een grote kerststal komen.

Jezus en Maria, os en ezel, de Wijzen uit het Oosten, het hele spul, achter glas, aan de Prinsengracht, met de Westertoren in de verte. Hoewel het dooide, was het spiegelglad op straat. Je kon het zien, want niemand liep ­gewoon door de bagger die even eerder nog sneeuw was geweest, iedereen tilde zijn voeten op. Ondanks de dooi was het koud.

Niet zo koud dat de stratenmakers hun werk mee naar huis namen, maar de verhuizer die op het ­Museumplein in zijn verhuis­wagen tussen de meubelen stond, liet weten dat hij met dit weer toch liever op het strand zat. Het Passage Kwartet in de passage onder het Rijks speelde, zoals gewoonlijk, de Lente van Vivaldi en behalve een accordeon klonk nu ook de schuiftrompet. In het Concertgebouw zouden ze deze bezetting ook eens moeten proberen. Achter de ruit die de hal van het museum toont, stonden vijftien kinderen met kwasten gewapend achter een schildersezel in een halve cirkel om een model heen, dat op een stoel op een ­verhoginkje zat.

Ze zag er uit als Jacoba van Beieren lustte geen ­eieren. Tussen de andere toeschouwers ontwaarde ik de man die zich indertijd bezig hield met het bestuderen van het bazenprobleem.

Wat wilde zeggen, dat hij in ieder café vroeg wie hier de baas was, waarna er in vele gevallen verschrikkelijke vechtpartijen losbarstten met vliegende barkrukken en veel brekend glaswerk. Een en ander uiteraard tot grote vreugde van de aanwezigen.

Nadat ik hem in café de Ster had voorgesteld aan Karel van het Reve, vroeg Karel mij wat hij deed. Waarop ik zei dat hij het bazen­probleem bestudeerde. Alies uit Roelofsarendsveen die het onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat, blijkt ­helemaal niet uit Roelofsarendveen te komen, maar uit Boekelo. Of was het Dwingeloo, daar wil ik van af wezen, maar in ieder geval vertelde ze mij hoe een week eerder een bejaard echtpaar zomaar twee fietsen die voor de winkelruit stonden omver had gelopen.

Ze stonden ernaar te kijken alsof ze bij Madame Tussauds stonden, echt van die museumpoetsers. Mooi woord hè, het schoot er zo maar uit. Dat heb ik wel vaker, dat ik ineens een nieuw woord verzin. En dat woord blijf ik dan gebruiken, want ik wil in de Dikke Van Dale.

Dat is het enige wat ik op mijn bucketlist heb staan. Hij deed iedere dag een bladzij. Bucketlijsten bestonden toen nog niet, maar de postbode wilde in Tel uit je winst van Theo Eerdmans, een quiz waar je duizend gulden winnen kon. Om de zaak te vergemakkelijken had hij de vragen die hem gesteld moesten worden, alsmede de antwoorden, alvast aan Eerdmans opgestuurd. De postbode kwam vaak op kicksen naar de kroeg, want dat was zijn tweede grote ambitie, profvoetballer worden bij Santos.

Maar dan moest hij wel trainen, vond Marie die hem daarom regelmatig veertig rondjes om het biljart liet rennen. Als ik mijn ogen sluit, hoor ik nog het geluid van zijn noppen op de granieten vloer. Tien dagen voor kerstmis kocht mijn moeder op de Bos en Lommer een piepklein kerstboompje dat ze thuis optuigde met echte kaarsje die iedere avond even branden mochten.

Echte kaarsjes was veel mooier, maar toch ging ik altijd naar de kerstboom van tante Corrie kijken met zijn gekleurde lichtjes, zijn engelenhaar en zijn kerstballen in alle kleuren. Bovendien brandde bij tante Corrie de kachel. Als ons boompje stond, gingen we naar de bloemenmarkt op het Singel voor de jaarlijkse kerstbomenmarkt.

Mijn ouders waren unaniem van mening dat de ­bomen daar veel te groot waren, maar dat ze mooi waren en heerlijk roken, daarover waren we het eens. Het ritueel duurde totdat ik ik liever de kerstbomenversiering in het café ging inspecteren, waarbij de versiering bij Emmelot op de hoek van Lange Niezel en Oudezijds Voor altijd als winnaar uit de bus kwam.

Piet had twee hele dagen nodig om de takken op te hangen, en weghalen was zoveel werk dat het vaak tot Pasen duurde. Op de bloemenmarkt verkopen ze houten tulpen en in cafés kom ik niet meer, om deze tijd van het jaar ga ik naar de binnentuin tussen de Roelof Hart en Gerard Terborgh. De helleborus staat in bloei, maar ik kom voor de grote magnolia en zijn knoppen die opzwellen aan de kale takken.

Terug op straat, zo ter hoogte van de kerstbomenverkoper op het plein, kwam me een vrouw tegemoet die een grote tak magnolia bij zich had en zo voorjaar en toekomst met zich mee voerde. Ik was het café al voorbij toen ik zachtjes neuriënd op mijn schreden terugkeerde en alsnog naar binnen ging. De jongeman en de jonge vrouw die achter de tap stonden, droegen ­allebei een hagelwit overhemd en aan de bar zat een piepklein meisje voorover op haar ellenbogen ­geleund.

Nadat ik een kruk had bezet, keek ik nog eens goed, maar het was inderdaad een meisje. Een jaar of 5 zo te zien. Ze had een tekenschrift binnen handbereik en naast haar stond een van roze ballonnen gevouwen hondje. Ik bestelde een jonkie, waarna de jongeman in het witte overhemd een kelkje voor me neerzette en dat vol schonk, maar zonder kop erop, zoals ik merkte toen ik me voorover boog om het de Roomse borrel behandeling te geven.

Zijn collega was inmiddels aan de bar gaan zitten met een kom erwtensoep die begeleid werd door twee plakken roggebrood met spek. Aardappelen lust ze niet, maar ze is gek op broccoli, bloemkool, boerenkool, dat soort dingen. Jij bent er wel vaker geweest, maar zij niet.

Mooie winkels verdwijnen sneller dan de koeien kalveren. Maar Vlieger zit er nog. Ik word duizelig van geluk als ik binnenkom. Al die laadjes met al dat ­papier met al die namen, awagami ogura, byakka kinsunago, grafica 2,95, ingres 1. En die heerlijke enveloppen in alle kleuren. Bij het trappetje naar de bovenverdieping waar ze in verf doen, bekijk ik de vitrine met lang geleden door Vlieger uitgegeven boeken en prenten, A is een aapje, De kleine wees, Het kat en muisspel, maar dan moet ik er vandoor.

Geen groter genoegen dan op de smalle stoep te staan terwijl de tram door de straat reed. In de tram was het ritje door de Bakkerstraat al even spectaculair, vooral als het ­moment kwam dat je bocht om ging, want dat kon eigenlijk niet, zodat het ­altijd leek of je zo de Amstel in zou duiken.

Uit een koffer verkocht hij kostuums aan boeren en buitenlui en daarbij deed hij het voorkomen dat er een pak bij was, dat hij eigenlijk niet verkopen wilde. Omdat het anders en beter was dan de andere pakken die hij in zijn koffer had, terwijl ze alle vier precies hetzelfde waren. In de oorlog waren zijn ouders ondergedoken, in Driebergen.

Ze werden verraden, maar ontsnapten uit het politiebureau. De rest van de oorlog zaten ze in een gat in de grond in een bos in de omgeving. Ik vraag me vaak af wie die verraders waren. Die hadden het, zoals we in de boeken van hun kinderen kunnen lezen, juist druk met het redden van ­Joden. Maar wie dan wel? Ik geloof niet dat ik ooit een interview heb gelezen met iemand die vertelt hoe in de oorlog bij de ­buren ondergedoken Joden heeft aangegeven.

Daarom hadden ze een primus, koffie en een doos suikerklontjes bij zich. Dat waren dan de suikerklontjes. Daar stonden drie biljarts.

Ik biljartte met een kinderkeu. Meneer de Laat gaf me een Heineken kistje. Anders kon ik er niet bij. Als Ajax verloor, werd het Hotel de Houten Lepel. Op het strand van Tel Aviv staan vier groen geverfde houten fietsen in vier maten. Het zijn geen echte fietsen, maar je kan er wel op fietsen.

Een eindje verderop stond een meisje met haar rug naar de hoge zee een selfie te maken. De golf die haar schoenen zouden overstromen, zag ze daarom niet aankomen.

Ze schrok, maar ze moest ook lachen. Sommige dingen zijn overal en altijd gelijk. Gisteren gingen we met de trein van Tel Aviv naar Akko. Zee en strand reisden mee. Geen mens te zien en af en toe wolken bougainville in vele kleuren. Ze waren geen dag ouder geworden.

Tijdens de officiële opening lazerde de directrice van het ­museum van een trapje, sprak Freddy Hollander die alles geregeld had mooie woorden en keek Eberhard van der Laan vanaf een foto toe. In mijn eigen toespraakje bleek ik zonder dat ik het in de gaten had van het Engels in het ­Nederlands te zijn verdwaald, maar de zaal leek dat niet te deren.

Terug in Tel Aviv reden we naar de markthal aan de haven waar we ons in het restaurant boven de kramen met aardappelen en uien aan lekker eten wijdden. Omdat ik op sjiek moest, moest ik naar Warenhuis het Wespennest voor een paar schoenen, een broek en een overhemd. Een jasje bleek ik gelukkig nog te hebben.

Toen we de ingang in het oog kregen met daarachter de kramen met glitterende vrouwen die in geuren doen, wilde ik ervantussen. Maar ik vermande me, drukte de holte van mijn hand als een kapje over neus en mond en haastte mij richting roltrap. De arm van de cosmetica reikt ver, maar de eerste verdieping hebben ze nog niet overgenomen dus daar kon ik weer ademhalen.

Een broek is meestal veel gedoe, maar de tweede broek was raak deze keer. Schoenen hadden ze niet in mijn maat, maar het overhemd was perfect. De verkoopster dropte ons bij de kassa, waar we onder helse muziek aansloten bij een rijtje.

Mijn geliefde was aan het afrekenen toen de caissière me vroeg of ze me ergens mee kon helpen. Ik zei dat ik al geholpen werd. U keek zo kwaad naar ­elkaar. De baleinen uit mijn vaders overhemden waren altijd kwijt, herinnerde ik me. Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest.

Opmerkelijk vaak is dat niet het geval. In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes. Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien.

Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen. Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen.

Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer. Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid. Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek. Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt.

Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt. Inmiddels waren het er meer dan duizend. Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven. Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste. Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood.

Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort. De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker. We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus. Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was.

Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij. Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn. De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren.

De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg. Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein. Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad.

In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis. Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij.

In het café stond de barkeeper glazen te spoelen. Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen. Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook. En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert.

Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk. Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster. Dat vond ze niet erg, want dat was ze zelf ook zei ze, hoewel ze niet vroeg waar ik heen ging.

Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen. De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad. De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren.

Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet. Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag. Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: Want ik wist wat er komen ging.

Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: Wij lekker eten op, ja?! Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden. Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen. In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: Why for you say no can. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin. Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren. Hij sprak een taal.

Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt. Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt. Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte.

Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden. Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort.

We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden. Maar Lonneke en Ietske en Ria, die aan de andere kant woonden, hadden daar maling aan. Die gingen naar de mulo of de huishoudschool en lieten hun haar millimeteren of verfden het rood. Aan sport hadden ze een broertje dood en ze lazen geen boeken, maar schilderden hun ogen op en maakten schilderijen.

Lonneke drukte regelmatig bij ons op de bel en als ik dan naar beneden was gekomen, bleef ze voor de deur rustig een uurtje met me staan kletsen. Toen ze bij de bloemenwinkel weg was, ging Lonneke trouwen en in Osdorp wonen. De laatste keer dat ik er was, was het er nog niet. Vrijwel ieder jaar fiets of wandel ik wel een keer naar het huis en denk dan aan de jonge Gerard Kornelis van het Reve die op zijn kamertje De Avonden zit te schrijven.

Tijd om weer een keer op bedevaart te gaan, maar eerst langs de Gerard Revebrug om te kijken of ie nu Gerard Revebrug heet. Het moest weer eens op een koopje, net als met de loopplank in Nieuw-West die ze naar Karel van het Reve hebben vernoemd. Bij Schilderskade 66, dat zich ­zoals iedereen weet op de hoek met Saffierstraat bevindt, stapte ik af en ging op zoek naar het ­gedenkteken. Ik keek omhoog, ik keek omlaag, ik ging de hoek om, de Saffierstraat in, maar nul komma niets, geen gedenkteken te bekennen.

En plotseling was daar de twijfel. Was het mogelijk, zou het kunnen, had ik al die jaren een bedevaart naar het verkeerde huis gemaakt?

Dat gedenkteken, dat blijkt er ook al veertien jaar te zitten. We zouden naar de film, maar nadat mijn geliefde de ­deprimerende samenvattingen had voorgelezen, besloten we lijn 1 te nemen. In de 1 wordt de stad steeds groter. Bij de halte Johan Huizingalaan al kon ik er niet over uit dat ik hier helemaal gewoond had.

Wat een ongehoord eind fietsen moet dat zijn geweest, en bij deze halte ben je nog niet eens halverwege geloof ik. We wilden naar het eindpunt, dat zich naar mijn beste weten aan de Sloterplas bevond, maar zich uiteindelijk op Matterhorn bleek te bevinden, bij de Alpen.

Toen we uitgestapt waren, was er ter plekke helemaal niets, zodat we de eerste 1 terugnamen, om nu uit te stappen bij Meer en Vaart. De Sloterplas lag er prachtig bij. De fontein spoot zijn waterstraal zo hoog als ie kon en de plas was als een donkere spiegel.

We staken over en liepen het winkelcentrum binnen. Prima winkelcentrum, ­alles bij de hand, van Etos tot Hema en fijn veel opticiens, precies zoals het hoort.

Maar bij het Osdorperplein raakte de fut eruit. Mijn aandacht werd getrokken door een snoepjesboeket. Prachtig, maar hoe heetten die snoepjes ook alweer? Nadat ik mijn vraag gesteld had, opende de vriendelijke verkoopster haar mond, maar geluid kwam er niet uit. Ze was haar stem kwijt, Daar stonden we dan, in Osdorp, bij Stam, en bijna Sinterklaas.

Het schemert in de Spiegelstraat. Het blauwe uur is net begonnen en de achterlichtjes van de fietsen vlammen in het halfduister. Bij iedere brug kijk ik de gracht af, over het rimpelende water, langs de bomen en de gevels.

Mooie schemering, fijne stad. Ter hoogte van Heuvel besluit ik er een te nemen. Lang geleden dat ik hier voor het laatst was. Peter Vos leefde nog, want met hem heb ik toen zitten praten. De jeugdige kastelein schenkt een borrel in. De andere klanten zitten aan het bier. Vanaf mijn barkruk zie ik aan de ene kant de feestverlichting in de Spiegelstraat en aan de andere de lichtjes in de bomen langs de Spiegelgracht.

Alle Amerikanen die hier zitten, gaan vergezeld van een Aziatische vriendin, Thais, Philippijns, Indonesisch. Wonderlijk, denk ik, maar zin me er verder in te verdiepen, heb ik niet.

Het jonkie smaakt weer goed vandaag, zo goed zelfs dat ik overweeg een opvolgertje te nemen. Gelukkig heb ik al betaald, dit om opstappen gemakkelijker te ­maken. De vier muzikanten zitten in de passage onder het Rijks, en het aardige is dat er een accordeon bij is. Het licht in de passage komt van de flitsende mobieltjes.

Weer buiten kijk ik over de vlakte van het Museumplein, waar ze ­alweer druk bezig zijn het nep-­ophaalbruggetje over de ijsbaan op te bouwen. Het is doodstil en door de stilte loop ik langs een kaarsrechte streep van witte tegels over het kaarsrechte pad dat het plein in tweeën deelt. Dat er op zaterdag niet warm gegeten werd, maar brood, een ­Amsterdamse gewoonte waarvan ik niet weet of die nog bestaat, was een van de dingen die de zaterdag tot de mooiste dag van de week maakte.

Op zaterdag ging de school om twaalf uur uit en het laatste uur werd er niet gewerkt, maar was er een wedstrijd hoofdrekenen of werd ons voorgelezen. Een saai verhaal vaak, maar dat maakte niet uit, want bij saaie verhalen kon je heerlijk wegdromen, wat bij een spannend verhaal een stuk moeilijker is. Dan kwam het heerlijke ogenblik van de bel. Twaalf uur en vrij, de hele dag nog voor je. Als mijn ­vader uit zijn werk kwam, stond mijn moeder hem voor de deur op te wachten en terwijl hij de laatste trap beklom, zei ze: Om een uur kwam de leesmap.

Heerlijk ogenblik dat je languit op je buik gelegen de nieuwe Robbedoes opensloeg om te kijken hoe het verder ging met Lucky Luke, de Baard en de Kale, Buck Danny en de cowboy van wie ik de naam vergeten ben. Soms bakte mijn moeder zelfgemaakte kroketten die een heerlijke geur verspreidden in huis.

En om acht uur hoefde ik niet naar bed, maar mocht ik ­samen met mijn vader en moeder naar de radio luisteren, naar De Veilingmeester en Cees de Lange met zijn koe en alles wat daarna kwam.

Omdat we iets te vieren hadden, zaten we in restaurant Amsterdam aan de haring, de oesters, de kroketjes, de krab en de kreeft en de Bourgueil. De drukte was als vanouds en de verhalen aan tafel mochten er zijn, zo zeer hadden we het naar onze zin dat we vast voor Kerstmis reserveerden. Dat niet, zei de vriendelijke serveerster, alles was eigenlijk hetzelfde, alleen veel drukker en met een heel grote kerstboom.

Neuriënd vertrok ik voor een plasje, waarvan ik zingend terugkeerde. Ik zong Marina, zoals Rocco Granata het zingt als hij het samen met Arno zingt, tenminste dat verbeeldde ik me. Zij zong Favourite Things, dat zong ze vaak, ook op straat, met als gevolg dat mensen haar vaak voor gek versleten. Waarin ik wel iets herkende.

Eenmaal voorbij de tochtdeuren keerden we terug naar onze tafeltjes. Maar toen zij vertrok kwam ze nog even buurten. Toen Fräulein Maria terugkwam van weggeweest en Favourite Things begon te zingen, je weet wel, keek ik de rij kinderen af, en verdomd, ik was de enige die zat te huilen. Toen we buiten kwamen, werd er een meisje doodgereden. Omdat ze op de stoep liep. Want op de stoep lopen, mochten we niet. Ik fietste langs het Sarphatipark toen me om de een of andere reden het Kronkelpad te binnen schoot.

Meteen wendde ik de steven en ging het richting Weteringschans. Ik had het pad op de kaart gezien en was benieuwd of het kronkelde. Het was niet gemakkelijk te vinden, maar uiteindelijk kreeg ik het in het vizier. Het ligt in het Weteringplantsoen langs de Singelgracht en kronkeltechnisch stelt het niet veel voor.

Eigenlijk is het vrijwel recht, zodat je je kunt afvragen waarom het Kronkelpad heet. En op dat moment zag ik het borstbeeld van Simon Carmiggelt staan. Mooi beeld, vooral Simons bril staat er prachtig op, maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat Carmiggelt hier vroeger woonde, aan het Eerste Weteringplantsoen, en dat hij daar zijn dagelijkse Kronkel schreef, en vandaar dus Kronkelpad, je moet er maar opkomen. Ik herinner me dat Tim Krabbé lang plannen heeft gesmeed om de Kronkel in dat busje een keer te vervangen door een Kronkel van eigen hand.

Het was een fijn plan, maar er waren enige complicaties. Ik keek om me heen en spotte toen vlak bij het borstbeeld van Carmiggelt de bosjes waarin Annie M. Schmidt en Renate Rubinstein zich verscholen hielden toen het beeld onthuld werd.

Tiny, de weduwe van Carmiggelt leefde nog en had Renate die zo lang een verhouding met haar man had niet uitgenodigd. Daarom ging Renate toen maar in de bosjes zitten. Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat De Vervalsers van Theo Kars verscheen. Om het te vieren verschijnt vandaag een herdruk van de roman, waarin Kars de oplichterspraktijken ­beschrijft die er toe leidden dat hij twee jaar gevangenisstraf kreeg.

Plus de tijd om zijn boek te schrijven. Voor de gelegenheid heb ik het herlezen en het beviel me zoals het me vijftig jaar geleden beviel. Kort na het verschijnen had ik een afspraak met Theo die toen op een kamer in de Reguliersdwarsstraat woonde.

Niet zonder trots liet hij me zijn boekenkast zien die erg klein was. Nadat we Montherlant, Vailland, Graham Greene besproken hadden, gingen we naar het Rembrandtplein waar hij me op het terras van Monico uitlegde hoe je het moest aanleggen een vrouw te verleiden. Hij had daar een tot in details uitgewerkt scenario voor, zo bleek. Ik hoorde zijn uiteenzetting met een enige verbazing aan. Ik had altijd gedacht dat het allemaal van zelf ging.

Je zag een leuk meisje, zij zag jou, je lachte eens naar elkaar en voor je het wist, was je waar je wezen wou. Maar zo was het niet, zei Theo. Het ging er om de juiste dingen te zeggen en te doen. Zo moest je­ ­tegen meisjes zeggen dat je een hekel aan voetbal had. Ik vroeg meiden vaak of ze zin hadden om zondag mee te gaan naar voetballen en daar zeiden ze zelden nee tegen, maar volgens Kars was dat dus fout.

Hoe meiden reageerden op de bokswedstrijden die ik met ze ­bezocht, heb ik hem nooit verteld. Wegens kaastrek ging ik de Kaaswaag binnen waar Theo die van de kaas is achter de toonbank iets onduidelijks stond te rommelen.

Ik heb vandaag al twee keer een natte rug gehaald. Mijn oom, vertelde ik, was timmerman. Hij verbouwde Chinezen en peeskamers, in de Bloedstraat, de Monnikenstraat, de Barnde­steeg. Goede vraag voor iemand die altijd tussen de meisjes heeft gewoond. Hij was toen een jaar of Op zijn zevende of achtste had zijn vader hem een keer naar tante Gré gestuurd om haar haar boodschappen te brengen.

Gré zat op twee hoog in de Oude Nieuwstraat. Er lopen nog wel groepen, maar ze zijn niet meer zo groot en her en der signaleerde ik zelfs een toerist die het avontuur Amsterdam in gezinsverband had aangedurfd. Fietsen blijft ­gevaarlijk, maar de rijen bij de ­attracties zijn tot hanteerbare proporties geslonken, Japanse meisjes zijn met zijn tweeën en het ­immer boos kijkende rugzakmeisje is weer alleen. We zijn er nog niet maar het gaat de goede kant op.

Laatst was ik in de Javastraat die me na de Eerste Van Swinden een beetje tegenviel. Ik was toen op de fiets. Nu waren we weer in de ­Javastraat, maar te voet.

De Java Bookshop bijvoorbeeld, toch een sieraad van de straat, was me geheel ontgaan. Om over de diverse viswinkels nog maar te zwijgen. Bij El Pescado meen ik achterin de zaak zelfs ­tafeltjes te zien, tafeltjes die tot een zekerheid uitgroeien als ­iemand die in die streken vis staat schoon te maken ons wenkt om binnen te komen.

Andere keer, ­besluiten we. Als we bij Bedford-Stuyvesant zijn neergestreken, waar de dienster haar debuut maakt, en dat doet ze goed, denk ik aan de illegale tafeltjes achterin de viswinkel van Jan op de hoek van de Damstraat en de Oudezijds Voor. Jan serveerde daar illegale oesters en schonk daarbij nog veel illegalere witte wijn, wat smaakte zoals ­alleen verboden vruchten smaken kunnen. De Javastraat neemt zijn einde bij het spoorviaduct.

Daar staat Snackkar de Kale Man, een beter slot voor een straat laat zich niet denken. Het was druk voor de etalage van de fossielenwinkel op de hoek van de Eerste Jacob van Campenstraat en de Ruysdaelkade. Er stonden maar liefst drie mensen met hun neus tegen de ruit en met mij erbij werden dat er vier.

Nadat twee liefhebbers ­waren opgekrast, bleef ik achter in het gezelschap van een dame die haar fiets aan haar hand hield. Maar laatst is er een merel tegen mijn raam gevlogen en die kost dus niks. Hij ligt nog op het balkon, maar hij is hele­maal schoon. Nu moet ik ­alleen nog het koppie van het lijf scheiden. Ik liep de Jacob van Campenstraat in, waar me een man tegemoet kwam die drie lege lijsten over zijn schouder had hangen.

Yves Klein zag dezelfde zee in die dagen en signeerde hem als zijn eerste blauwe monochroom. Toen we Ventimiglia binnen ­reden, zag ik overal kogelgaten in de muren van de huizen. Ik kon mijn ogen niet geloven, zoals ik ze ook wantrouwde toen we onze ­bagage naar het appartement brachten dat we gehuurd bleken te hebben. Het was groot met donkere schilderijen aan de wanden en overal wonderbaarlijke meubelen.

Een balkon keek uit over de via Roma. En toen liepen we door een park naar zee waar tante Mies en haar gevolg al onder hun parasol zaten. Maar wat kon mij het bommen. Ik dook in de diepblauwe golven en zwom. Ik keek naar het blauw van de hemel en genoot.

In de middag van de tweede dag van onze reis van ­Amsterdam naar Ventimiglia waar we met vakantie gingen, bereikten we Lyon. Dat is een stuk korter. En zo kwam het dat wij niet veel later op de Route Nationale 85 beter bekend als de Route Napoléon belandden.

De Route Napoléon bleek geheel ­opgetrokken uit haarspeldbochten die klommen dan wel daalden en opmerkelijk vaak langs ravijnen voerden van het type waar Wim van Est een paar jaar eerder met gele trui en al was ingevallen, waarna zijn hart stilstond maar zijn Pontiac nog liep. Het was tien uur en al aardig donker toen mijn vader de handdoek in de ring gooide en na smeekbeden van mijn moeder terugreed naar het hotel waar we een half uur eerder langs waren gekomen.

Tweeënzestig jaar later vraag ik me nog altijd af of mijn vader echt dacht dat de Route Napoléon de kortste weg was. Ik heb zo mijn vermoedens. Het was vier uur in de morgen toen wij, uitgezwaaid door buren die speciaal waren opgestaan om ons te zien vertrekken, in onze Volkswagen de straat uitreden. Ik zat achterin naast de enorme tas die mijn moeder in de week die aan ons vertrek voorafging had gevuld met eindjes worst, gebraden kippenpoten, stukken kaas en kaas in plakjes, hardgekookte eieren, thermoskannen, een met thee en een met water, plakken chocola, zuurtjes, brood en broodjes, een broodplank, een broodmes en servetjes niet te vergeten.

Ons kon niets gebeuren. Over de verlaten wegen reden we met honderd kilometer in het uur naar het zuiden. Dat twaalf uur per dag maakt zevenhonderd kilometer. Morgenavond zijn we in Ventimielja. Vlak voor de Belgische grens maakte zich een euforische opwinding van mij meester, zo meteen was ik in het buitenland, het buitenland, wie kon me dat nazeggen, Loekie niet, Rob niet, en Fred en Hendrik-Jan al helemaal niet.

Een stempel in mijn paspoort en er kwamen er meer. En vanavond sliepen we in een hotel! Drie jaar achter elkaar ging ik naar de vakantiekolonie van de speeltuinvereniging Amsterdam-Zuid in Valkeveen, maar de derde keer was de rek eruit. Op 23 juli stuurde ik een briefkaart naar mijn vader en moeder die in de Cercle Hollandais in Antibes verbleven. De stemming is hier niet al te best, dus heb ik geen erge pretttige vacantie, en dus nooit meer, volgend jaar ga ik maar liever mee Uw weet zeker wel dat Wagtmans zins Dinsdag de trui kwijt is en 5de staat.

En Nolten staat 7de. Het is wel jammer maar de postzegel heb ik al. De groeten van Guus. Hij verloor twintig minuten en zou later opgeven. Louison Bobet won de Tour, Jan Nolte werd 14de. Tot zover de statistieken. Ik ging weer naar school, naar de vijfde klas, waar ik vanaf dag een verwikkeld raakte in een loopgraven oorlog met de nieuwe onderwijzer.

Thuis wachtte ik de berichten af van het vakantiefront. Nee, en ook niet naar mijn opa en oma, ik wilde met mijn vader en moeder op vakantie, punt uit. Ergens in het voorjaar kwam het goede nieuws, we gingen naar Italië, met de auto.

Het slechte nieuws was, dat de verschrikkelijke tante Mies en haar man en hun slome zoontje en zijn oppas ook meegingen, maar evenzogoed, we gingen naar Italië, waar ze ook een Rivièra hadden, we gingen naar Ventimiglia.

Wat is de Jan Luijkenstraat toch een heerlijke straat. Een langgerekte oase van stilte die de altijd drukke Stadhouderskade met de Van Baerlestraat verbindt.

Een oase met kinderstemmen bovendien, en dat is nog beter, want mooier dan kinderstemmen in de stilte is er niet. Wie mij hier ziet gaan, zal allicht denken dat ik ­zomaar wat aan het flaneren ben en dat is ook zo, maar niet helemaal.

Voor de Rijkspostspaarbank pak ik een tram die ik twee haltes later weer verlaat. Even later sta ik in de kar van Jan de Haringman, waar ik bij mevrouw Jan vier ­haringen bestel die Jan dan voor me gaat schoonmaken. Voor de toonbank zit een al wat oudere man met een plastic vorkje iets te eten uit een plastic bakje. Ze kijkt in de vitrine en zegt: Ik dacht dat jullie dat niet verkochten. Ik zal het straks in de flat meteen vertellen. Zo worden twee straten tot een lange allee.

Het terras van de Cotton Club is als het terras van alle cafés rond de Nieuwmarkt. Je zit lekker in de ruimte, je kijkt uit op Waag en Geldersekade, op de drukte van het plein en het leuke Brederodebeeld, waarop zijn Spaanschen Brabander een dame van lichte zeden probeert te kussen. Een lekker biertje erbij en mij kan niks gebeuren.

Maar na dat biertje wil ik toch naar binnen, naar de Cotton Club zoals hij was en nog altijd is, met een bar die geen einde lijkt te ­nemen, de spiegels en tafeltjes langs de wand, de pooltafel ­achterin en de plafondschilde-ringen niet te vergeten. Ik heb ­altijd gedacht dat ze uit de Cobratijd stammen en dat denk ik nog steeds. Als ik omhoog kijk naar de bloedrode zon die daar schijnt, glip ik het verleden binnen en zie ik aan het einde van de bar Ome Frits zitten die alles in de gaten houdt.

Er wordt gegokt en gerookt en uit de jukebox komt pikzwarte soul. Het loopt tegen tienen als de sterke man binnenkomt. Hij is blind en wordt geleid door zijn zoontje, dat een jaar of dertien is.

Hij heeft het bovenlijf ontbloot en laat zien wat sterke mannen zoal kunnen met een spanveer. Nadat de jongen met de pet is rond ­gegaan, wordt aan de bar uitbundig muziek gemaakt met allerlei ­raspen en trommels. En Annie brengt me nog een biertje. Juffrouw Annie, zoals ik haar noemde, was voor mij de Cotton Club, vijftig jaar lang. Ze overleed op haar tachtigste. Op de avond voor de begrafenis lag Annie opgebaard in een zaaltje achter het ­café. Ik zat aan de bar en wist ­nergens van.

Af en toe riep mijn moeder uit de keuken: Dik Trom en zijn dorpsgenoten las ik omdat ik eerder op de dag Uit het leven van Dik Trom had gelezen. Wat me ernstig ­tegenviel, terwijl ik me Dik Trom en zijn dorpsgenoten herinnerde als een meesterwerk. Misschien heeft u het niet ­paraat, maar in Dorpsgenoten draait het om Nelly, Diks buurmeisje dat blind is en daarom niet kan zien.

Al in het tweede hoofdstuk raakt Dik ons in de ziel door ongezien zijn worst, waar hij zo dol op is, op het bord van het arme meisje te schuiven. Later zorgt hij ervoor dat ze mee mag op schoolreisje naar Wijk aan Zee. Aldaar wordt Dik gewezen op professor Donders uit Utrecht van wie Dik weet dat hij blinden vaak weer ziende maken kan. Dik neemt Nelly bij de hand en mee naar de beroemde geleerde tot wie hij de volgende woorden richt: Wilt u haar ook beter maken?

Als meisje geleerd, zoals alle jongens en meisjes vroeger dat deden. Voor je het weet, kan het niet meer, ik doe het dus voor het te laat is. Maar eerst de nodige voorbereidingen, want deze expeditie kan even duren. Potje met goede humeur? Flesje met spraakwater, ja, ja, ja, nou, goede prijs dan! Te voet begeef ik mij door het Vondelpark naar het beginpunt van de reis, de halte van lijn 1 richting stad op de hoek van Overtoom en Jan Pieter Heije.

De tram moet van heel ver komen, het einde van de wereld zo ongeveer, dus dat ik een tijdje op de halte sta, verbaast me niet. Maar daar is ie, lijn 1 naar het Leidseplein, met die lekkere bocht bij het Leidse Bosje. Op het Leideseplein stap ik over op lijn 2 richting Nieuw Sloten. Op naar het Rijks, het Van Gogh en het Stedelijk waar ik, niet vergeten uit te checken, uitstap en naar de halte van de 3 loop.

Die er meteen aankomt. Ik heb dit altijd al eens willen doen, en ik moet zeggen, het valt niet tegen. Waar het plezier precies in zit, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval rij ik heel anders door de stad dan ik ooit gedaan heb. Bij de Van Wou, u raadt het, is het weer overstappen geblazen, voor een lekker lang ritje met de 4, helemaal naar het Centraal Station.

Ik ben nu twee uur onderweg en ik zou, overweeg ik als ik op de halte van de 5 sta, er snel een kunnen kopen, bij de Ster bijvoorbeeld, of de Flying Dutchman aan de overkant, waar ik nog nooit geweest ben. Maar gelukkig, daar is de 5 en ik weet waar die mij brengen zal.

Hij was me nog niet voorbij of hij maakte voor het torentje van het Gerrit van der Veen College een draai naar de linker weghelft en stoof toen plankgas achteruit om in te parkeren. De jongen die de auto bestuurde, deed dat door met de palm van zijn hand in een cirkelbeweging over het hart van het stuur te draaien. Jongens van een zekere leeftijd kunnen dat. De jongen in de auto is haar vriendje, dacht ik en omdat ik wilde weten of dat inderdaad zo was, stapte ik af en wendde voor de rozen in het perkje te bewonderen.

De jongen in de auto was haar vriendje. Alles bij het oude dus, al kwamen wij indertijd op de fiets om onze vriendinnen op te halen. Tien jaar eerder, in het begin van de jaren vijftig, stonden er geen jongens voor school en als er een feestje was en het was de bedoeling dat er gedanst werd, werden de jongens van Zeevaartschool in Den Helder uitgenodigd. Ik slaagde, maar had na die ondervraging geen zin meer in het feestje, wat me door Elsbeth zeer kwalijk werd genomen.

Op het Azartplein, waar zoals iedereen weet Amphitrite op haar hippocampus uit een ­vijver oprijst terwijl zoonlief niet onverdienstelijk de hoorn bespeelt, keek ik naar het Lloyd Hotel. Onlangs werd café Helmers in de Bilderdijkstraat gesloten en het aardige is dat het heropend weer café Helmers heet, met dezelfde letters op de ruit, maar anders van binnen. Zo heet het Lloyd Hotel nog altijd Lloyd Hotel, maar nu omdat het een hotel is en vroeger omdat het een gevangenis was en daarvoor een hotel.

Een eindje verderop, langs de Veemkade, ligt een cruiseschip afgemeerd. Goed kijken, Guus, maan ik mezelf, want binnenkort komen ze hier niet meer. Ik vond die cruiseschepen altijd aardige dingen, met die spuitende slepertjes voor en achter als ze de haven binnenvoeren, maar het schijnt dat er duizenden passagiers op zitten die de binnenstad onveilig maken. De schepen worden nu naar het westelijk havengebied verbannen, waar de passagiers gaan passagieren op de Transformatorweg, waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

Op de Levantkade heeft de storm van vannacht een ware slachting onder de stokrozen aangericht. Twee meter hoge bloemen liggen geknakt voorover, sommige met wortel en tak tussen de tegels vandaan gerukt. Tjeerd, Theo, Ronald, Corry, zie ze zweven. Tim vertelt me dat er een programma is dat gesproken taal omzet in geschreven woorden. Sidney Bechet die ook aan boord was, zei later: Ik had eens een leuke vriendin met wie ik graag Lollipop zong, bij voorkeur op de fiets: In de herfst van dat jaar, denk ik, een herfst die ook de herfst van onze liefde zou blijken, had ik twee kaartjes bemachtigd voor een concert van Art Blakey en de Jazz Messengers, dat plaats vond in een uitverkocht Concertgebouw.

Maar mijn vriendin wou niet mee, want diezelfde avond trad Sidney Bechet op in Carré en daar wilde ze met alle geweld naartoe omdat ze Sidney Bechet zijn handtekening wilde vragen. Voor straf nodigde ik haar leuke moeder mee die het prachtig vond met mij een jazzconcert te bezoeken. Toen zij overleed, vertelde ik mijn vriendin van toen over die avond met haar moeder. Daar wist ze niets van, of was ze het vergeten?

En, o ja, het was geen concert van Sidney Bechet ­geweest waar ze naartoe ging, maar van Benny Goodman. Soms heb ik heimwee naar Caïro waar ik lang geleden nooit naartoe ging om Oum Kalsoum te horen zingen.

Amsterdamse jongens pissen nooit alleen. Als je in het café aankondigde dat je ging pissen, ging er altijd iemand mee. Als er buiten werd gepist wegens file bij de wc, stond je vaak met zijn zessen langs de gracht bruisende gaten te prikken in het donkere ­water. Er werden daar lacherige gesprekken gevoerd, vaak over het vrouwelijk schoon in het café en uitgeplast had iedereen weer dorst gekregen.

Dus gauw naar binnen toe en kijken hoe het verder ging. Het had wel wat, maar het mag niet meer zoals zoveel niet. Wel is er een monument voor de Onbekende Wildplasser verrezen. Het staat aan de sloot langs de sportvelden van Arsenal aan het IJsbaanpad, het beeld van een morsige oude man die het vanuit de geopende broek dag en nacht laat klateren.

Hij staat met zijn rug naar het sportveld toe en plast de voorbijganger recht in het gezicht, een onaangenaam schouwspel, temeer daar al dat plassen voor grote vieze vlekken rond de gulp heeft gezorgd.

Liever dan deze vieze oude man is mij het vier, misschien vijf jaar oude jongetje dat ik in de Cliostraat onder het wakend oog van zijn moeder in een geveltuintje zag wateren, de korte broek op zijn enkels, de billen bloot.

Maar het mooiste plasje behoort toch mijn geliefde. Ze deed het in Porto, boven aan een hoge stenen trap met uitzicht op de stad en de Atlantische Oceaan, in de schaduw van een kathedraal.

Nadat we de afdaling hadden ingezet, zag ik na enkele treden hoe het plasje ons inhaalde en vervolgens met ons mee liep, tree na tree na tree, gleed het langzaam met ons mee. Midden in het plantsoentje staat op een stervormig voetstuk een enorme stenen bol. Wie om de bol heenloopt krijgt vier teksten te zien: Ik fiets onder de poort van de ­Carillonstraat door en beland in de glinstering van edelstenen, ­saffier, granaat, topaas, robijn, smaragd, om tenslotte te parkeren bij een broodjeswinkel op de hoek van de Van Wou en de Lutmastraat.

Op het smalle terras zitten vier Marokkaans-Nederlandse jongens aan de koffie verkeerd en de smoothies met een broodje erbij. Een van de jongens vertelt een verhaal, dat hij met een uitbundige pantomime illustreert. De jongen spreekt prima Nederlands, ik versta hem woord voor woord, maar wat hij zegt begrijp ik niet merkwaardig genoeg, het is of ik de voorwaarden van een verzekeringspolis zit te lezen.

De andere jongens lachen, waarop het hele toneelstuk nog een keer wordt ­opgevoerd. Deze keer lach ik mee. Vlak voorbij de ingang van de Markthallen ligt langs de Jan van Galenstraat een naamloos stukje water. Er liggen een paar mooie woonschepen en er staat een groot billboard waarop wordt beloofd dat ze binnenkort alles gaan verpesten met nieuwbouw.

Een elegant ijzeren bruggetje voor fietsers en wandelaars verbindt de twee oevers. Toen dat bruggetje er nog niet was, was er heel lang niks en daarvoor een pontje. Zo sprak ik ­onlangs iemand wiens vader een handel in hondentrimartikelen dreef. Ook zijn er fabriekjes in ­leverpastei, maar het Groot ­Amsterdams Pontjes Boek bestaat niet, geloof ik. Het pontje aan de Jan van Galen kan ik me nauwelijks herinneren. Dat zal komen doordat de oversteek nog geen minuut geduurd kan hebben.

Het pontje waarmee je de Amstel overstak naar de ­Omval met zijn watertoren en zijn gashouder was van een andere ­categorie. In de bocht van de rivier waande je je op volle zee, wat ik leuk vond, met name omdat ik wist dat de oever nooit ver weg was.

Er was een pontje over de Schinkel, en verderop een pontje over de Nieuwe Meer en nog verderop een pontje over de Ringvaart. Over het Merwedekanaal bij Diemen ging het pontje aller pontjes, dat luisterde naar de naam Vadertje Langbeen. Ik ben er eens wezen kijken met mijn vader. Vadertje Langbeen was een veerwagen of railpont en voer niet, maar reed, over rails op de bodem van het ­kanaal. De pont gleed over het ­water of hij met het water niet van doen had.

En dan had je nog de pont transbordeur, een pontje dat over het water zweeft. De hoogste tijd voor een boek over pontjes. Zonder dat ik het in de ­gaten had, is er aan de schaduwzijde van het Rokin een lange eet- en drinkboulevard ontstaan met enorme eenheidsparasollen die zich slechts van elkaar onderscheiden door de naam van de zaak die ze drooghouden, Metropolitain, Tinner, café de Paris, het Groene Paleis.

Was dat niet een bordeel? Ja, maar dat is lang geleden. Wat me iedere keer verbaast, is dat het overal druk is. Aan de tafels onder de parasollen op het Rokin, bij de strandstoelen, bij Madama Tussaud, op de Dam.

Ik stak de Dam over en bereikte, behendig tussen de toeristen door manoeuvrerend, de Zoutsteeg. Maar gelukkig, daar zag ik de haringvlag al wapperen. Hij kwam eens een middagje invallen voor een zieke maat en is toen gebleven, zoals die dingen gaan. Bij mijn ­geboorte had ik al geen haast. We waren het weer helemaal eens met elkaar.

We herinneren ons meer dan we ons denken te herinneren. Toen ik de herinneringen aan mijn eerste zes ­levensjaren in kaart bracht, bleek dat keer op keer.

Het is een kwestie van geduld, ontdekte ik, maar heb je eenmaal een spoor dan zal de herinnering vroeg of laat boven komen drijven. Deze keer ging het om autootjes. Ze moesten opgewonden met een sleuteltje, herinnerde ik me, maar er was meer. Reden ze op rails? Ik probeerde me de verpakking voor de geest te halen, het specifieke geluid dat ze maakten, maar het lukte niet.

Petertje, het goedaardige zoontje van mijn verschrikkelijke tante Mies, had een speelkamer vol spullen. Hij had een tafelvoetbal en pingpongbatjes, bouwdozen die ik me herinner als een voorloper van playmobiel en een heuse Schucobaan. Op mijn favoriete plaatje zat Kuifje in een riksja die getrokken werd door een Chinees. Als ik in de Runstraat in een file ­terecht kom, sta ik plotseling ­ tegenover een fietstaxi waarin drie Chinezen zitten.

Ik schiet in de lach, niet om de Chinezen, maar om het Kuifje dat de riksja trekt. Waar ik heen ging, zeg ik niet, maar op de heenweg fietste ik langs de nieuwe gemeenteklok op de hoek van ­Stadionweg en Beethovenstraat. Ik dacht dat de gemeenteklok aan het verdwijnen was, maar hij is aan een glorieuze comeback­ ­begonnen. Schippers eens op het Rembrandtplein liet plaatsen en die allemaal een foute tijd aanwezen.

Waar zijn ze gebleven trouwens, die klokken, en waar is de reusachtige blauwe stoel die hij in het Vondelpark neerzette? De nieuwe gemeenteklok is elegant, slank, met een diep rood randje rondom en drie al even ­rode andreaskruisjes op de wijzerplaat. Ik kan niet wachten tot hij ook op andere plaatsen in de stad zijn gezicht laat zien. Meestal zit het tegen, maar soms zit het mee.

Tot zover de heenweg en nu ­terug. Ik rijd regelmatig langs de route en wat me opviel, is dat de bezoekers die met een routebeschrijving in de hand langs de beelden lopen het monument voor de gefusilleerde verzetsstrijders van Jan Havermans zonder uitzondering negeren. Ze lopen er langs of het er niet staat. Dat maakt nieuwsgierig naar de routebeschrijving, en ­inderdaad, het beeld van Havermans staat niet op de kaart en is er dus ook niet.

Maar bij het Conservatorium Hotel, op de hoek van de Van Baerle en de Paulus Potterstraat, staat, ook in het kader van ArtZuid, een beeld van Cristóbal ­Gabarrón de stad flink op te ­fleuren.

De man stond op de hoek van de Frans Hals en de Quellijnstraat. Hij droeg een zwart pak en gele schoenen, er stak een witte bloem uit een knoopsgat en zijn overhemd was roze. Hij leek een beetje op Sammy ­Davis Jr. Hij verplaatste zijn voeten en draaide met zijn heupen, een tegel was hem genoeg. De avond tevoren had ik een lang vergeten boek over Eduard Jacobs in de boekenkast gevonden. Met stijgende verbazing had ik zijn liedjes gelezen over de Ruysdaelkade, de Ceintuurbaan, buurt YY: Er was me nooit iets bijzonders opgevallen aan het adres en dus ging ik eens kijken.

De nummers 60 tot en met 66 bleken in beslag genomen door een keurig schooltje. Ik was de Rosmarijnsteeg ingelopen om eens te kijken hoe de ­zaken staan.

Antiquariaat Straat heet nu Wind en ze verkopen horloges en jurken. Het was droog en ik maakte van de gelegenheid gebruik om neer te strijken op het terras van Broodje Bert. Ik bestelde een broodje oude kaas en een koffie verkeerd die eenmaal op mijn tafeltje in een latte en een sandwich old cheese veranderd bleken. Een en ander smaakte er niet minder om.

Op de fiets naar huis begon het weer te motten. In der Vijzelstraat reed ik achter een moslima die een mij onbekend type hoofddoek droeg. De Turkse doek herken ik, net als de Marokkaanse, de Indonesische en de Afrikaanse, maar deze had ik nog niet. Bij de Weteringschans hield het op met regenen. Het meisje zette haar ­capuchon af, en veranderde zo van een moslima in een ongelovige. In het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis kwam de Kattenbak Centrale langs. Meteen klapte er een kattenluikje open waardoor het bijbehorende lied naar binnen glipte.

Een paar dagen later zaten we in het Westerpark op een picknicklaken tussen de hapjes en de drankjes en maakte ik me op om het lied voor de aanwezigen ten gehore te brengen. Ik hief de stemvork en daar ging ie: Toen ik uitgezongen was, nam een vriendin het over en zij zong: Maar de moderne techniek bracht uitkomst en even later zong Gonda, met haar zusje op de speaker: Zoutvaatje in het midden en aan weerskanten een ei, hardgekookt, hoewel je dat op de foto niet zien kunt natuurlijk.

Eddy Posthuma de Boer vertelde me eens over een Nederlander in zijn kennissenkring die al jaren in Frankrijk kampeert zonder ooit een woord Frans te hebben ­geleerd.

Als hij eieren nodig heeft, gaat hij naar de boer en zegt: Maar het perfecte eierrekje bleek wel degelijk te bestaan. Het stond op de bar van café Bos aan de Amstelveense weg. Na enkele inleidende manoeuvres zei de barjuffrouw: Een paar weken later zaten we bij Sarphaat en dronk ik met uitzicht op het park een borrel uit het volmaakte borrelglaasje.

De volgende dag troffen ze elkaar dan zeg om half elf bij de Vami in de Kalverstraat, waar de dienstertjes een schortje droegen en een kapje in hun haar. Vandaag de dag is een afspraak maken een stuk ingewikkelder, maar soms lukt het en zo kon het gebeuren dat mijn vriend en ik ­elkaar op een zonnige zaterdagmiddag troffen op het eindpunt van lijn 3 in Oost.

Nou ja, dat kwam volgende keer dan wel. Ik heb deze wandeling vaak ­gemaakt, maar altijd voel ik me een ontdekkingsreiziger die onbekend gebied betreedt.

Alles lijkt nieuw iedere keer. Het smalle voetpad met uitzicht op IJ en Buiten-IJ, de skyline van de stad en de heerlijke sluizen, waar je zomaar over de sluisdeuren heen mag ­lopen en als er geschut wordt het water stromen ziet. Als jongen van tien kwam ik hier voor het eerst. Er lijkt weinig veranderd.

Maar het Hoyerpad was er toen nog niet en Hoyer leefde nog, in Nescio, die toen, meen ik, op de Linnaeushof woonde en er vaak op uit trok. Op 30 december noteerde hij: Op een dag vond ik in een bak van een antiquariaat dat ik met enige ­regelmaat bezoek een groot aantal dichtbundels, allemaal, zo ontdekte ik al snel, ­afkomstig uit de nalatenschap van de eens alom gevreesde poëziecriticus Rein Bloem, die zelf ook versjes schreef, maar dat, die dingen gebeuren, stelde niet veel voor.

Zo wist Rudy Kousbroek precies hoe je een roman moest schrijven. Hij heeft het Gerard Reve nog eens haarfijn uitgelegd, maar zelf kon hij het niet. Hij heeft zelfs nooit een boek geschreven, een boek ­bedoel ik, dat niet bestond uit eerder in de krant verschenen stukjes. Hugo Brandt Corstius was wat dat betreft van hetzelfde laken een pak, maar dit alles geheel terzijde.

In de bak met nalatenschap van Rein Bloem trof ik onder meer Klein Voorspel, de debuutbundel van Hanny Michaelis, en Slechts de namen der grote drinkers leven voort van Riekus Waskowsky.

Van beide dichters heb ik het verzameld werk al jaren in de kast, die bundels hoefde ik dus niet te ­kopen, maar ik deed het lekker toch. Toen ik weer thuis de bundels ­inkeek, gebeurde er iets merkwaardigs. Het was of de gedichten die ik las andere gedichten waren dan dezelfde gedichten in het verzameld werk. De verzen leken bevrijd, ze hadden zichzelf afgestoft en toonden zich vers als een fonkelende atalanta net uit zijn pop.

Sindsdien weet ik wat ik zoek in de boekenbakken van de stad, de bundels van Nijhoff, van Lucebert, van Van Ostaijen en in die bundels zoek ik de verzen die zich tot dan toe schuil hielden: De kortste weg naar Theater Bellevue voert door de P. Hooft, waar we achter een groep toeristen terecht kwamen die zwalkend achter hun aanvoerder aan fietsten. Bij Bellevue zag het zwart van de familie van de kinderen van groep 8 van Montessorischool De Jordaan die voor ons hun afscheidsmusical gingen ­opvoeren.

Waar het hart van vol is… Laat me volstaan te zeggen dat het prachtig was. Er werd vol overgave gedanst, gezongen, geplaybackt en de grappen waren niet van de lucht, waarbij ik het hardst moest lachen om het jongetje dat in zijn rol van wiskundeleraar kwam zeggen dat Pythagoras was overleden.

Dat Anne Frank werd herdacht met een prachtig gezongen lied konden we ook zeer waarderen. Onze eigen kleindochter was een succès fou zoals u zult begrijpen, zoals u het ook niet zal verbazen dat de ontroerde grootouders het nauwelijks droog hielden. Ik zit nog in groep 7. De grootmoeder van de andere kant bewaarde geen enkele herinnering aan een voorstelling en op de school van mijn vrouw deden ze niet aan dat soort frivoliteiten, een hand van de meester, dat was het.

Zelf had ik in ons­ ­toneelstukje de rol van Pukkel gespeeld. Na het afrekenen ging ik plassen. Het viel niet mee om het te vinden, maar voor het eerst heb ik transgender gepist. Als je van de Olympiaweg het Olympiaplein op gaat in de richting van de Apollolaan kom je langs een rijtje huizen met een tuin ervoor en in iedere tuin een boompje.

Tot voor kort dacht ik dat het knotwilgen waren, maar dat is niet zo. Wat het wel zijn, weet ik niet. Altijd als ik langs die huizen kom, denk ik aan Elke van Splunter, een meisje dat hier woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw. En altijd als ik aan Elke van Splunter denk, vraag ik me af waar ze gebleven is en neem ik me voor dat uit te zoeken. Een eindje verderop, bij het Van Heutsz-monument denk ik aan Paula Box, met wie ik in het najaar van , na een klasseavond bij Bart Wuite in de Harmoniehof, op de trappen van het Van Heutsz-monument heb staan, heb zitten zoenen.

De stad is vol dwanggedachten. Nader ik station Sloterdijk, dan verdringen ze elkaar en buitelen over elkaar heen in hun poging mijn aandacht te trekken. Soms waren we wel met zijn dertigen, en hoe het kan, weet ik niet, maar we kwamen altijd weg. Een paar jaar eerder, toen we nog op de lagere school zaten, gingen we naar de Coca Cola-fabriek om naar de lopende band te kijken,waarop de flesjes gevuld en gedopt werden.

Het verhaal ging dat er wel eens een man naar buiten kwam van wie je dan een flesje Cola kreeg. Maar meegemaakt heb ik dat niet. Zoals bekend is de smartphone voor de al wat ­oudere medemens een van de grote mysteriën van het leven. Wat vroeger God was, is nu de telefoon.

Mensen zijn er de Godganse dag mee in de weer, maar met wat ze precies uitvoeren, daar kom je niet achter. Ik probeer weleens informatie in te winnen, maar je wordt afgescheept met vage verhalen, over geheimzinnige instituten die bezocht dienen te worden, berichten die op ondoorgrondelijke wijze verzonden worden en die dan tot tegenberichten leiden, een en ­ander vaak in groepsverband.

Maar hoe zit het omgekeerd, vroeg ik me laatst af. Vraagt de smartphonegebruiker die tegenover mij zit te duimen zich af wat ik met mijn lege handen te niksen zit? Het moet heel raar voor hem zijn iemand te zien die naar de ­wereld kijkt zonder die wereld meteen vast te willen leggen op een schermpje.

Intussen zit hij op zijn telefoon en vraag ik mij af welk snedig antwoord Nelly Frijda gaf toen Alies uit Ermelo die mijn haar knipt en met wie ik altijd zo gezellig praat, haar vroeg of ze Nelly Frijda was. Alies heeft het me verteld, maar ik weet het niet meer, ik ben het vergeten. Maar dankzij Jack Spijkerman weet ik wel wat Gerard Cox zei toen de benzinepomphouder bij wie hij net getankt had, tegen hem zei: U komt me bekend voor. Waarop de man antwoordde: Op de Jozef Israëlskade deed het zonlicht pijn aan je ogen, maar vanuit de schaduw op de Amstelkade zag het er zomers uit.

Ik was lekker langzaam aan het fietsen, tevreden met alles en ­iedereen. Met de mannen die aan hun bootjes klusten, met de twee vrouwen die voor een open deur met elkaar stonden te praten, de ene met in haar armen een enorme hortensia die rood in bloei stond, met het vooruitzicht van het uitzicht over de plas water dat zich zo dadelijk aan mij ging openbaren.

Aan de tafel aan het water zaten twee mannen koffie te drinken. We groetten elkaar als waren we dorpelingen. Om de hoek, waar het Muzenplein overgaat in de Churchillaanlaan, staat een zes meter hoog marmeren beeld, Verschuivingen van Ben Guntenaar.

Op dat beeld staat, zoals wij van Het Parool allemaal weten, sinds een paar maanden King Kong met een speelvliegtuig te zwaaien. Tot voor kort kreeg ik hier altijd heimwee naar de zonnewijzer, maar van King Kong is Verschuivingen enorm opgeknapt, stelde ik vast. Kong staat precies goed, alsof hij er altijd al geweest is. En op dat moment zag ik een theelepeltje liggen. Een theelepeltje, dacht ik.

Mijn eerste impuls was afstappen om het theelepeltje op te rapen en in mijn zak te steken, want een theelepeltje, zeg nou zelf, komt altijd van pas en van theelepeltjes kan je er nooit genoeg hebben. Maar gelukkig wist ik me te ­beheersen, want ik weet hoe het gaat, het begint met een theelepeltje, maar binnen de kortste keren sleep je aan een touwtje een magneet achter je aan en heb je een karretje achter je fiets hangen om de gevonden voorwerpen op te slaan.

In oktober gingen wij voor een korte vakantie naar Malmédy. Aan de vooravond van ons vertrek begaf ik mij naar het Rokin om bij Allert de Lange een boek te kopen.

In Malmédy sloeg ik het boek open en ik las: En ik maakte mijn begin met Pride and Prejudice, waarin Elizabeth Bennet de hoofden voor altijd op hol brengt. Wat een heldin, wat een boek, wat een schrijver. Op 16 december werd gevierd dat het tweehonderd jaar geleden was dat Jane Austen was geboren. Ik dacht aan de schrijfster als baby en vanaf dat moment heb ik haar altijd in de buurt ­gehouden, als kind, als meisje, als jonge vrouw, als schrijver.

Eenenveertig jaar lang, van haar geboorte tot haar sterven op 18 juli , vandaag tweehonderd jaar geleden. Wie nu naar de Portrait Gallery in Londen gaat om het door haar zuster Cassandra getekende portret te bekijken, betreedt een donkere kamer, waar hij heel even een lichtje mag laten schijnen.

Ik kende al iemand die een Nana van Niki de Saint Phalle stuk had laten vallen en nu blijk ik ook nog iemand te kennen die een Keith Haring heeft kwijtgemaakt.

In de tram laten staan. Zelf heb ik eens een vijftienliter bonbonnetje wijn uit de Roussillon in de 13 laten staan. We hadden het meegebracht voor Dikke Willem, een schimmige belastingadviseur die zijn diensten graag in producten kreeg uitbetaald.

Dat zou niet lukken deze keer, want dat bonbonnetje was weg en kwam niet terug natuurlijk. Na dat ene glaasje volgden er meer en het einde van het liedje was dat toen Dikke Willem aankondigde dat hij zijn bonbonnetje kwam halen, het bonbonnetje in kwestie leeg was. Goede raad was duur en dus begaven we ons naar de Hema waar we twintig flessen goedkope wijn kochten die we vervolgens, o schande, in het bonbonnetje overgoten. Maar die Keith Haring was weg en bleef weg. Dit in tegenstelling tot die andere Keith Haring die weg is, want die is wel weg, maar hij is er wel.

Het is een giraffe en Haring schilderde hem op een doosvormig gebouw dat op het terrein van de Markthallen staat. Ik ging vaak naar de Willem de Zwijgerlaan om ernaar te kijken, en ineens was hij weg. Verdwenen onder een betimmering. Als het stil is op de Willem de Zwijgerlaan kun je de giraffe horen zuchten. De ­Engelsen zouden het Centraal Station in elkaar gooien.

De spoorwegarbeiders zouden staken. De invasie zou net op het laatste moment plaats hebben. Zij had niet plaats. De communisten zouden iedereen ontvoeren, die toch opkwam. We zijn wel geregistreerd en zijn toen doorgegaan met bestemming Auschwitz.

Ons transport was zeer groot. Na de oorlog werden acht overlevenden geregistreerd. Je zou denken dat de hele stad in rep en roer was door de gebeurtenissen, maar niets is minder waar. Het leven ging zijn gang alsof er niets aan de hand was. Ik begreep niet wat ze bedoelden, en toen bleek, dat er een begin was gemaakt met het deporteren van Hollandse en Duitse Joden tussen 16 en 40 jaar.

Wie iets wil begrijpen van de gang van zaken rond oproep, deportatie, onderduik en de emoties die dit met zich meebracht, leze haar dagboek.

Ik ken iemand die al meer dan dertig jaar ieder oneven jaar een paar weken naar ­Venetië gaat. De laatste keer dat zijn vliegtuig vlak voor de landing over de stad vloog, keek de man de naast hem zat enige tijd naar beneden en formuleerde het toen zo: Ik herinner me dat ik op de voorplecht stond en de hoofdstad van het eiland snel dichterbij zag komen.

Het leek of het stadje steeds kleiner werd. Een wandeling hier, een baaitje daar, een opgraving, aardbeien en kersen van de kar, het ­archeologisch museum, een pleintje met een restaurant waar ze de heerlijkste aubergie kroketjes verkochten, het kon niet op. Waar we allemaal niet geweest ­waren toen we weggingen. Hoe beter je een stad kent, hoe groter hij wordt en hoe meer er te doen en te zien is. Voor ons ­Amsterdammers is Amsterdam de grootste stad van de wereld, de stad waar we nooit uitgekeken zullen raken.

De Nieuwegang wel eens in gelopen? Biertje gedronken in de Wacht-­kamer 3e klasse in het Centraal Station? Wel was ik nog niet zo lang geleden voor het eerst van mijn leven in de Sint Nicolaaskerk. Vlak naast de basiliek bleek zich café Batavia te bevinden. Welke kant ik op moest was duidelijk en dus reed ik de Keizersgracht op en de Nieuwe Spiegelstraat uit tot de Spiegelgracht.

Daar begon ik er zin aan te krijgen, want de Spiegelgracht heeft een heerlijke stille kant met een leuke speelgoedwinkel die bovendien uitkomt op een van mijn favoriete grachtjes, de Zieseniskade. Er is een liedje over bomen die dromen hoog boven verkeer en bootjes die over het water gaan, net als weleer, volgens mij is dat hier.

Overal om je heen heerst ­hedendaagse chaos, maar op de Zieseniskade is geen mens te bekennen. Het is of we niet weten dat de kade bestaat. Vlak voor de City blijk ik ineens op een voetgangerspad te rijden, maar bij de kruising met de Leidsestraat ben ik weer waar ik hoor te zijn. Koekjesbrug over, stukje Nassaukade en dan de Jacob van Lennepkade op. Drummend kunstenaar Han Bennink het is omgekeerd, maar dat gaat niet vertelde me eens dat zijn broer en hij de ­zomers van hun jeugd altijd doorbrachten in de badplaats waar wij zo graag komen, omdat alles er is als vanouds alsmede mooi van ­lelijkheid.

Toen hun moeder was overleden besloten de broers haar as vanaf een van de strekdammen in zee te verstrooien. Nou, je weet hoe ik met mijn schoenen ben. Ik poets ze vaker dan mijn tanden. Waarop de uitbaatster van het paviljoen aan ons tafeltje verscheen om te vertellen hoe blij ze was dat we er weer waren. Ze bleef nog even dralen. Om haar verhaal te vertellen, bleek. Over een middelbaar echtpaar dat haar had verteld dat ze waren gekomen om de as van zijn moeder in zee te verstrooien.

Ik keek wat er in zat en ja hoor, moeder. Maar het verhaal is nog niet af, want twintig minuten later kwam iemand een kruisje brengen dat hij op het strand gevonden had. Een kruisje met twee jaartallen er op, verder niks. Ik heb het in de keuken gehangen. Helemaal aan het begin van de Schilderskade, daar waar de Amstel de stad in stroomt, staan op de brug twee huisjes. Ze zien eruit als de Turkse badhuisjes die je bij Turkse dorpen wel aantreft.

Op het huisje aan de kant van de Jozef Israëlskade stond dat er hoogspanning in zat, op het andere huisje stond niets. Ik had mijn weg al vervolgd toen ik nieuwsgierig werd. Ik trof een man die voor zijn huis op een bankje naar het water zat te kijken. Of hij wist wat voor het huisjes het waren, wilde ik weten. Dat wist hij niet, maar hij wist wel dat in het huisje aan de Amstel-­kadekant een theatertje zat waar een buurtbewoner af en toe voorstellingen voor kinderen organiseerde en met Kerstmis een kerstverhaal voorlas.

Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop. Bleek dat Aike 6 en Anne 4 die middag een tattooshop hadden geopend, waar je tegen betaling een stempel op je arm kon laten zetten. En kleren pakt hij wel aan, maar ze aantrekken doet hij niet. In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, was ik al een tijd niet geweest. Dat kwam doordat Rina zich niet meer achter de bar liet zien.

Waarmee meteen de vraag rijst of je een café bezoekt voor het café of voor de barjuffrouw. Staat er een man achter de bar, dan is de zaak wat mij betreft duidelijk. In café de Ster kwam ik voor het café, net als in de Schouw en de Broadway Bar. Maar als het om de Cotton Club gaat, wordt het al ingewikkelder. Geweldig café, de Cotton Club, maar juffrouw Annie was ook niet mis. En ik denk niet dat ik zeven jaar in Emmelot was blijven hangen als Jossie en Marie er niet de scepter hadden gezwaaid.

Rina bleek weg geweest om van een kleinkind te bevallen. Maar nu was ze er weer en om het te vieren bood ik haar een colaatje pils aan. Twee pilsjes later raakte ik aan de praat met een Amsterdammer die vertelde dat hij vorig jaar in Kusadasi was geweest.

Het was er 45 graden in de schaduw, zodat we meteen de eerste dag al van top tot teen verbrand waren, als kreeften ­waren we, en het enige wat we toen nog konden doen, was op die kamer blijven, waar het ijskoud was, van de airco, zodat je de hele dag onder een dun dekentje op bed lag, terwijl er een enorme zandstorm stond, van dat dunne gemene zand dat in je eten gaat zitten, dat trouwens niet te eten was, ­Kusadasi, praat me er niet van.

Nee, dit jaar ga ik lekker vissen. Op de hoek van de ­Amstelveenseweg en de Laan der Hesperiden die vroeger Stadionplein heette als ik me niet vergis, zat een groot café waar het op de zondag heel druk was. Het zal café Het Stadion of iets dergelijks hebben geheten. Nu zit er Mr. Sam met een leeuw voor de deur. Het was een zomerse dag en een eindje verderop zat in de vensterbank die ze tot bank had omgetoverd een jonge vrouw half liggend een bord soep te lepelen. Ik keek naar het Olympisch Stadion en bedacht dat er inmiddels alweer een hele generatie is opgegroeid die denkt dat het stadion er altijd zo heeft uitgezien.

Een deel van de generatie stond op een veldje naast het stadion ­fanatiek een onduidelijke sport te beoefenen. Op de Jan Wilsbrug keken twee vrouwen vertederd naar een meerkoetennest vol jonge meerkoeten en vanaf de eilanden in de Schinkel woeien de zwemgeluiden me reeds tegemoet.

Tot voor kort loste je op als in zoutzuur als je in de Schinkel viel, maar nu is het weer zwemwater en op mooie dagen worden de eilandjes uitbundig bezet door kinderen tot een jaar of zestien die lachen, flirten, duwen, duiken, zonnen, zwemmen. Vorig jaar zag ik zes meisjes uit groep zeven hand in hand van de steiger springen. Nu zijn ze, nog even, van groep acht. Ik liep over de kermis die net bezig was open te gaan.

Langzaam schoven de rolluiken van de ­attracties omhoog en tevoorschijn kwam de kraam die er precies zo uitzag als toen hij gisteren dichtging. De slager of de visboer moet zijn uitstalling elke morgen in de vitrines leggen, maar de kermisklant laat de pluchen beren en tijgers en grote roze honden ­gewoon hangen of op de toonbank staan en gaat de volgende middag verder waar hij gisteravond was gebleven.

Hoewel er nog geen muziek was, zaten de twee verveelde meisjes van de popcorn al op hun eerste klant te wachten. De griezelige slingermachine die naar de naam Booster luistert, draaide driftig oefenrondjes. Alles ziet er anders uit op de kermis van tegenwoordig, maar veel is toch hetzelfde gebleven. Een schiettent zag ik niet, maar er werden zuurstokken verkocht en nougat verkocht en er was een Oud Hollandse Oliebollenkraam.

In het beginnersachtbaantje klonk het eerste gegil, en daar had je de muziek, kermismuziek! De zweef is verdwenen, maar in de moderne variant zat een moeder met haar zoontje in een lichtblauwe olifant net zo opgetogen te kijken als wij dat deden met onze dochter in de draaimolen.

Toen ze zes was zou ze met alle geweld naar het Spookhuis. Wij in de rij, kaartje gekocht, in het wagentje gestapt en het Spookhuis binnen gereden, waar ze van het eerste de beste skelet zo verschrikkelijk schrok, dat ze nog maar een ding wou, weg van hier, naar huis. Ze is als de Venus van Botticelli met dat verschil dat ze niet bloot op een schelp staat, maar op een bankje zit en schuine ogen heeft.

Ik probeer een boek te ­lezen, een boek over het jongensgevoel en het eten van sinaasappels. Ik vind het boek veel beter dan ik het tweeënvijftig jaar geleden vond, maar toch kan ik mijn gedachten er niet bij houden. Ze gaat gekleed in een soort vest dat bij elkaar wordt gehouden door een ceintuur en is een en al been. Als ze op haar telefoon kijkt, laat ze een besmuikte glimlach zien die soms overgaat in een brede glimlach, in een binnenpretje of een ingehouden lach.

Regelmatig doet ze haar haar achter oor of schikt ze haar pony. In haar linkeroorlel zit een zilveren oorbel waar ze af en toe aan draait, terwijl ze met haar tong iets tussen twee tanden vandaan probeert te krijgen. Ze is 23, besluit ik, en natuurlijk heeft ze allang gezien dat ik doe alsof ik lees, maar dat ik in werkelijkheid naar haar zit te kijken. Ze slaat haar benen over elkaar en bekijkt haar ogen in de spiegel van haar telefoon.

Met de buitenkant van haar gebogen wijsvinger veegt ze langs haar neusvleugels en dan haalt ze een wenkbrauwpotlood tevoorschijn.

Als ze haar lippen in de lippengloss gezet heeft, bergt ze alle spullen op en schudt haar pony. Wat ik al vreesde, blijkt waar. Als een gemeenteklok eenmaal stilstaat, is het einde nabij. De klok op de hoek van de Beethovenstraat en de Stadionweg die zo lang op tien over acht heeft gestaan, is verdwenen.

De paal waar hij op stond, staat er nog, een beetje verdwaasd, als een grutto in het vroeg gemaaide gras. Op de hoek waar de paal staat, kon je op zoele zomeravonden van lang geleden vaak een kleine maar opgewonden samenscholing treffen. Het middelpunt van de ­samenscholing was een schone op een scooter, die zich alle belangstelling graag liet aanleunen, de schone meen ik.

Haar leuke zusje heette Vivian. Vivian kende ik van de tennisbaan. Vivian kon niet tennissen, maar onder haar tennisrokje droeg ze petticoats in zeven kleuren. Om de een of andere reden maakt dat vergevingsgezind.

Vivian en haar zusje woonden in een enorm appartement, dat uitkeek op de gemeenteklok. Ik heb daar voor eerst een voetbalwedstrijd op tv gezien. Nederland-Duitsland, of omgekeerd, dat weet ik niet meer.

Op een keer stond ik voor de reusachtige boekenkast met een scheef hoofd de titels te lezen toen haar vader in het voorbijgaan liet weten dat ik uit de kast mocht­ ­lenen wat ik wou, als ik de boeken maar weer terugbracht.

De vader was impresario en ­beroemd ­geworden door bij het Centraal Station op een treinstel een opgezette walvis tentoon te stellen. Je kon erin, in de walvis. Door zijn wijd opengesperde ­kaken betrad je zijn binnenste, waar het stonk en niets te zien was. Maar je was wel in een walvis ­geweest, en wie kon je dat nazeggen, behalve ­Jonas dan. Ik denk dat er geen straat in Amsterdam is die zo vaak van naam verandert als de Ceintuurbaan: We zaten bij Par Hasard onder de bomen en keken de Ceintuurbaan af, die hier inderdaad Ceintuurbaan heet.

Er fietste een man voorbij met een bas op zijn rug en in de bocht naar de Ferdinand Bolstraat passeerde de 24 de Terwijl een meisje onze friet kwam brengen, met een biertje en een glaasje wijn erbij, kwamen er uit het studentenhuis dat boven het café ­gevestigd is een heleboel jeugdige personen tevoorschijn die zichzelf een leuke avond beloofd hadden.

Ze hadden er zin in, dat zag je aan alles. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 een 24, een man op een fiets reed banjospelend voorbij, terwijl de zwangere vrouw tussen tafel en bank vandaan probeerde te komen.

Hij rekende af en hand in hand liepen ze richting Sarphatipark. Toen het visje soldaat gemaakt was, gingen wij ook.

In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 de Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger. Wij gingen daar regelmatig op bezoek. Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten.

Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan. Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten. Bij de huisjes aan het pad die onveranderd leken, stond een al wat oudere vrouw.

Ik legde uit waarom ik niet verdwaald was, waarop zij vroeg of ik de naam wist van de mensen waar ik als kind op bezoek kwam. Tijdens mijn biertje en een onvergetelijke portie ossenworst raakte ik aan de praat met een vrouw die vertelde dat ze eerst rechten had gestudeerd en toen onderwijzeres was geworden. Tegen de kinderen zei ze altijd: Ik heb een vriend met een ­auto. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen.

Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden. In de tram gaat het ook. Ik wist dat zij jou zwaaien ging. Op brug over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center. In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen.

Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje. De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon.

Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet. Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al.

Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven.

Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen. Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever. We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden.

Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen. Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn.

De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf.

Plus dat geluk dus. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds.

Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen. Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis.

Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. Het viel niet te ontkennen. Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend.

Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje. Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden. Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan. Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan.

Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat. Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is. Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen. Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij.

Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt.

Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister.







Oma lesbo sex gay


Gangbang Algemeen Barebangs Bukkake Erotisch uitgaan. Nieuwsbrief Vul je e-mail adres in om onze nieuwsbrief te ontvangen: Filteren op locatie Land   Alles Nederland België. Zin in lijfelijk genot en heerlijke erotische ont spanning? Deze gediplomeerde masseur man van Zin in lijfelijk genot en heerlijke erot Hoi , leuke dame , ik Man 44 jr netjes verzorgt , goed uitziend ,gezellig , Zoekt jou vrouw , huismo Hoi , leuke dame , ik Man 44 jr netjes v Ik stel mij beschikbaar indien jullie een kwalitatie Ben jij een vrouwelijke studente die openstaat voor avontuur en pure verwennerij?

Ben jij een vrouwelijke studente die ope Hoihoi, Ik ben Dillyan, een jongeman van 25jaar Slank postuur en 1. Hoihoi, Ik ben Dillyan, een jongeman va Dillyan uit Bergen op Zoom.

Hallo allemaal Zoek u een heerlijke massage met plus, even heerlijk wegdromen in mijn handen en ge Hallo allemaal Zoek u een heerlijke ma Hallo dames, Heb je last van spanningen of examen stress of wil je gewoon eens genieten van een  e Hallo dames, Heb je last van spanningen Ik ben Timo en ik ben sinds bezig met tantra.

Ik ben opgeleid tot gigolo en masseur door The Ne Ik ben Timo en ik ben sinds bezig m Voor ruim 2 jaar lever ik mijn diensten als onafhankelijke High-Class Gigolo. Voor ruim 2 jaar lever ik Ervaren masseur 57 jaar oud verzorgt heerlijke erotische massages voor dames aan huis of in zijn m Ervaren masseur 57 jaar oud verzorgt h Ik geef lekkere , uitgebreide erotische massages aan vrouwen , mannen en stellen.

Ik heb in de afgelo Ik geef lekkere , uitgebreide erotische Rob uit Nieuwerkerk aan Hoi hoi, Mijn naam is Lorci en ik ben een goeduitziende jonge man van 25 jaar. Licht getint, cm Hoi hoi, Mijn naam is Lorci en ik ben e Older guy in Den Haag Geuzenkwartier i HugoM uit Den Haag. Wilt u eens een erotische massage proberen? Maar dan wel met een klassevolle heer, die volledig betr Wilt u eens een erotische massage prober Ook verlangen naar Erotische Massage?

Of gewoon lekker iets erotisch voor je zelf kiezen? Mijn naam is Alex ik ben 36 jaar ben lang en sportief gebouwd bruine ogen en haar, spontaan en Mijn naam is Alex ik ben 36 jaar ben Mag ik sportieve man van 58, die ervaren masseur zijn die jou heel lekker intiem laat genieten?

Mag ik sportieve man van 58, die ervaren Heb jij zin in een heerlijke erotische ontspannings massage? Eddy deed nostalgisch over tante Mia, een bamitent op de Oudezijds waar in de jaren vijftig heel artistiek Amsterdam goedkoop kwam eten. We bestelden, bestelden er bier bij en thee en mijn geliefde zei dat zij haar biertje pas wou als het eten op tafel stond.

Toen het eten er stond, kwam de jongeman die ons vlekkeloos bediende, vragen hoe het ook alweer zat met dat biertje. Toen we uitgegrinnikt waren, stond het op tafel. Op weg naar de uitgang van het zeepaleis bewonderden we de enorme uit hout gegutste adelaar die met gespreide vleugels in de hal staat. In de lege winkelruimte in de Roelof Hartstraat stond een ronde tafel met daaromheen negen stoelen.

Op de tafel lag een schedel, van een paard zo te zien, en er stond een beeld van een grote witte hond met zwarte vlekken. Op een van de negen stoelen zat een man op zijn telefoon te kijken. Bij de Ceintuurbrug lag een ­gestroomlijnd jacht afgemeerd, vernoemd naar een society­verslaggever uit lang vervlogen tijden. Ik wist het niet. Nadat we bij Marqt van die lekkere viskoekjes hadden gekocht, zochten we Sarphati op voor een drankje. Het meisje dat ons een borrel bracht, hield er een in elke hand en liep stapje voor stapje om niet te morsen.

Oude man valt in herhalingen. Een paar dagen later schonk ik in de keuken een borrel in en liep er voorzichtig mee naar de huiskamer. Nadat ik de glaasjes op tafel had gezet, dacht ik, hé, ik had ook aan tafel kunnen inschenken.

Niks te zien en er gebeurt nooit wat. Sinds een tijdje zijn ze bezig het voormalige politiebureau te verbouwen tot appartementen. Ik volg het met argusogen. In de vroege morgen van zaterdag 5 juni liep ik met Frans de Bruyn over het landje achter de Glazen School. We hadden een winkelruit ingegooid en we konden maar beter bekennen, want anders gingen we naar het tuchthuis.

Een paar weken later, op woensdag 30 juni, stond ik met mijn moeder voor het Hoofdbureau van Politie, waar ik om twee uur precies verhoord zou worden. Maar om twee uur was ook de zonsverduistering en die ging voor. Het werd stil op straat. Schaduwen verdwenen, de gebouwen stonden in het bleke licht alsof het uit karton geknipte decorstukken waren. In januari ging Jan Donkers, en o wat zal ie het koud hebben gehad, met een fles jenever naar Gerard Kornelis van het Reve om hem te vragen of hij beschermheer wilde worden van het jongemannengezelschap Baart.

Dat wilde Gerard wel. Met een knalfuif, filmpjes waarop je kon zien hoe jong we vroeger waren, toespraken, een etentje en een boek, Het dispuut Baart, hoe 16 Amsterdamse jongens wel even de media zouden veroveren. Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging. Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is.

Dokter Frits kwam, keek en zei: Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen. Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd. Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed. Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk.

Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam. Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde. Ik wilde wel dat het in de Spaanse Brabanderstraat was, maar het was in de Grianestraat dat ik samen onder onze paraplu gebakken vis rook.

Echt verbaasd was ik niet, want om de hoek op de Bos en Lommerweg, wist ik, lag de vishandel van de Gebroeders Molenaar, geen kar, maar ook geen winkel, iets er tussenin. Molenaar is een visboer zoals visboeren horen te zijn. Alle vis die een mens zich wensen kan, voortreffelijk uitgestald, leuk personeel en gezellige klanten, voornamelijk van Marokkaanse ­afkomst. Ik bestelde een harinkje en terwijl ik het me smaken liet, volgde ik het gesprek tussen een meisje van de vis en Marokkaanse die even niet wist hoe de vis die ze ­begeerde ook alweer heette.

De dorade en de zonnevis hadden geen moeilijkheden opgeleverd maar nu zat ze even vast. Ten slotte wees ze op mijn haring en zei: Ik hoopte dat ze hem ter plekke soldaat zou maken, met uitjes en een stukkie zuur, maar ze liet hem inpakken, ook goed. Even later staken we over naar de drukke kant van de Bos en Lommerweg, waar het wemelt van de patisserieën en de theesalons en waar door dames met kinderwagens geflaneerd wordt terwijl hun kleuters groepsgewijs aan uitzinnige lollies likken.

De Bos en Lommerweg is anders dan in mijn kinderjaren, maar ik voelde me weer helemaal thuis. Binnen wisten we dat nog niet en vroegen we ons af of er nog mensen waren die wisten wat dat was, een binnenkomertje.

De Bos en Lommerweg is als thuiskomen. Hier kom ik vandaan, hier ken ik ieder huis en ­iedere steen, iedere hoek en ieder poortje. Overal weet ik precies waar ik ben en als ik naar links ga of naar rechts draait de hele plattegrond met me mee.

Maar ik was nog maar net voorbij pizzeria ­Michel Angelo of ik zag een paadje dat er niet hoorde te zijn maar er toch was. Het liep vlak langs het oorlogsmonument in de richting van de Hertspieghelweg. Aan beide zijden van het pad lag een grasveld vol paarse krokussen.

Ik liep het pad op en na paar stappen zag ik tot mijn niet geringe verbazing aan mijn rechterhand een straatje dat ik nooit eerder had opgemerkt. Aan de ene kant van het straatje keek je op de achterkant van de huizen aan de Bos en Lommerweg, aan de andere kant lagen enigszins verwaarloosd ogende loodsen waarin ­garages zaten en stapels autobanden lagen opgetast. Het straatje, de Lippijnstraat, leek dood te ­lopen op de achterkant van de ­Admiraal de Ruijterweg die tevens de achterkant was van Indonesisch restaurant Betawi.

Maar vlak voor het doodliep, was er een opslagterrein van Stadsdeel West. Door de gleuf van de brievenbus zag ik pallets met stenen en dakpannen. Langs de muur van het terrein liep een pad dat naar een poortje leidde dat toegang gaf tot de Hertspieghelweg.

Om te zeggen dat mijn wereld instortte, nee, maar dat ik als jongen een geweldige straat als de Lippijnstraat geheel gemist heb, deed pijn. Wat hadden we in de achtertuinen en tussen de loodsen niet voor rotzooi kunnen uithalen. Met een afstand van 65 jaar zag ik ons joelend door het poortje rennen. De jonge mensen die ik leerde kennen toen ze nog jong waren, kende ik meestal via onze dochter.

Maar Menno Wigman kenden wij onafhankelijk van elkaar, ieder op onze eigen manier. Dochter was punk en bij punk hoorde punkband Human Alert. De haardracht, de manier van ­opmaken en de kleding van de jeugdige punkies uit mijn omgeving kon ik zeer waarderen, maar met de kolereherrie die punkgroepen produceerden had ik niks. Human Alert heb ik nooit zien spelen.

In diezelfde tijd schreef ik in deze krant veel over Franse literatuur, over dichters uit de negentiende eeuw in het bijzonder. Toen wij elkaar kort daarna ontmoetten, vertelde de jonge dichter me dat hij de drummer was van Human Alert en een vriend van mijn dochter.

Zoiets schept een band. In de jaren die volgden is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen. Hij maakte naam als dichter, maar bleef dezelfde man, schuw maar heel uitgesproken, nooit gelukkig en altijd, leek me, op de rand van de armoede. De laatste keer dat we elkaar spraken, was in de Hij was op weg naar de zolderkamer op de Churchilllaan die hij had gehuurd omdat hij daar beter werken kon.

Het ging slecht met hem. Een hartkwaal, bijna dood geweest. Maar hij schreef, en daar ging het toch maar om. Een tijdje later, lees ik in mijn dagboek, stuurde hij me een lange brief. In de mail, dus die brief is weg, want op een dag was al mijn mail verdwenen. Maar de foto van de jonge Human Alert drummer op zijn boze zwarte kistjes is er nog. Net als zijn poezie.

De kennissen bij wie ik op bezoek ging, bleken in een dependance van het Rijksmuseum te wonen. Dezelfde architect, dezelfde baksteen, hetzelfde glas in lood en een monumentale trap die een monument is bovendien. Met ­uitzicht op het Vondelpark, dat er roerloos bij lag, kregen we het over lammetjespap. Dat had ze als kind wel gedaan, maar lekker had ze het niet gevonden.

Ik hield van havermout, maar lammetjespap vond ik lekkerder. De gladgestreken pap als een de volmaakte cirkel op je bord, het klontje boter precies in het midden. Als er maar geen klontjes in zaten. En zo was de lammetjespap van meneer Wodehouse jaar na verschijnen opnieuw aanleiding tot veel commentaar. Toen ik de monumentale trap was afgedaald en het pand wilde verlaten, zat er een eekhoorn voor de deur die ­nadat ik hem had binnengelaten voor de tussendeur ging zitten ­miauwen.

Nadat ik afscheid had ­genomen van mijn ­afspraak fietste ik de Rapenburgerstraat uit, stak ik de Weesperstraat over, dook ik de Nieuwe Amstelstraat in en draaide een paar tellen later aan de andere kant van de Blauwbrug de Amstel op. Boven de ­Hermitage hing de maan. Vol en groot, wit met een zweem van blauw. Over de bruggen ging ik van ­Hermitage tot Carré en de maan ging met mij mee. De maan hing boven de voetbalvelden van VVA en het was precies zoals mijn oma zei, de maan liep met ons mee.

Ik zal een jaar of vijf geweest zijn. De sluisdeuren van de Amstelsluizen stonden open zag ik en hoezeer het mij ook speet, bij de Hogesluis moest ik rechtsaf. Pas toen ik langs het Sarphatipark fietste zag ik de maan weer, want ik heb ogen in mijn rug. In het verlengde van de Eerste Jan Steenstraat stonden naast elkaar zes mensen de maan te fotograferen. Wonderlijk, want geen mens lijkt ooit naar de maan te kijken.

Ook nu niet, want het was een zwerm spreeuwen in een boom die gefotografeerd werd. Toen de zwerm opvloog , de maan bijkans verduisterend, stoven de zwermkijkers uiteen. En zo gebeurde het dat er in de Eerste Jan Steenstraat drie mensen naast elkaar een blauwe maan stonden te fotograferen.

In een steeds grijzer wordend verleden had ik een betrekking bij een grote uitgeverij die kantoor hield in een buitenwijk van Haarlem. Als het ­lunchuur was aangebroken zag je daar een heleboel mannen en vrouwen die zich naar hun auto haastten om in nog grotere haast weg te rijden.

Nader onderzoek leerde dat ze bij een aan de weg naar Alkmaar gelegen motel moesten zijn. Wat zijn daar gingen doen, is mij onbekend, maar eenmaal terug op het werk oogden ze vaak wat verfomfaaid. De stelletjes die ik in diezelfde tijd in het Miranda Paviljoen aan de Amstel zag, oogden in het geheel niet verfomfaaid, integendeel, ze oogden prachtig.

Hij was meestal vijfenveertig en strak in het pak, zij nog net geen achtendertig, zorgvuldig opgemaakt, met oorbellen en hoge hakken. Ze dronken witte wijn en zuchtten. Als ze vertrokken, liepen ze ieder naar hun eigen auto. Minder bekend is dat jonge mensen ook zulke hangouts hebben. Voor gestolen kussen treffen ­Marokkaanse geliefden elkaar graag in het plantsoentje van de Harmoniehof bij mij om de hoek, maar een nog mooiere plek was het charmante snackhuisje aan het begin van de Vossiusstraat, vlak bij de Van Baerle.

De jongens hier waren zelden ouder dan 19, terwijl de meisjes niet verder reikten dan 16, maar alles in hun gedrag wees op overspel. De schichtige blikken, de vaak wanhopige zuchten, het schimmige van hun komen en gaan.

Het snackhuisje is afgebroken, maar de jongens en meisjes die er kwamen, zullen een andere plek hebben gevonden. Niemand die mooier over straten schrijft dan ­Patrick Modiano. Zijn roman De horizon uit was me ontgaan, maar kwam met enige vertraging toch op mijn pad, zodat ik het weer eens kon controleren, en ja hoor: Op weg van hier naar daar kruis je de Rapenburgerstraat wel eens en een enkele keer volg ik hem een stukje, maar de straat als geheel wist me lang te ontsnappen.

Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik ontdekte dat het einde van de straat tegenover de Harmoniehof ligt, van elkaar gescheiden door Boerenwetering en Hobbemakade, maar toch.

Aan het einde van de straat kan je het begin niet zien. Wel een hoog gebouw, waarvan de kenner aan mijn zijde beweerde dat het om het Okura ging. Onderweg beleefden we vele avonturen. Zo kwamen we langs een Albert Heijn die in koloniale waren deed en was er een boekenkastje met Ilias en Odyssee in het Grieks. Toen kwamen we aan de rivier waar de straat zijn oorsprong vindt en konden we niet naar de Unie voor een biertje, want een café is geen rivier.

Mijn grootvader was een strijker. Hij heette Cees en was kort na zijn tiende verjaardag naar Amsterdam vertrokken. Aalsmeer met zijn zwartekousenkerk waar hij op zondag vier keer naar toe moest, was hem te machtig geworden. Hij had zijn klompen aangetrokken en was naar Amsterdam gelopen. Of hij daar bij iemand terecht kon, of dat hij eerst als een jongen uit een roman van Dickens dagen en nachten over straat heeft gezworven, weet ik niet.

Als iemand dood is, merk je pas wat je vergeten bent hem te vragen. Het waren de dagen van het opkomende socialisme. Mijn grootvader sloot zich aan. Hij hoorde Pieter Jelles spreken, en Wibaut, en Domela. Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond.

Het was een kleine man, met rossig haar dat hem al snel in de steek liet. Hij trouwde met een dienstmeisje, Jannetje Kastelijn, een weeskind afkomstig uit Apeldoorn. Haar dienstje was op de Nassaukade, bij dokter Spanjer die goed voor haar was. Hij kon onbedaarlijk lachen om tante ­Anna, die in het duister van de alkoof bij een kaars de kaart legde.

Maar zelf was hij een strijker die met golvende bewegingen pijn wegstreek. Je gaat de Albert Heijn binnen en het lijkt voorjaar en als je weer buiten komt, is het noodweer.

In de ­beschutting van een portiek in de Ferdinand Bol stond een oude ­Indische vrouw. Het waait zo en ik ben bang dat ik val. Dus ik ben heel voorzichtig. Tot de stoplichten alstublieft. Ze ging bij de Bestseller even wat sigaretten kopen. En dan neemt ze straks een lift terug, bedacht ik nadat ik afscheid van haar had genomen. Bij de brievenbus bij ons in de straat kwam ik de mevrouw van de postzegelwinkel tegen. Ze vertelde me dat ze met Theo van de Kaas een wedstrijd deed wie vaker in Klein geluk voorkwam.

Goede kansen lachen je toe. Ook in de toekomst. Waar ik ook woonde, de middenstand heeft zich altijd in mijn warme belangstelling mogen verheugen.

Vooral wisselingen van de wacht interesseerden mij zeer. De jaren in de ­Bosboom Toussaintstraat waren wat dat betreft een goudmijn, want straat en buurt ondergingen in die tijd grote veranderingen, wat je uiteraard terugzag in het winkelbestand. Melkboer en bakker verdwenen uit de straat, abonnementsrestaurant Alco moest eraan geloven, en zelfs Piet en Truus van de sigarenwinkel, waar het zo uitbundig naar stamppot andijvie met een slavink ruiken kon, sloten uiteindelijk de deuren.

Maar er kwam van alles voor in de plaats. Mijn favoriete nieuwkomer zat vlak om de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat.

Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek. Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden. Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen. Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus vanuit het hotel geschreven heeft: I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days.

From yours truly, Louis Satchmo Armstrong. We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan. Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen. Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water. Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen.

Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad. Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond. Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen. Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen.

Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden. De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken. Takel het raam omhoog. Vergrendel het raam met de ketting. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen. Wij ook toen ons moment gekomen was.

Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen. Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd. Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen. Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje.

Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben. En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde. En die ging in de pils. Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken.

Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje. Ook lekker, meen ik me te herinneren. Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever. Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen. Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk. De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij.

Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde. Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven. In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek.

Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan. Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had.

Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd. Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg. Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben.

Kwam ze thuis en vroeg ze: Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten. Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens. Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken. Een stuitend tafereel, vond ik.

Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens. Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op.

Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop. Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken.

De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat. Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën. Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten.

Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb. Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link.

Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving. Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen. Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht. Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers.

Want hij had nogal eens last van wanbetalers. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam.

Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van.

Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden. Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet.

Daarom liep ik naar zee en dook in de golven. Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen. Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip. In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks. Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan. Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets.

Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug. Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was. Ik meldde me dus bij de balie. Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan. Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg.

Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb. Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt. Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat.

En daar lezen we: Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste.

Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan.

Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen. Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt. Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal.

Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller. We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg? Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen.

Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde. Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet. Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had.

Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan.

Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen. Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op. Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was.

Het was een plezierig wandelingetje naar bus Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren. Bleek dat er in de De Genestetstraat een geboortecentrum was neergestreken. Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen.

Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen. Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot? Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien.

Inmiddels ben ik er achter. Middelbare school in de buurt. Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit.

Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand. Uit meen ik. Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet.

Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde. Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren.

Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen. En daarna dus hup naar de dolle begijnen. Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis.

Haar dichtbundels die allemaal van voor zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag. Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur. De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor. Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd. Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien. Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf.

Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland. Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat. Als het goed is, is de bal nog ergens. Als we zitten en een andere besteld hebben, wijst mijn geliefde me op de telefoon aan de muur achter ons.

Het is een ouderwetse cafételefoon. Je kon er mee bellen, maar niet gebeld worden. Zou hij het nog doen? Toen onze kleindochter een jaar of drie was, waren er nog telefooncellen in de stad. Als ze op de Elandsgracht de cel tegenover het hoofdbureau van politie in de ­gaten kreeg, moest ze altijd nodig met oma in Parijs bellen. Wat na het inwerpen van de denkbeeldige muntjes altijd prima lukte.

Na haar gesprek liepen we de Oude Kinkerbrug over de Singelgracht op waar we inmiddels verzamelde takken in het water gooiden om te kijken of ze aan de andere kant van de brug weer tevoorschijn kwamen. Tien jaar geleden ­alweer? Toen onze portie calamares zich bij het bier en de wijn had ­gevoegd, kwam er een zwarte poes op de bar zitten die de pose aannam van de zwarte poes op het beroemde affiche van cabaret Le Chat Noir. Op het Leidseplein reed de 5 net voor onze neus weg.

Een goede reden, leek ons, om een kijkje te nemen bij het opgefriste Américain. We gingen de heerlijke draaideur door, stapten het café binnen en werden prompt tot staan gebracht door een vrouw die er geen misverstand over liet bestaan dat we in het gedeelte waar je iets kon drinken, niets te drinken zouden krijgen. Dat de bar open was, hebben we voor kennisgeving aan genomen. Weer thuis zette ik de televisie aan, en meteen weer uit, want daar had je hem weer, De Stem, de geheimzinnige stem die in televisieland de boel aan het overnemen is.

Wij kijken altijd naar Het Journaal, maar dat is verleden tijd, want enkele weken geleden was daar plotseling De Stem. De Stem komt erin als iemand iets zegt in een andere taal dan het Nederlands. Eerst was de stem er alleen in Het Journaal, maar inmiddels doet hij ook series. Helemaal in zijn eentje leest hij alle stemmen voor.

Als je bij het Centraal Station uit de 24 stapt, of uit de 4 of de 26, maakt niet uit, en je loopt in de richting van de hoofdingang dan zie je in de uitbouw van de eerste toren een deur zo groot als een staldeur. Tot voor kort kon je hier vaak een groep Oost-Europese straatmuzikanten treffen die hem vooral op de klarinet stevig wisten te raken. De mannen op de brug over de Zwanenburgwal naar het Waterlooplein speelden misschien beter, maar het Centraal Station Ensemble had meer pit.

Beide groepen zijn verdwenen, de Peruviaanse panfluiters achterna, denk ik. Ik dacht meteen aan kroketten, maar toen ik dichterbij kwam, bleek het om een restauratiebedrijf te gaan. Er werd weer eens wat hersteld aan het station, een mens kijkt er van op. Maar toen we de hoek om ­waren en door de enorme ruit die achter de staldeuren blijkt schuil te gaan naar binnen keken, bleef ik in stille verbazing staan.

Wat ik zag was een prachtig houten plafond, dat was afgezet met vrolijke schilderijen van engeltjes of cherubijnen, het verschil is me nooit helemaal duidelijk geworden. Iets wat ik graag eens zien zou willen. Bij banketbakker Arnold Cornelis in de Van Baerlestraat stond om te proeven een lekkernij op de toonbank waarvan ik me de naam niet herinnerde, maar die ik herkende en waarvan ik me de smaak meende te herinneren.

Toen ik een hapje had genomen, wist ik dat ik me niet vergistte. Waar mijn moeder kaasvlinders kocht, weet ik niet meer, maar ze kocht ze op de zaterdagse expeditie die begon bij het Hammenhuis in de Sint ­Luciensteeg en die mijn vader en haar vervolgens naar een slager in de Jordaan voerde voor leverworst, naar een taartjeswinkel in de Maasstraat voor een bepaald soort droge gebakjes en dan nog ergens heen voor rauwe Gelderse.

De gedachte dat je bij een winkel meer dan een lekkernij zou kunnen kopen, hield mijn moeder voor ketterij. Die moesten door de velg gestoken worden en vastgeschroefd. De schemering is nog niet begonnen, maar er hangt een haast ­onzichtbare nevel ­boven de Zoutkeetsgracht die de schemering lijkt aan te kondigen.

De gracht ligt er prachtig bij, stil en onaangedaan, het IJ nabij maar veraf tegelijk. Achter een groot raam staat een vrouw iets aan de lade uit een ladenkast te poetsen. Haar werkplaats is in­gericht als een timmerbedrijf, maar ik denk dat ze zich meer met restauratie bezighoudt dan met timmeren. In haar vensterbank staat een houten vrachtwagentje, zo hartverscheurend mooi dat ik mijn neus tegen het venster druk als was ik Kruimeltje voor de etalage van de banketbakker.

Als de timmervrouw opkijkt, zwaai ik naar haar, waarop ze ­terugzwaait, mensen die ge-zwaaid worden, zwaaien altijd ­terug. Maar nee, dat weet ik niet. Aan de overkant van het water ligt een zeilschip, waarvan mast en fokkenstag met lichtjes zijn versierd.

In de huizen branden kaarsendakjes en kerstbomen, in het donker is overal licht. We gaan ­onder het spoor door, steken de Haarlemmerstraat over en lopen richting Noordermarkt als we bij café Papeneiland langs een grote kerststal komen. Jezus en Maria, os en ezel, de Wijzen uit het Oosten, het hele spul, achter glas, aan de Prinsengracht, met de Westertoren in de verte.

Hoewel het dooide, was het spiegelglad op straat. Je kon het zien, want niemand liep ­gewoon door de bagger die even eerder nog sneeuw was geweest, iedereen tilde zijn voeten op. Ondanks de dooi was het koud. Niet zo koud dat de stratenmakers hun werk mee naar huis namen, maar de verhuizer die op het ­Museumplein in zijn verhuis­wagen tussen de meubelen stond, liet weten dat hij met dit weer toch liever op het strand zat. Het Passage Kwartet in de passage onder het Rijks speelde, zoals gewoonlijk, de Lente van Vivaldi en behalve een accordeon klonk nu ook de schuiftrompet.

In het Concertgebouw zouden ze deze bezetting ook eens moeten proberen. Achter de ruit die de hal van het museum toont, stonden vijftien kinderen met kwasten gewapend achter een schildersezel in een halve cirkel om een model heen, dat op een stoel op een ­verhoginkje zat.

Ze zag er uit als Jacoba van Beieren lustte geen ­eieren. Tussen de andere toeschouwers ontwaarde ik de man die zich indertijd bezig hield met het bestuderen van het bazenprobleem. Wat wilde zeggen, dat hij in ieder café vroeg wie hier de baas was, waarna er in vele gevallen verschrikkelijke vechtpartijen losbarstten met vliegende barkrukken en veel brekend glaswerk.

Een en ander uiteraard tot grote vreugde van de aanwezigen. Nadat ik hem in café de Ster had voorgesteld aan Karel van het Reve, vroeg Karel mij wat hij deed. Waarop ik zei dat hij het bazen­probleem bestudeerde.

Alies uit Roelofsarendsveen die het onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat, blijkt ­helemaal niet uit Roelofsarendveen te komen, maar uit Boekelo.

Of was het Dwingeloo, daar wil ik van af wezen, maar in ieder geval vertelde ze mij hoe een week eerder een bejaard echtpaar zomaar twee fietsen die voor de winkelruit stonden omver had gelopen.

Ze stonden ernaar te kijken alsof ze bij Madame Tussauds stonden, echt van die museumpoetsers. Mooi woord hè, het schoot er zo maar uit. Dat heb ik wel vaker, dat ik ineens een nieuw woord verzin. En dat woord blijf ik dan gebruiken, want ik wil in de Dikke Van Dale. Dat is het enige wat ik op mijn bucketlist heb staan. Hij deed iedere dag een bladzij.

Bucketlijsten bestonden toen nog niet, maar de postbode wilde in Tel uit je winst van Theo Eerdmans, een quiz waar je duizend gulden winnen kon. Om de zaak te vergemakkelijken had hij de vragen die hem gesteld moesten worden, alsmede de antwoorden, alvast aan Eerdmans opgestuurd.

De postbode kwam vaak op kicksen naar de kroeg, want dat was zijn tweede grote ambitie, profvoetballer worden bij Santos. Maar dan moest hij wel trainen, vond Marie die hem daarom regelmatig veertig rondjes om het biljart liet rennen. Als ik mijn ogen sluit, hoor ik nog het geluid van zijn noppen op de granieten vloer. Tien dagen voor kerstmis kocht mijn moeder op de Bos en Lommer een piepklein kerstboompje dat ze thuis optuigde met echte kaarsje die iedere avond even branden mochten.

Echte kaarsjes was veel mooier, maar toch ging ik altijd naar de kerstboom van tante Corrie kijken met zijn gekleurde lichtjes, zijn engelenhaar en zijn kerstballen in alle kleuren. Bovendien brandde bij tante Corrie de kachel. Als ons boompje stond, gingen we naar de bloemenmarkt op het Singel voor de jaarlijkse kerstbomenmarkt. Mijn ouders waren unaniem van mening dat de ­bomen daar veel te groot waren, maar dat ze mooi waren en heerlijk roken, daarover waren we het eens.

Het ritueel duurde totdat ik ik liever de kerstbomenversiering in het café ging inspecteren, waarbij de versiering bij Emmelot op de hoek van Lange Niezel en Oudezijds Voor altijd als winnaar uit de bus kwam.

Piet had twee hele dagen nodig om de takken op te hangen, en weghalen was zoveel werk dat het vaak tot Pasen duurde. Op de bloemenmarkt verkopen ze houten tulpen en in cafés kom ik niet meer, om deze tijd van het jaar ga ik naar de binnentuin tussen de Roelof Hart en Gerard Terborgh. De helleborus staat in bloei, maar ik kom voor de grote magnolia en zijn knoppen die opzwellen aan de kale takken.

Terug op straat, zo ter hoogte van de kerstbomenverkoper op het plein, kwam me een vrouw tegemoet die een grote tak magnolia bij zich had en zo voorjaar en toekomst met zich mee voerde. Ik was het café al voorbij toen ik zachtjes neuriënd op mijn schreden terugkeerde en alsnog naar binnen ging. De jongeman en de jonge vrouw die achter de tap stonden, droegen ­allebei een hagelwit overhemd en aan de bar zat een piepklein meisje voorover op haar ellenbogen ­geleund.

Nadat ik een kruk had bezet, keek ik nog eens goed, maar het was inderdaad een meisje. Een jaar of 5 zo te zien. Ze had een tekenschrift binnen handbereik en naast haar stond een van roze ballonnen gevouwen hondje. Ik bestelde een jonkie, waarna de jongeman in het witte overhemd een kelkje voor me neerzette en dat vol schonk, maar zonder kop erop, zoals ik merkte toen ik me voorover boog om het de Roomse borrel behandeling te geven.

Zijn collega was inmiddels aan de bar gaan zitten met een kom erwtensoep die begeleid werd door twee plakken roggebrood met spek. Aardappelen lust ze niet, maar ze is gek op broccoli, bloemkool, boerenkool, dat soort dingen.

Jij bent er wel vaker geweest, maar zij niet. Mooie winkels verdwijnen sneller dan de koeien kalveren. Maar Vlieger zit er nog. Ik word duizelig van geluk als ik binnenkom. Al die laadjes met al dat ­papier met al die namen, awagami ogura, byakka kinsunago, grafica 2,95, ingres 1.

En die heerlijke enveloppen in alle kleuren. Bij het trappetje naar de bovenverdieping waar ze in verf doen, bekijk ik de vitrine met lang geleden door Vlieger uitgegeven boeken en prenten, A is een aapje, De kleine wees, Het kat en muisspel, maar dan moet ik er vandoor. Geen groter genoegen dan op de smalle stoep te staan terwijl de tram door de straat reed. In de tram was het ritje door de Bakkerstraat al even spectaculair, vooral als het ­moment kwam dat je bocht om ging, want dat kon eigenlijk niet, zodat het ­altijd leek of je zo de Amstel in zou duiken.

Uit een koffer verkocht hij kostuums aan boeren en buitenlui en daarbij deed hij het voorkomen dat er een pak bij was, dat hij eigenlijk niet verkopen wilde. Omdat het anders en beter was dan de andere pakken die hij in zijn koffer had, terwijl ze alle vier precies hetzelfde waren.

In de oorlog waren zijn ouders ondergedoken, in Driebergen. Ze werden verraden, maar ontsnapten uit het politiebureau. De rest van de oorlog zaten ze in een gat in de grond in een bos in de omgeving. Ik vraag me vaak af wie die verraders waren. Die hadden het, zoals we in de boeken van hun kinderen kunnen lezen, juist druk met het redden van ­Joden. Maar wie dan wel? Ik geloof niet dat ik ooit een interview heb gelezen met iemand die vertelt hoe in de oorlog bij de ­buren ondergedoken Joden heeft aangegeven.

Daarom hadden ze een primus, koffie en een doos suikerklontjes bij zich. Dat waren dan de suikerklontjes. Daar stonden drie biljarts. Ik biljartte met een kinderkeu. Meneer de Laat gaf me een Heineken kistje. Anders kon ik er niet bij. Als Ajax verloor, werd het Hotel de Houten Lepel. Op het strand van Tel Aviv staan vier groen geverfde houten fietsen in vier maten. Het zijn geen echte fietsen, maar je kan er wel op fietsen. Een eindje verderop stond een meisje met haar rug naar de hoge zee een selfie te maken.

De golf die haar schoenen zouden overstromen, zag ze daarom niet aankomen. Ze schrok, maar ze moest ook lachen. Sommige dingen zijn overal en altijd gelijk. Gisteren gingen we met de trein van Tel Aviv naar Akko. Zee en strand reisden mee. Geen mens te zien en af en toe wolken bougainville in vele kleuren.

Ze waren geen dag ouder geworden. Tijdens de officiële opening lazerde de directrice van het ­museum van een trapje, sprak Freddy Hollander die alles geregeld had mooie woorden en keek Eberhard van der Laan vanaf een foto toe. In mijn eigen toespraakje bleek ik zonder dat ik het in de gaten had van het Engels in het ­Nederlands te zijn verdwaald, maar de zaal leek dat niet te deren. Terug in Tel Aviv reden we naar de markthal aan de haven waar we ons in het restaurant boven de kramen met aardappelen en uien aan lekker eten wijdden.

Omdat ik op sjiek moest, moest ik naar Warenhuis het Wespennest voor een paar schoenen, een broek en een overhemd. Een jasje bleek ik gelukkig nog te hebben. Toen we de ingang in het oog kregen met daarachter de kramen met glitterende vrouwen die in geuren doen, wilde ik ervantussen. Maar ik vermande me, drukte de holte van mijn hand als een kapje over neus en mond en haastte mij richting roltrap. De arm van de cosmetica reikt ver, maar de eerste verdieping hebben ze nog niet overgenomen dus daar kon ik weer ademhalen.

Een broek is meestal veel gedoe, maar de tweede broek was raak deze keer. Schoenen hadden ze niet in mijn maat, maar het overhemd was perfect. De verkoopster dropte ons bij de kassa, waar we onder helse muziek aansloten bij een rijtje.

Mijn geliefde was aan het afrekenen toen de caissière me vroeg of ze me ergens mee kon helpen. Ik zei dat ik al geholpen werd. U keek zo kwaad naar ­elkaar. De baleinen uit mijn vaders overhemden waren altijd kwijt, herinnerde ik me. Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest. Opmerkelijk vaak is dat niet het geval.

In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes. Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien. Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen. Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen. Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer.

Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid. Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek. Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt. Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt.

Inmiddels waren het er meer dan duizend. Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven. Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste. Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood. Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort.

De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker. We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus. Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was. Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij.

Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn.

De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren. De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg.

Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein. Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad. In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis.

Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij. In het café stond de barkeeper glazen te spoelen.

Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen. Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook. En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert. Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk.

Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster.

Stefani Perdomo  
Sook Dolezal